Lezen (of juist niet) 11!


Deze pagina bevat een lijst van sinds 2004 gelezen teksten met commentaar.

Retour naar overzichtspagina gelezen teksten

Gelezen - sinds 2004 - c

Read - since 2004c






F. Delnooz / P. Martinot, Voeding en spiritualiteit: De invloed van voeding op u en uw kind, Deventer (Ankh-Hermes) 2002, 191 pp.

De schrijvers - alternatieve therapeuten die zich van lieverlee ontwikkelden tot alternatieve adviseurs betreffende de rol van 'schone' energie en voeding voor de individuele mens - huldigen het standpunt dat de teelt, keuze, bereiding en opname van voedsel allereerst een zorgvuldig, aandachtig en liefdevol proces dienen te zijn, dat afgestemd kan en moet worden op ieder individu apart. Zij besteden dus ook hoofdstukjes aan de flexibiliteit die dit vraagt in een gezin waar met iedereen rekening gehouden moet worden; evenals aan de keuze die telers kunnen maken betreffende de rol van kosmische processen, van natuurlijke verrijking van de bodem, en van het vermijden van gif en kunstmest.
Wat betekent voor de auteurs spiritualiteit in relatie tot voeding? Ook afgezien van bovenstaande? “In het Westen zien we voeding vooral als een fysiek gebeuren. Zij voedt het lichaam. Voeding blijkt nog een andere potentie in zich te herbergen. Zij kan de mens voeden. De mens is zoveel meer dan een fysiek lichaam. De mens is een wonderbaarlijk wezen, dat een fantastische reis maakt. Wij kunnen de mens voeden in heel zijn wezen. Elk aspect van de mens kan gevoed worden door het eten van de juiste voeding.” (182)
De auteurs schetsen de mens als een combinatie van fysiek lichaam en ijlere lichamen of geest, die beide energieknooppunten bevatten (chakra's) die een belangrijke rol spelen bij het gezond functioneren. Een optimale balans tussen geest en lichaam is voorwaarde voor de vervulling door de mens van zijn wezenlijke levensopdracht, die hoger is dan die van dieren en planten. Belichaming worden van de hoogste liefde.
Dit helder geschreven boek lijkt onder meer de volgende vooronderstellingen te hebben: stoffelijke zaken in onze wereld zijn een uiting van hun geestelijke binnenkant, het is mogelijk ons af te stemmen op wat geestelijk het meest wenselijk is (ook voor ieder individu apart). Wij dienen ons te beperken tot variëren in gezonde voeding ofwel 'echte' voeding, die een rol speelt bij het gezond verbinden van het lagere materiële en het hogere geestelijke. Dus niet voeding die zonder zorg en liefde is geproduceerd of die alleen parasiteert op de mens, zoals koffie, alcohol, en - in veel gevallen - vlees, om de belangrijkste voorbeelden te noemen. De auteurs hebben veel oog voor de complexiteit van de processen en contexten die een rol spelen en voor het individuele evenwicht dat gevonden moet worden tussen enerzijds 'aarden' ofwel 'met de benen op de grond komen te staan' en anderzijds 'loskomen', 'ontsluiten' ofwel 'open gaan staan', 'geestelijk groeien'. Maar doordat zij erg flexibel willen blijven, worden zij ook niet erg gedetailleerd in hun aanbevelingen. Het blijft allemaal erg algemeen. Wel is de toon zuiver, hoewel de afwijzing van 'verkeerde' voeding hier en daar wat krampachtig lijkt - wat is de verbinding met spiritualiteit daar nu precies en wat voegt hun visie toe aan wat iedereen wel weet? Het accent dat zij vooral leggen is dat iets alleen aan de buitenkant verbeteren niet zal helpen, en dat wat wel helpt de toegevoegde spirituele waarde is. Als dit zo is, dan moet men met een 'buitenkant'-onderwerp als voeding wel heel voorzichtig zijn! Of men moet precies de samenhang behandelen en dat doen de auteurs niet zelf. Als men vervolgens concrete conclusies meent te kunnen trekken los van zakelijke en feitelijke inzichten die voor iedereen controleerbaar zijn, dan vrees ik dat men toch het gevaar loopt hier het materiële en het geestelijke te verwarren. Inderdaad: de spirituele (en materiële) situatie van de een is niet die van de ander.
Veel nieuws zegt dit boek dus niet maar het is toch prettig om te lezen en zijn eigen gedachten te kunnen vormen in vergelijking met de helder verwoorde en rijke ervaring van de auteurs. Ook dekt de titel van het boek - lees: voeding vanuit spiritualiteit bekeken - de lading dus wel: het gaat inderdaad om de '(on)geschiktheid' van voeding vanuit bepaalde criteria, dat is hun onderwerp. Overigens geven de auteurs duidelijk aan dat zij eigenlijk het ideaal van een omgekeerde volgorde koesteren: spiritualiteit bepaalt ook voeding. Maar over wat die spiritualiteit nu precies betekent hebben zij het hier niet.
Het boek laat een beetje een halfslachtige indruk bij mij achter: zuiver van toon, heldere inzetten, maar weinig concrete invulling op een tamelijk krampachtige afwijzing van 'verkeerde' voeding na. Krampachtig omdat het criterium niet erg duidelijk is en dus slecht toegepast kan worden buiten de kennis van aparte concrete situaties om. Hoeveel illustraties de auteurs ook geven, hun criteria worden er niet duidelijker door. Er zijn toch vrolijker boeken over eten en drinken!
23 augustus 2004

F.G. Martínez / E. Tigchelaar (red.), Fragmenten uit de woestijn: De Dode-Zeerollen opnieuw bekeken, Zoetermeer (Meinema) 2003, 203pp.

Na de wilde speculaties die verscheidene publicaties in de jaren 90 kenmerkten, en na de uitgave van de resterende ongepubliceerde teksten begint een nieuwe fase in het onderzoek van de Dode-Zeerollen, van de Qumran-nederzetting en van de mensen achter beide, “de Gemeenschap” of wie zij ook waren, tot nu toe bekend als de Essenen. Om met de laatste te beginnen: zoveel is duidelijk dat er naast een vermoedelijk op één plaats gevestigde sekte ook verspreid wonende verwante groepen hebben bestaan, en dat niet al deze groepen dezelfde regels volgden. In plaats van opvallende en eenzijdige totaalvisies te brengen wordt nu meer geprobeerd recht te doen aan het materiaal, in de hoop na verloop van tijd inzicht te krijgen in de resterende vragen. Terwijl men het over een heleboel zaken ook wel eens blijkt te zijn.
Heel veel feiten passeren in dit overzichtelijke en prettig leesbare boekje de revue. Niet de historische, sociologische, politieke en geografische context. Evenmin de ins en outs van de archeologische discussies. Hiervoor kan men beter terecht bij het boek van Stephen Hodge - zie
mijn bespreking. Hodge's boek biedt een veel interessantere opzet, is meer geschreven vanuit wat de mensen om wie het gaat, bewogen kan hebben, en raakt dieper. Toch biedt het boek van Martínez / Tigchelaar de nodige extra's. Weliswaar is het wat vlak van toon, wat droger - het is naar mijn indruk sterk gericht op het bieden van betrouwbare, evenwichtige informatie. Het boek stamt niet voor niets uit de school van de Groningse onderzoekers die al decennia lang een centrale rol spelen in de bestudering van deze geschriften en in de uitgave ervan. Maar het lijkt ook wel of zij vooral op geen enkele teen willen trappen, en dat maakt het boek misschien ook saaier dan nodig: de beschreven groepen waren zeker niet saai. We vinden bijvoorbeeld nog betrekkelijk weinig over hun spiritualiteit (overigens ook niet veel bij Hodge). Of is het daar nog te vroeg voor in dit stadium van het onderzoek? In ieder geval zijn alle feiten in dit boekje keurig opgedist, en getuigt ieder hoofdstukje - dat telkens een apart onderwerp bij de kop neemt - van de doorwrochte kennis en studie van de schrijvers, die er soms al jarenlang middenin zitten. Zij weten waar de leuke details te vinden zijn, en brengen die helder naar voren in hun geciseleerde betogen - maar zonder ook maar één keer te veroorzaken dat men op het puntje van de stoel gaat zitten. Het blijft academisch, in de saaie maar ook in de goede zin. Nuchterheid is bij dit onderwerp ook iets om te waarderen!
De extra's in dit verder tamelijk informatieve boekje zijn dan ook vooral te vinden waar de auteurs een onderwerp uitdiepen aan de hand van voorbeelden. Het licht bijvoorbeeld dat de teksten werpen op andere ons bekende teksten uit wat we later de bijbel zijn gaan noemen maar die toen nog niet in die samenstelling bestond. Of de wijze waarop diverse voorstellingen in de teksten het gat dichten dat bestaat tussen de voorstellingen in wat wij nu het Oude Testament noemen en wat wij nu het Nieuwe Testament noemen: er is duidelijk van ontwikkelingen sprake. Daarbij valt de toenemende rol van engelen op, even goed als die van de tegenstelling tussen licht en duisternis, en van astrologische en kalenderkwesties. Ook uit dit boek blijkt hoe zeer de gemeenschap waarbinnen de teksten ontstonden, verbonden was met de priesterkaste in Israël, waaruit haar leiders voortkwamen. Maar dan weer nauwelijks een woord over de verhouding tot of liever de afstand die hen waarschijnlijk scheidde van het tempelgebeuren in Jeruzalem!
Tot veel andere conclusies dan het boek van Hodge komt men niet, en dat is op zichzelf verheugend. Kennelijk begint men het over heel wat zaken enigszins eens te zijn. Maar tegelijk dringen zich vele nieuwe vragen op, en die worden ook hier nog maar mondjesmaat en voorzichtig aangestipt. Zoals de verhouding van de voorchristelijke en de christelijke Joodse* groeperingen en hun voorstellingen - alle nog Aramees gebruikend. En de verhouding van die groeperingen en voorstellingen tot de door Paulus geïnspireerde al iets meer hellenistisch-christelijke - die Grieks gebruikten; om veel hellenistischer voorstellingen nog maar even te laten voor wat ze waren.
Aan het eind van de hoofdstukjes wordt summier naar verdere interessante literatuur verwezen, soms mét maar vaker zonder toelichting over de kwaliteiten ervan.
De schoenmakers die dit boekje schreven, hielden zich keurig bij hun leest, en dat is te prijzen, al leverde het behalve een zeer informatief en betrouwbaar toch vooral ook een beetje droog en vlak boekje op. Maar buitengewoon leesbaar, net als het boek van Hodge. Ze vullen elkaar dus zeker aan. Over tien jaar weer zo'n buitengewoon deskundig en betrouwbaar (maar ook op belangrijke punten te weinig zeggend) boekje, zou ik zeggen, en dan ook nog geschreven vanuit de strijdvragen in het onderzoek, zodat de lezer mee kan smullen met de wetenschappelijke frontlinie die nu wel heel erg ver uit het zicht lijkt. De Dode-Zeerollen zijn daar heel belangrijk voor maar tegelijk slechts een onderdeel ervan. Dat zou dan duidelijker naar voren kunnen komen.
* Voor het gebruik van kapitalen - of niet - bij de woorden Joden, Joods en Jodendom zie de opmerking vooraf bij mijn bespreking van het boek van Hodge.
23 augustus 2004

M.F.M. Van den Berk, The Magic Flute: Die Zauberflöte: An Alchemical Allegory, Leiden (Brill) 2004, Hardback + audio CD's (xxii, 650 pp., 92 illus.)
M.F.M. Van den Berk, Die Zauberflöte: een alchemistische allegorie, Tilburg (Tilburg University Press) 1994, [eerste druk, ]463 pp.

This volume demonstrates in a very inspiring as well as definitively convincing way that Mozart's opera Die Zauberflöte is an enactment of the alchemical opus magnum, in the form of a chemical wedding. Towards the end of the 18th century, alchemy was still a prominent current within the Order of Freemasons of which Mozart and his librettists were members. The central part focuses on the opera's alchemical structure, whereas the historical and mythological backgrounds are also dealt with extensively. The book comes with 3 CD's offering a rendition of the integral opera, in contrast to the common practice of leaving out major parts of the libretto. The Magic Flute is a very fascinating journey of discovery, an initiation into Initiation. With complete original libretto and over 100 pictures. A splendid publication and very readable as well.
If you wish so, compare it with the German studies of R.Chr. Zimmermann, Das Weltbild des jungen Goethe, vol. 1 (1969, 2002), vol. 2 (1979), on the hermetic traditions of the 18th Century. Thus these 18th Century traditions of androgyny, again 'seen' and acknowledged today (in very different ways indeed), had its roots in alchemy and among others pietism (Boehme's follower Oetinger) and flowed into Romanticism and so into several (sub)currents in the 19th Century. As Van den Berk shows, it's all about being deeply enchanted (as if by the unseen and unheard) through the experience of the seen and the heard, and thereby - my words for it - experiencing the union of (all!) opposites. For diverse interpretations of this as well as Eastern traditions about this search within the Internet for "union of opposites", "chemical wedding" or "chymische Hochzeit", or "yin yang" and their equivalents and relatives. For a very related and comparable theme of study see also the summary of my dissertation about
androgyny in Christianity, particularly within the works of Jacob Boehme, more about whom later in this review.

I add a few impressions and comments after having read and consumed this massive work (during which I listened to the the accompanying CD's with a recording of the opera's new and complete very lively and lovely performance according to the original libretto). Of course my comments will be very minor as my interest is "general history of spirituality" and as my knowledge of the subject of this book is only non-specialist. Nevertheless I have the general impression that Van den Berk is here the forerunner who cuts a path through the thick forest which would otherwise not be viable. For the specialist readers - specialists in so many diverse fields as: the history and theory of music, especially Mozart, than the history and meaning of alchemy, and of so-called secret societies in Western civilization with the goal of spiritual initiation, among them Freemasonry, and of many other fields such as the literature about the Zauberflöte and its meaning, the history of Vienna and the German speaking countries in the 18th Century, all these fields with their own histories and literature - he gives clues for the right interpretation, showing remarkable knowledge of the literature but not always extensively dealing with the resulting detailed discussions: although very detailed regarding the main points of discussion, regarding other points he is just giving the important data and showing their most probable interpretation in the newly discovered context of the 'alchemical' interpretation of the opera. Proving anew and definitely that the opera is an 'alchemical' one is what he does, which he is very sure about, and may be proud of.

The heart of this book for me - and I suppose it is the specialism of Van den Berk himself which he developed during this study - is the detailed and thorough illustration of the alchemical meaning of the opera. He does so by interpreting the diverse characters, symbols and processes, as well as the totality of them, as illustration of the 'magnum opus', the great work of the alchemists. And this within and from the lives and context not only from the makers of this opera, Mozart and his librettists, members of the 'illuminate' version of Freemasonry (that is the version which values personal illumination by spiritual transformation in the Rosicrucian tradition as they interpreted it, against the more 'rationalistic' version of Freemasonry which stressed the rationalistic way of enlightenment). But still more, and this is a really fascinating part of the study, from the history of mythology of which alchemy grew as one branch. So we learn among many other personalities and symbols from Black Isis-Hecate, from Horus-Orpheus, as well as from Pamina as salt, Tamino as sulphur, and Papageno-Papagena as mercury and hermaphrodite. And not less from the processes of transformation which all these undergo, resulting in the definitive 'chemical' wedding (the sacred marriage), through the phases of nigredo (blackening), albedo (whitening) and rubedo (reddening). Everything is shown in the most convincing details, from classical Greece and old Egypt to the Rosicrucian works of the 16th Century. From Isis and Osiris to Mozarts visit to Pompeji, and the history and meaning of the etchings which accompanied the publication of the opera. With detailed insights into Mozart's membership of Freemasonry, his personal views about what it stood for, and the way this influenced his musical and theatrical creations. With the most insightful explanations of 92 very adequate illustrations. So this is indeed a monumental work.
I add hastily that the book is a pleasure to read, because Van den Berk is a master in letting the reader make the discoveries together with him. Although possibly not every part is to any reader of the same interest, it is clear that one enriches oneself very much by following the author throughout the whole book. Particularly if one is also interested in the evidence which proofs the theses of the author. Van den Berk has a strong intuition and at the same time a thorough feeling for scientific and historical proof, and always lets the later support the former.
He even gives in the end an oversight of the literature of the last two centuries which touch the topic of the alchemical interpretation of the Zauberflöte. He not only has cut a path through the thick forest but shown many views of very interesting and very important aspects of what we his readers experience as our surrounding, how different our interests and imaginations may be. And be sure the map he sketches does not contradict the innumerable hard facts for one moment! So I have to conclude that this work offers a lot to many people, not the least many suggestions for further studies in the field, and much inspiration for every reader, also those with a more personal interest in the various subjects, themes and topics related to Mozart's Zauberflöte.

Before continuing with some more personal comments on topics which have fascinated me most of all, I add a technical information regarding the differences between the first Dutch version of the book (1994; I did not compare with the later Dutch editions of which according to bibliographical information at least the 3d edition of 1998 should have contained changes) and this translation into English in which the author has made some corrections and additions, although no very fundamental ones (or one must judge his rearrangement of the passages about Giesecke and Wieland of that order). For example he included the most recent literature. Let me add here what until now I forgot to say: how enormous the work must have been for Van den Berk to search for not only the actual literature about the subjects within these fields, but also the historical facts and literature by visiting libraries throughout Europe! What a splendid piece of research!
From the Dutch version - of which a 5th imprint has now been published! - he omits at least the following pieces:
1. A passage about the number 18 in connection with mercury as interpreted by the Dutch author Martin van Amerongen (Dutch version p. 71, English version pp. 83-86;
2. A passage about the role of moon and sun in matriarchal times according to hypotheses of Bachofen and Frazer (D pp. 146-7, E 176-7)
3. A passage about a ('third') scheme of 10 grades within the Rosicrucian lodges of Mozart's time (D 197-8, E 229);
4. A passage about Monostatos as devil (D 215, E 251);
5. Some arguments of different character regarding the hypothesis of Volek about the relation of the opera La Clemenza di Tito with the opera Die Zauberflöte (D 366, E 492);
6. Some arguments about Mozart's hypersensitive character (D 375-6, E 505-6);
7. A long passage about the esoteric themes of the opera Il Sogno di Scipione which Mozart composed at the age of 15 (D395-399, E 462);
8. A short appendix about the number three within Die Zauberflöte (D 421-423).
I notice these omissions for reasons of completeness; only the omissions 2 and 7 I really miss, 2 because the relation of this book's themes with matriarchal times and/or culture and/or psychology might be more important than most people think or even think possible (although not without possible pitfalls to me it is meaningful to - try to - differentiate between patriarchal and matriarchal aspects or tendencies or traits within several contexts and at several levels), and 7 because the themes as such are interesting, be it that Mozart was very or even especially aware of them at that age or not.
Than now again for completeness also the small passage which is added in the English edition, compared with the original Dutch one: an interesting note about the origins of the word alchemy (E 186 note 62, D 153 and 159 note 63). Of course there are several small changes or corrections in the English edition, among them the data about the new literature. Among the changes are also several rearrangements of the material, but these do not influence the argument very much, they mostly regard a better composition of the materials.
As you will have noticed by reading this review, you have seen that writers of Dutch origin sometimes write English of a special kind. If this is also the case with the English of the translation, I therefore cannot tell you, because I have Dutch ears and a Dutch tongue too. But in general I have read the English translation, made by a very committed translator of Dutch origins, with much pleasure, and I am sure that - if any - there are very, very few passages which are not understandable at the first reading, which to me seems a great accomplishment. If others would experience this otherwise, the publisher could let a very good editor go through the book before a - to me very likely - second printing.
I wish this book in the hands of many, and thank the makers of it for their inspiration and knowledge, particularly the author himself through which all this value comes through us.

Now I will continue with some questions which remain to me unsolved, or the more intriguing, even after reading this fascinating and more or less (presented as) definitive book. I divided them into two, but it seems better to take them together. Perhaps they should even be reformulated afterwards. For if my questions and remarks touch real 'problems' and thus may include real and valuable hints, I assume a discussion with the author about his views on the function of symbols, about the possibility of the recognition of patterns in them and of systematizing them, or a further elaboration of these themes would be fruitful. For example: what could be the value of alchemical symbols for a future we don't know yet? What does the richness of (forgotten or still actual?) alchemy tell us about our culture, about other cultures in which similar symbols play such a fundamental role, and about the possibilities for future cultures? What has alchemy to tell us about ourselves - and perhaps about all and everything ad infinitum? Or if not the latter, why so much detail spent on other subjects than the foremost ones in this book?! To me it seems the author has to say more than he wishes to be blunt about - or am I wrong? And if I am not wrong, why chose the author for this 'method' that is to say for this 'way of exposition'? I really suppose it's not only the historical thesis which he puts forward, but should we be without any direct information about this? Or does he mean just that: that it would not be the information but only that to which it hints - be it exactly through or be it apart from information itself (see below)?

A first question I have, boils down to: if spiritual enlightenment or personal illumination is something which does not per se require all the information, or even the smallest part of it, encompassed in this book, or in the traditions of alchemy and Freemasonry which it describes - apart from the adherers of these particular traditions -: why all this information? This is not meant as some form of criticism, because the book is first of all a book of study and well worth reading and studying as such. But nevertheless! This question, I assume, is my deep interest and not only mine. Particularly for those whose interest is also - or in the first place - the possibility or meaning or realization of the strived after illumination itself, by way of it (the opera) or by other ways.
(Of course some would say that for illumination no striving after it is necessary or even useful, because illumination realizes itself without any striving for it by us - i.e. forcing and closing; longing would be OK insofar as it does not close anything -, apart from our living from moment to moment including our strivings as well as our detachment of them, of all sorts; this view encompasses the refutation of any pre-judgment about which is the legitimate future form of illumination.
Again: the beginning of another answer could be that as the symbols of one tradition - for example alchemy or music or opera - can be the vehicle for some realization of illumination, it could also be the symbols of other traditions, apart from how popular or unpopular they might be.
Again: the beginning of still another answer could be that this book is a plea for alchemy an/or Freemasonry or for important aspects of them among which illumination, but this is not explicitly stated by the author. Perhaps it is a plea for illumination per se - that is: in whichever (undisclosed) form (for example 'indirectly') - nevertheless? We would have to ask the author. And see also my further remarks.)

A second remark. Of course this very rich book offers opportunities for discussions about lots of themes, most of which I have to leave here unnoticed. Think of the possible value of the traditions of alchemy and Freemasonry in our times, not just historically. Think for example of the role of secrecy within spiritual traditions and to the role of women in society, as well as the relation of both to political power; and even the relation of the ideas and symbols of these traditions to the deep philosophical suppositions of Western culture (see my Dutch book 'Voorbij het patriarchaat' - or 'Beyond patriarchy'), for example with regard to the implicit views of social hierarchy within them as illustrated by their linguistical hierarchy (Claude Lévi-Strauss). But I have to acknowledge that these are not themes Van den Berk himself has the opportunity to deal with in this already very lengthy book.
Think also about many other themes, historical, musicological and other ones. To my opinion the richness of this book cannot be underestimated very much! Although the author is very well aware of many themes - in which cases he notices them and deals with them carefully (being aware of the pitfalls of prejudice about many subjects) and in interesting ways, or leaves them to later treatment by specialists (probably also sometimes avoiding disagreement among them now), but not after having made his own suggestions and the main arguments for them - there are also aspects which he does not give very much attention. I mean the path of illumination itself.
To me it is very clear that the author has absolutely succeeded in proving his historical thesis - that that Mozart's opera 'Die Zauberflöte' is an enactment of the alchemical opus magnum, in the form of a chemical wedding - including the use of his strong intuition for the meaning and use of symbols and mythology as well as of his very sound methodology in working out his arguments. There may be discussions about details, but the main point is made unmistakably and with great demonstrative power.
Nevertheless there has been creeping in a feeling within me, a feeling that this book indeed explains where Die Zauberflöte is about, and indeed where illumination within alchemy and Freemasonry is about, but that nowhere in this book the path of illumination itself and as such is dealt with. This is not of course to say that the book is not complete in any sense (although I missed a hint at which piece of actual or historical literature would give us readers a good insight in and overview of the traditions and goals of alchemy in particular as well as of Freemasonry; the value of these traditions is now left in the dark, in a way …). It's just my remark at a particular point which interests me.
To me the experience or realization of illumination - I can refer to illumination in the works of Jacob Boehme which have well influenced the authors which according to Van den Berk also inspired Mozart, particularly the famous Oetinger of whom a book was found in Mozarts library with a very interesting part about music! And I can also refer to illumination in the Buddhist tradition - is important as well as the path from and to it. To me an important aspect of the path is the attitude of non-dualism, or detachment (not precluding engagement). And while I experience the book of Van den Berk as 'scientifically' impressive, why does not deal he with the core itself of his subjects - namely the path from and to illumination - that intensively? Of course it is very likely that he does this indirectly so why not also directly? This touches the earlier noticed role of secrecy in regard to the spiritual path but nevertheless, it is not dealt with in the book.
As I noted above: to illumination all the information is no prerequisite, so why is this book to me very impressive and at the same time lacking something about which I would have preferred to read at least somewhat more? I suspect the author again was aware of that aspect because he ends his book by a note about himself on the way from nature via reason to wisdom (referring to the three temples within the opera). I could translate this remark into a question: if wisdom is more than the right balance between nature and reason, what is this 'more'?! But let me first acknowledge some other characteristic of this book which has impressed me very much: the author everywhere adds to his conclusions the way he has found them, and this is very inspiring. It tells us we ourselves could also find what we seek, if using our means in the right way. So the book itself is a splendid illustration of going one way, be it only that of detailed 'scientific' mythological and historical research (including important aspects of human psychology).
Could science be one of the ways of the path of illumination? If that is what Van den Berk - in a splendid way - illustrates, my second remark is partly met. This would - a side remark - even include the compatibility of science and religion in a certain way, in the sense that a scientific work can deeply inspire as well as in the sense that science and religion not always have to contradict each other by definition (because only if one gives one's definitions of both absolute characteristics science and religion are incompatible). Or would it be possible to say for the author a bit more about the path of illumination itself as well - I mean: about walking the path? To me it is not very well understandable the author does not so explicitly, because if according to the makers and this author the opera in question is an initiation into initiation one would like to be informed about the walking of this path for any listener and reader as well. About what it is, to which it leads and how this is done. It's the tone which makes the music - but the music makes us dance from, to, as and about what?! And what would all this information be without the experience which it describes and intends?! I add another point, which for me touches the core. To me illumination in the Western tradition of alchemy has everything to do with the so called union of the opposites of which the union of the opposite sexes is the most important example, also called 'androgyny' which is an important topic from classical to modern times (see my book on androgyny in Christianity, particularly in the works of Jacob Boehme). As this includes the relation of sexuality and spirituality - the role of the union of the sexes at all levels, even as symbol of spiritual illumination! - it would be important not to forego this tradition and its implications, particularly when the subject is central to it, and the Zauberflöte surely is. For example: how is the relation in the opera between sexuality at lower and at higher levels and how has it come through in the course of the reception of the opera?! This is again a core theme Van den Berk's book puts on the scene of our attention, and although he himself does not elaborate upon it very much, it is very important as well and will hopefully be seen by many readers. The relation of sexuality and spirituality is of great importance to the history of the West, not only through the churches, through theology and mysticism, and not only through alternative traditions like Gnosticism and alchemy in which it flourished abundantly, but also in the philosophical presuppositions of Western culture as such. It is not by chance that the theme of the Zauberflöte is a core theme. Whereas it is a great merit of this book of Van den Berk to have proved this with regard to the roots of the Zauberflöte in alchemy and Freemasonry, it would be a great accomplishment if the much broader implications of it - I repeat: a core theme of Western culture - from now on would be elaborated upon more fully. Again: that Van den Berk with his book touches upon such a fundamental theme to our Western culture and spirituality, and so makes possible a more thorough study of the latter, to me is a great advantage and a great merit. It makes even comparisons and discussions with other cultures more near and better possible. Not a small value.
10 september 2004

Ketters en Katharen: Tragiek en triomf van het geweten: De glorie van Occitanië/De Ariège, zoektocht naar de Katharen/Manicheïsme als oerketterse stroming, PRANA Nr. 140, dec./jan. 2003/2004, Deventer (Ankh-Hermes),104 pp.

Bijzonder nummer over de Katharen (vooral dertiende eeuw, bijna uitgeroeid in 1243) en de manicheese wereldkerk (vooral derde tot vijfde eeuw in Europa en Azië). Beide onderwerpen staan in de belangstelling maar over beide is - of was tot voor kort - moeilijk goede informatie te krijgen. Dat is aan het veranderen door een positiever klimaat ten opzichte van wat vroeger veelal bij voorbaat als ketters afgedaan werd. En tevens doordat sensationeel nieuwe bronnen van historische informatie beschikbaar komen; in het geval van de manicheeërs zijn dat nieuwe direct manicheese bronnen, in het geval van de Katharen zijn dat vooral veel oudere verwante bronnen (de gnostische geschriften van Nag Hammadi). Ik laat eerst kort de verschillende artikelen de revue passeren en maak aan het eind een enkele algemene opmerking. We maken in dit nummer zowel kennis met de inspiratie van de twee stromingen als met grondige informatie erover. En wat we vooral moeten bedenken: het gaat hier om twee stromingen die hoe dan ook geheel en al deel uit maken van het christendom en zijn geschiedenis, en niet een aparte godsdienst (manicheïsme) of een onchristelijke ketterij (Katharen) zijn.
Zo maken we in dit nummer in vertaling kennis met enkele Franse auteurs over de Katharen; bijvoorbeeld Jean Blum van wie een kort artikel is opgenomen. Een tekst van Antonin Gadal (1877-1962), een van de nestoren van de Katharen-revival in de twintigste eeuw, geeft diens deels op historische deels op inhoudelijke parallellen gebaseerde geheel eigen visie op de wortels en de actualiteit van de Kathaarse beweging, met de liefde als centraal punt van leer en optreden, in flagrante tegenstelling tot die van haar kerkelijke en wereldlijke tegenstanders. Gadal is ook van betekenis voor de Internationale School van het Rozenkruis (het Lectorium Rosicrucianum) waar Joost Ritman, stichter van de vermaarde Bibliotheca Philosophica Hermetica in Amsterdam, nauw mee verbonden is. Enkele werken van Gadal zijn in het Nederlands vertaald.
Joost Ritman biedt een geïnspireerd artikel over de Katharen als voorbeeld van een vreedzame samenlevingsvorm en democratische cultuur, van een klassieke inwijdingsweg, die leidt tot de wedergeboorte van de mens. “De geboorte van de gnosis is er dus niet één die in het verleden lag, of die nog komen moet, of opnieuw moet terugkeren. De geboorte van de gnosis is het betreden van de Al-Ene levenswerkelijkheid zelf, die niet begrensd is door verleden, heden en toekomst.” (10) Marcel Messings lange artikel vertoont sporen van de druk waaraan hij zich blootgesteld voelt. Hij verontschuldigt zich dat hij eigenlijk liever met publiceren zou wachten tot hij zijn grote boek over de Katharen klaar heeft waaraan hij denkt binnenkort te kunnen beginnen. Ik weet niet wat hem ertoe gebracht heeft toch maar dit lange artikel op papier te zetten maar hij had misschien beter kunnen wachten, mijns inziens. Weliswaar weten we nu dat zijn boek er aan komt! Hij verhaalt uitgebreid van zijn persoonlijke ervaringen tijdens zijn intensieve zoektocht naar de betekenis en intensieve speurtocht naar de overblijfselen van de Kathaarse beweging in de Ariège waar hij jarenlang woonde. Hij lijkt zeer goed op de hoogte van zowel de literatuur als van de historie en wat er nog aan herinnert, zoals hij laat zien aan diverse interessante feiten die hij boven water haalt. Jammer is dat hij in dit artikel persoonlijke wederwaardigheden en feiten over de geschiedenis vaak in één adem aan de orde stelt, zo niet door elkaar haalt. Weliswaar brengt dit het verhaal soms dichter bij de lezer maar het wordt zodoende minder het verhaal van de Katharen en (hoe interessant en waardevol op zichzelf ook) meer het verhaal van de mens Marcel Messing. Ik zou namelijk als lezer graag zelf kunnen nagaan waar die samenvallen en waar niet. Want ik ben ook heel erg in historisch-wetenschappelijk betrouwbare informatie geïnteresseerd; er zijn al zoveel onbewezen en onjuiste gegevens over de Katharen verschaft!
Messing suggereert bovendien (daarnaast?) duidelijk een eigen lijn met een andere wereld te hebben - althans informatiebronnen te kennen die maar weinig anderen ter beschikking staan. Die suggestie lijkt me zowel de moeite van het overwegen als van het testen waard. Het lijk echter onmiskenbaar de moeite waard in zijn teksten te speuren naar vele interessante feiten die alleen hij op het spoor gekomen is. Om een voorbeeld te noemen vermeldt hij de relatie van Antoine Gadal met de SS-er Otto Rahm als punt van nader onderzoek; Messing is dus ten aanzien van anderen niet onkritisch. Zal Messing er in slagen een nieuw historisch licht op de Katharen te werpen? Of ligt zijn kracht meer in het perspectief voor onze tijd dat hij vanuit zijn betrokkenheid bij de Katharen neerzet? In dat geval lijkt me toch prettig om te weten wat van de vroegere Katharen is en wat van hem of liever van 'zijn proces' zelf, wat gebaseerd op historisch-wetenschappelijk betrouwbare bronnen en wat meer op subjectieve of speculatieve bronnen. Hij zou ongetwijfeld velen een grote dienst bewijzen als hij in zijn toekomstige grote boek de precieze bronnen van zijn beweringen geeft zodat we de verhouding tussen feiten en fictie zelf kunnen nagaan. Dat hoeft immers niet per definitie in mindering te komen op de betekenis die de meer subjectieve delen van zijn tekst voor de lezers heeft.
Dan de meer historisch-wetenschappelijke ('objectief' informerende) artikelen.
In het heldere artikel van John van Schaik wordt uitgelegd wat de verschillen en overeenkomsten zijn tussen de Katharen en het manicheïsme; hij promoveerde er kortgeleden op. De verschillen zijn overweldigend maar er is een belangrijke overeenkomst: beide vormden gnostische systemen waarin het boze als reële kracht een plaats had in het 'plan', in tegenstelling tot de katholieke en protestantse orthodoxie waarin het kwaad geen substantiële betekenis krijgt. Beide zien de weg tot kennis van God, schepping en mens als een weg van toenemend inzicht, in tegenstelling tot het katholicisme en protestantisme die deze weg zien verlopen via het verdiepende geloof. De gnostische systemen worden wel aangeduid als dualistisch vanwege deze realiteit van het kwade, maar de uitwerking van dit dualisme bij manicheeërs en Katharen verschilt zo aanzienlijk dat je kunt spreken van geheel verschillende systemen. [Tussenopmerking: helaas wordt de term dualisme (letterlijk: systeem - of visie op een deel of een geheel van de werkelijkheid -, hoofdzakelijk bestaande uit twee polen of tegenovergestelde aspecten) in andere verbanden ook voor andere dualiteiten gebruikt zodat de term dualisme in dit verband niet erg onderscheidend is. Tenzij men bedenkt dat de term hier slaat op goed en kwaad als polen in het systeem, zeg maar God tegenover de duivel en licht tegenover de duisternis, om de belangrijkste aspecten te noemen.]
Terug naar de verschillen. De Katharen leren dat de goede God de onzichtbare geestelijke wereld schiep en de boze God de zichtbare stoffelijke wereld (“verticaal dualisme”) en dat de manicheeërs een vermenging van licht en duisternis door alle tijdperken van de wereldgeschiedenis heen leren (“horizontaal dualisme”). Dit heeft vergaande consequenties; ook hun verschillende visie op de oertijd en eindtijd hangt hiermee samen, evenals verschillende opvattingen over hoe wij mensen geestelijk en stoffelijk in elkaar zitten en hoe wij met de werelden van geest en stof omgaan. Behalve veel meer concrete informatie biedt het artikel waardevolle literatuurverwijzingen.
Jacob Slavenburg maakt in een interessant artikel een begin met de vergelijking van de Kathaarse geschriften met hun parallelle voorlopers uit de tijd van de oudere gnostische systemen, met duidelijke literatuurverwijzingen. Behalve met de manicheeërs kunnen de Katharen immers ook met de andere gnostische stromingen uit de oudheid vergeleken worden, en van deze laatste is Slavenburg een uitnemende kenner. Op deze weg is nog veel onderzoek te doen. Er kunnen mijns inziens veel resultaten verwacht worden. Niet alleen in de zin van directe parallellen maar ook in de zin van dieper gaande overeenkomsten en verschillen. Volgens John van Schaik in zijn eerder vermelde artikel (68-69) verschillen de manicheeërs niet alleen van de Katharen maar ook van de vele gnostische systemen in de geschriften uit Nag Hammadi. De laatste beschouwen de schepping van de mens als het ware als een 'foutje' dat eigenlijk niet had mogen gebeuren en de Katharen zeggen zelfs letterlijk dat de mensen kinderen van de duivel zijn. Terwijl de manicheeërs de mens wel zien als een schepping van de heersers van de duisternis maar met vele lichtelementen zowel bij zijn scheppers als in zijn ziel als in de stof waaruit hij geschapen is.
Als laatste artikel over de Katharen vermelden we hier het prachtige artikel van Bram Moerland over de Occitaanse Renaissance, de Gouden Eeuw van het Franse Zuiden waarvan het Katharisme deel uit maakt. Daaruit blijkt heel duidelijk dat we het Katharisme niet op moeten vatten als een geïsoleerde religieuze beweging maar als een beweging naar vrijheid die in een culturele renaissance was ingebed. Een culturele renaissance die onder meer een vreedzaam samenleven van katholieken, moslims, joden en katharen omvatte. De uitmoording van de Katharen bezegelde het lot van deze opleving van vrijheid (ook Ritman is zich dit blijkens zijn artikel bewust). Dit artikel is een prachtige aanvulling van Moerlands onvolprezen boek
De katharen en de val van Montségur, inclusief aanvullende literatuurverwijzingen.
Dan de artikelen over de manicheeërs. Om te beginnen het informatieve en interessante overzicht van Hans van Oort over de herontdekking van manicheese teksten en de nieuwe inzichten die dat - na veel werk - opleverde en nog zou kunnen opleveren. Allerlei dwarsverbanden worden zichtbaar tussen deze tweede grote stroming van het christendom (naast de katholieke stroming, onder te verdelen in byzantijns, rooms-katholiek en protestants) en andere tradities. Zoals het oorspronkelijke joodse christendom en de gnostische stromingen in de eerste christelijke eeuwen, maar ook de Perzische en verdere Aziatische omgeving van het manicheïsme (niet in de laatste plaats de Perzische en boeddhistische religies). Dit alles met waardevolle literatuurverwijzingen. Simpele feiten maar wat liggen er behalve veel verder werk ook veel resultaten te wachten! Zo noemde van Oort kortgeleden nog de verbanden tussen de vroege islam, het oudere christendom en de joodse tradities van Merkabah(troonwagen)-mystiek en Kabbalah die aan de orde zullen komen in de in 2005 te verschijnen - inmiddels verschenen - eerste Nederlandse uitgave van Mani's biografie (opgetekend in de zogeheten Keulse Mani-codex) van de hand van Hans van Oort en Gilles Quispel. Ik twijfel er niet aan of vele interessante thema's zullen zo een nieuw hoofdstuk aan hun geschiedenis toegevoegd krijgen, zowel in de mythologie, bijvoorbeeld het thema van de androgynie - de manvrouwelijkheid van God en mens, om te beginnen van Adam (en Christus) - in jodendom, christendom en islam, als in de sociale geschiedenis waarmee al deze zaken nu eenmaal nauw verweven zijn. Vooral over de laatste ben ik tot nu toe weinig tegengekomen, op bijvoorbeeld een losse opmerking van Hans van Oort - in ander verband - na over het betrekkelijk elitaire karakter van de manicheese godsdienst.
Het waardevolle en informatieve artikel van John van Schaik noemde ik al.
Ten slotte biedt Ronald van Vliet, auteur van een lijvig overzicht van de manicheese religie, een buitengewoon overzichtelijke en interessante samenvatting van de manicheese kosmologie. Hieruit wordt veel duidelijk over de rol van het toegelaten kwaad in de wereldontwikkeling, over de verhouding van licht en duisternis en hoe het goed het kwaad kan omvormen, want dat is de bedoeling. Over de verschillen tussen Augustinus' latere opvattingen en de manicheese ideeën die hij in zijn jeugd aanhing: “De idee van de erfzonde is de vervanging van de idee van karma - dat in de tweede hoofdstroom geleerd werd - in de historische ontwikkeling van het christendom!” (82) De auteur van dit artikel is ook zeer goed thuis in de geschiedenis van de Westerse esoterie, waaronder de geschriften van de Rozenkruisers en de antroposofie van Rudolf Steiner, evenals de verwante denkers en thema's in de filosofie. Waardevol is dat hij sterk is in het noemen van zijn bronnen en het documenteren van zijn feiten en parallellen - zie ook zijn uitgebreide literatuurverwijzingen -, zodat de lezer zelf een oordeel kan vormen. Zo ver ik kan nagaan, kloppen de parallellen. Dat wekt vertrouwen. Lastig is dan wel weer dat de auteur heel af en toe de neiging heeft wel erg uitgebreid parallellen te willen tonen. Wanneer de auteur zich kan beperken tot het tonen van de belangrijkste samenhangen en die goed illustreert zoals in dit artikel, dan bewijst hij mijns inziens velen grote diensten. In de beperking toont zich de meester. Uit dit artikel blijkt hoe ongelooflijk waardevol de manicheese religie geweest is en nog kan zijn. Niet alleen omdat we de katholieke stroming van het christendom - door de vergelijking ermee - beter leren kennen maar vooral omdat er zoveel waardevolle elementen aan te ervaren en wellicht te ontlenen zijn. Ook uit dit artikel blijkt bijvoorbeeld dat aan het thema van de androgynie in het christendom - naast een uitbreiding van de bestaande hoofdstukken over de gnostiek in de eerste eeuwen en de veel ruimere achtergronden daarvan dan welke tot nu toe beschreven zijn - een nieuw hoofdstuk toegevoegd kan worden nu we het manicheïsme eindelijk beter in beeld krijgen (aan te vullen met een boek over de androgynie in het christendom in relatie tot die in andere godsdiensten en culturele tradities). Het manicheïsme is een inspirerend geheel geweest. En zal dat mogelijk in andere vorm opnieuw worden.

Al met al een prachtig nummer van dit tijdschrift. Sommige van de artikelen zijn meer algemeen en inspirerend, andere zijn meer gedegen en soms zelfs veeleisend voor de lezer. Tegenover de aantrekkelijkheid van de gnostische visie - dat 'verlossing' niet aan ons inzicht voorbijgaat maar ook dat doet groeien, sterker nog: dat als belangrijkste voertuig gebruikt - staat het risico van het zich verliezen in de verbeelding. Een risico dat aan veel esoterische stromingen - en auteurs - niet is voorbijgegaan, die de inwijding als per individu unieke ervaringsweg soms wellicht al te zeer vervingen door de kennis van een ingewikkelde mythe, of nog erger door een aan een sekte gebonden leer. Deze tegenstelling is echter niet absoluut (verbeelding heeft een belangrijke functie!); zij verdient het op haar verschillende aspecten en merites grondig verder onderzocht te worden. Wellicht kan vastgesteld worden dat de complexe mythologieën van de gnostische stromingen het best gelezen kunnen worden als weergaven van de spirituele ontwikkelingsprocessen van mensen. Zo kan ik manicheese kosmologie die van Vliet zo buitengewoon interessant voor ons ten toon stelt, het beste plaatsen. Zij hoeven met andere woorden niet objectief waar te zijn (in de zin van een objectieve weergave van de kosmos en zijn geschiedenis) maar vormen een kader waarin wij onze eigen spirituele ontwikkeling kunnen begrijpen, althans plaatsen. Naast filosofie, kunst en letterkunde - en fundamentele wetenschap! -, die we vaak als gescheiden terreinen zien maar natuurlijk allemaal dit aspect behelzen. Misschien dat een criterium ook het bereiken van gewone mensen is - dat lukte Mani en de Katharen in ieder geval redelijk goed, al was dat met complexe gnostische systemen moeilijker dan met meer eenvoudige (lees: gesimplificeerde) versies van bijvoorbeeld het boeddhisme en het christendom. Met alleen (in het bijzonder toegepaste) wetenschappelijke informatie zal de cultuur, en speciaal de religie, het niet redden; daar is verbeelding en een behulpzame mythe en mythologie onmisbaar, natuurlijk zonder dat er een verplichte, los van de ervaring staande en slechts van buiten te leren dogmatiek van gemaakt wordt. Inspiratie enerzijds en wetenschappelijk betrouwbare (historische en andere) informatie anderzijds hoeven en dienen niet met elkaar verward te worden; sterker, idealiter vullen zij elkaar aan. De kunst is het goede evenwicht te vinden, en scherp in het oog te houden op welk vlak men bezig is.
In ieder geval is er op dit moment geen betere en meer actuele Nederlandse inleiding in beide stromingen (voor Mani en het manicheïsme zie nu ook de boven genoemde Nederlandse uitgave van "de biografie van Mani") te vinden dan dit waardevolle Prana-nummer. Uiterst waardevol zijn ook de literatuurverwijzingen, in het bijzonder bij de artikelen van Moerland, Van Oort, Van Schaik en Van Vliet, evenals van Slavenburg. De redactie, in dit geval onder aanvoering van Hans Bienefelt die het voorwoord schreef, verdient lof dat zij deze combinatie van inspirerende en buitengewoon informatieve artikelen in één handzaam nummer bijeengebracht heeft.
4 oktober 2004

Pentagram: Speciale editie ter gelegenheid van de expositie 'De Roep van het Rozenkruis: Vier eeuwen levende traditie: 11 december 1998 - 19 februari 1999 in de Koninklijke Bibliotheek, Den Haag', Lectorium Rosicrucianum, Haarlem (Rozekruis Pers) December 1998, 48 pp.

Goed geschreven artikelen met de actuele denkbeelden van de Internationale School van het Gouden Rozenkruis, die een brug wil zijn met de goddelijke wereld voor allen die deze zoeken, en daarbij de soms op het eerste gezicht onbegrijpelijke maar diepgaand inzicht bevattende tradities gebruiken van scholen die hen voorgingen als de gnostiek en de hermetica, die ik als grote schatten beschouw. Soms spreken deze denkbeelden mij buitengewoon aan, speciaal waar zij appelleren aan het diepe heimwee naar het 'verloren land' waar we vandaan komen en waar alles nog helemaal goed was. Of waar zij laten zien dat alle tweedelingen waarin ons verstand de werkelijkheid opdeelt, niet dezelfde draagkracht hebben als de diepste eenheid die ons fundament is. Naast kennis van de genoemde grote schatten is ook de kennis van en het omgaan met innerlijke veranderingsprocessen - de kennis van de menselijke psyche in al haar diepgang - in deze school buitengewoon goed ontwikkeld, is mijn indruk. Hoe dat is met betrekking tot meer uiterlijke veranderingsprocessen weet ik niet goed, ik kan het niet uit deze teksten afleiden, maar in de traditie van deze scholen is altijd grote aandacht geweest voor geneeskunde en voor het evenwicht in de maatschappij en in allerlei natuurkundige en kosmische processen. Er is ongetwijfeld een spanning tussen het innerlijke en het uiterlijke in de zin dat het laatste het eerste dient uit te drukken en niet te overheersen; maar waar komt dat in de praktijk op neer?

Soms is de taal mij te eigenaardig, waardoor mij niet duidelijk wordt wat nu precies gezegd wordt. Vaak heb ik de indruk dat een ingewikkelde leer wordt overgedragen terwijl het toch in de eerste plaats om een afstemming van onze geest gaat op een andere werkelijkheid, namelijk de meest fundamentele. De onduidelijkheid wint het dan van het appél. Het gaat hier om teksten voor een algemeen publiek, en zelfs dan valt de eigen aard sterk op. De vraag is dus waar die eigen aard voor staat? Misschien heeft het - dat denk ik zelf - te maken met de kwaliteiten die in deze school goed ontwikkeld zijn, en die hierdoor verwoord worden? Of heeft het te maken met het feit dat velen deze tradities niet zullen kunnen begrijpen omdat ze nog niet toe zijn aan een diepgaande transformatie of aan het dragen van een complex en subtiel inzicht? Een feit is dat deze tradities en hun kennis door de moderne wetenschap lange tijd zijn afgewezen, hoezeer ook - maar dit is een gecompliceerde zaak die niet in kort bestek samen te vatten valt - binnen deze tradities gestreefd is naar een brug of sterker naar een integratie met de moderne wetenschap.
Als het om duidelijkheid gaat geldt mijns inziens niettemin: wat (nog) niet gezegd kan worden hoeft mijns inziens niet gezegd te worden. En wat (op een bepaald moment in een bepaalde context) wel gezegd kan worden kan duidelijk gezegd worden, lijkt me, tenzij de strategie een gevarieerder lezerspubliek veronderstelt dan een vaag 'algemeen' publiek, en eigenlijk alleen op een variëteit aan potentiële individuele lezers mikt. Toch ben ik onder de indruk: er schuilt een zekere bewogenheid, zeggingskracht en aantrekkingskracht in deze teksten. En zeker ook veel kennis van de geestelijke stromingen uit onze geschiedenis en van de geestelijke kwaliteiten van onze eigen tijd. En zij zijn beslist boeiend geschreven, zeker voor een traditie die bekend staat om haar op het eerste gezicht vaak eigenaardige taal.
Er is ter gelegenheid van dezelfde tentoonstelling die de aanleiding voor deze publicatie vormde, een prachtig historisch overzicht van de Rozenkruisers-geschiedenis verschenen:
De roep van het Rozenkruis, een informatief, helder, beknopt en in sommige opzichten inspirerend boekje.
6 november 2004

Lewis Carroll, De avonturen van Alice in Wonderland, Uit het Engels vertaald door Nicolaas Matsier, Met illustraties van Sir John Tenniel, Amsterdam (Van Goor) 2000 - 2e druk, 125 pp.

Boeiende, geheimzinnige sfeer. Onder de schijn aan de oppervlakte broedt heel wat ongein. Pregnante types, gebeurtenissen en plaatjes zodat het tot de verbeelding spreekt. Kennelijk van velen, ook en vooral kinderen. Taal- ofwel logica-grapjes die net als de herkenbare types afleiden van en vormgeven aan wat onder de oppervlakte suddert. Klassieker - maar dat brengt het risico mee dat we denken dat verbeelding altijd deze vormen aan zou moeten nemen. Wat natuurlijk niet hoeft.
16 oktober 2004

Gao Xingjian, Berg van de Ziel: Roman, Uit het Chinees vertaald door Anne Sytske Keijser, Amsterdam (Meulenhoff) 2002, 556pp.

Deze grote roman van de Nobelprijswinnaar is een unieke en indrukwekkende leeservaring. Er zit veel meer in dan je na kunt vertellen. Alleen al de melancholie, de liefde, de politieke en maatschappelijke treurnis van het post-Mao tijdperk, en de voortdurende verwijzingen naar de schatten van de geschiedenis en de cultuur van China, vooral de taoïstische, zijn onvergetelijk, net als de natuurbeschrijvingen. Hoe dit boek over 100 jaar gewaardeerd zal worden weet ik niet, maar waardevol is het. Onder andere vanwege de onder de oppervlakte liggende kracht en humor. En dan gaat het ook nog over het 'schrijven' zelf (zie hoofdstuk 72). Een begenadigde man, deze auteur, om mee kennis te maken - en met zijn landgenoten en hun geschiedenis.
16 oktober 2004


Retour naar overzichtspagina gelezen teksten


Google
"To Serve Divine Wisdom, in Full Awareness of Death and Life
Waiting for Her unmistakable Signs,
Tapping from and Revering the Source of True Healing, the Kingdom of Complete Eternity
Manifesting Always through All Polarities and Changes Here and Now" (Kalliopeia)

Ieder apart wezen compleet en diep één met zijn eeuwige grond, verbonden in één gewaar-zijn


URL: http://www.bk-books.eu/lezen11.html
Version 4 = latest revision of 16 October 2004 (Version 1: 23 August 2004)
© 2004 Boudewijn Koole; copying admitted
in case acknowledgement is provided (at least reference to site: www.bk-books.eu and with link to url (unique resource location or web-address) of the text copied or referred to; if wished so with your valuation)