Lezen (of juist niet) 12!


Deze pagina bevat een lijst van sinds 2004 gelezen teksten met commentaar.

Retour naar overzichtspagina gelezen teksten

Gelezen - sinds 2004 - d

Read - since 2004d






P. Coelho, De alchemist, Vertaald door Harrie Leemens, Amsterdam-Antwerpen (De Arbeiderspers) 1998-10e druk, 140 pp.

Santiago, een Spaanse herdersjongen, gaat op zoek naar zijn verborgen schat. Een parabel over de individuele zoektocht van ieder mens, met als een van de lessen: “Volg je hart en de wereld zal je helpen. En zolang je niet weet hoe, zet je blijmoedig in voor wat bij jou past - zij het op manieren en langs wegen die je totaal niet verwacht en ondanks grote tegenslagen die je rijp maken voor het waard zijn van en hanteren van je schat. Onderdeel daarvan is dat je heel goed de weg moet leren vinden in het vak en de omgeving waar je tijdelijk vertoeft; als dat lukt, is het een goed teken. Alles is één, en de weg krijgt glans door de nog verborgen schat - niet door de oordelen die wij los daarvan vellen”.
Een kritiek die ik eerstdaags op dit boek las, was dat het maar een verhaaltje is, dat alleen werkt als je er in gelooft, net als bij “De Celestijnse belofte” met zoveel stappen naar het geluk. Zeker: meer dan verhaaltjes hebben we niet; dat geldt trouwens ook voor deze kritiek. Dus één van de belangrijke vooronderstellingen van dit boek is dat we niet alleen met de wereld van de meetbare feiten en de concrete veranderingen te maken hebben maar ook met onze houding in het omgaan ermee, en dat die even belangrijk is zo niet belangrijker. En onze houding hangt samen met ons perspectief en met de 'verhalen' die wij ons zelf voorhouden, bewust of niet, kritisch of niet. Daarom kunnen dit soort boeken toch van (groot) belang zijn.
Ik kan niet nalaten te noteren wat ik bij herlezing aan impliciete opvattingen en aanwijzingen in dit boek vond. Daarmee doe ik geen recht aan het verhaal en de compositie van het boek. Om met Nobelprijswinnaar Kenzaburo Oë te spreken: “Paulo Coelho kent het geheim van de literaire alchemie.” De kritiek dat het alleen maar literaire alchemie is, is mijns inziens niet helemaal terecht, zoals ik hierboven schreef. Al is het lezen van dit boek nog niet het vinden van onze eigen schat, dat zullen we allemaal zelf moeten doen. De critici inbegrepen.
Ik noteerde de volgende opvattingen en aanwijzingen die natuurlijk het prachtige verhaal zelf niet kunnen vervangen! Soms heb ik er een paginanummer bijgezet.
Een andere kritiek op dit soort wijze teksten is die op Lao Tse in het volgende gedicht:

Lao Tse

'Die het weten spreken niet,
Die spreken weten het niet.'
Deze woorden, werd mij verhaald,
Zijn door Lao Tse uit de stilte vertaald.
Hoe weten wij dat hij wist?
Twaalf boeken schreef de wijze.
Heeft hij zich dus vergist,
Die ons het pad zou wijzen?

(Po Tsju I)

J.J. Slauerhoff

Alleen met woorden of verhalen kun je de werkelijkheid niet vangen, zou ik concluderen (dus ook niet met deze zin van mij). Maar dat neemt niet weg dat Lao Tse zich mijns inziens niet vergiste. Er is dus een samenhang tussen de werkelijkheid van de woorden en de werkelijkheid los van de woorden - al kennen we die laatste niet in de gangbare zin want kennen in die normale betekenis veronderstelt in begrippen vangen. En die samenhang - vergelijk hierboven 'Wat je zoekt is al te vinden in je uitgangspunt' - brengt gewone kennis die we verzamelen tijdens onze tocht, en onze tocht zelf, in één verband met wat we noemen '(voor) het begin en (na) het eind' van onze tocht, met de hele werkelijkheid die 'één' is, met 'alles' of de 'eeuwigheid' of 'het boek waarin alles is geschreven is' en met de 'tekens die we daarvan krijgen'; de taal zonder woorden. Gewone kennis is met die bijzondere 'kennis' niet in tegenspraak. De conclusie dat Lao Tse zich vergiste, is alleen juist als we volhouden dat alleen logische kennis - de 'gewone' - voldoende is om de hele werkelijkheid te verstaan en onze weg te vinden. Zeker, logische gewone kennis is niet verkeerd en altijd nodig, maar niet per definitie volledig. Gewone kennis is gebonden aan de omstandigheden waarbinnen zij geldt. Die andere 'kennis' (die de gewone kennis kan omvatten en in gewone kennis besloten kan liggen, mits deze opgevat wordt als betrekking hebbend op een ruimere context dan gewone kennis per definitie heeft) wijst naar het geheel, ook naar wat voor het begin en na het einde is. Naar wat niet in woorden van gewone kennis te zeggen is als we die alleen als gewone kennis gebruiken. Maar dat ons wel begeleidt, altijd, op onze tocht, en dat we even hard nodig hebben, omdat het onze kern raakt.
Vanwege de aandacht die in dit boek gegeven wordt aan 'de samenhang van alles' zowel als aan de wijze hoe wij daar mee om kunnen gaan of liever welke rol wij daarin kunnen spelen, is het erg interessant een vergelijking te maken met onderstaand boekje van Thich Nhat Hanh, De zon in je hart.
16 oktober 2004

Thich Nhat Hanh, De zon in je hart, Amsterdam (Karnak) 1988, 174 pp.

[Deze bespreking maakt onderdeel uit van een groter overzicht van publicaties van dezelfde auteur, met onderlinge vergelijking. Zie de inleiding daarop!] Dit boek is zo kernachtig en maakt op mij zo'n indruk dat ik er grote delen van zou willen citeren. Een van de hoofdthema's van het boek is de verwevenheid van alles met alles, sterker nog het voortdurende uit-elkaar-voortkomen en in-elkaar-opgaan van alles, letterlijk en figuurlijk. Wie dit tot zich laat doordringen komt tot de verbazingwekkende conclusie dat hier en nu alles er altijd is, en dat niets speciaals bereikt hoeft te worden. Er hoeft geen angst te zijn om ons zelf te verliezen want 'we' zijn alles en zullen dat altijd blijven. Zo bereiken we een 'vrede die alle verstand te boven gaat', van waaruit we ons natuurlijk verbonden voelen met alles, zowel met de genietende als met de lijdende wezens, en ons gaan inzetten voor de laatste, zonder onze verbondenheid met alles ook maar een moment te verliezen.
“Mijn vriend vroeg me hoe we het resultaat van meditatie kunnen zien en ik vertelde hem dat vrede en geluk de graadmeters zijn. … Dit geluk komt op de eerste plaats voort uit het feit dat je meester bent over jezelf en niet meer verstrikt raakt in onachtzaamheid. Als je je adem volgt en jezelf een glimlach gunt, bewust van je gevoelens en je gedachten, zullen de bewegingen van je lichaam op natuurlijke wijze vloeiender en meer ontspannen worden; er zal harmonie zijn en je zult je werkelijk gelukkig voelen.”(146-148) De auteur heeft zelf die ervaring talloze malen ondervonden, juist in de meest moeilijke omstandigheden. Bijvoorbeeld toen hij een keer gearresteerd was in Singapore omdat hij een internationaal project had georganiseerd om volstrekt hulpeloze bootvluchtelingen te helpen die Vietnam hadden moeten ontvluchten. Zijn arrestatie maakte de toch al problematische situatie - de gehuurde grote schepen hadden midden op zee behoefte aan directe noodhulp - alleen maar hachelijker. “In die situatie besloot ik dat ik het meditatieonderwerp 'Als je vrede wilt, is onmiddellijk vrede met je' moest oefenen. … Het succes kwam, toen ik het probleem direct in het gezicht keek. Ik zwoer dat als ik dat ogenblik geen vrede kon hebben, ik nooit in staat zou zijn vrede te hebben. … Door het oefenen [hiervan] kon ik vele problemen oplossen, de één na de ander, als dat ook echt nodig was.” “Als je niet in dit ogenblik in vrede leeft, zul je er nooit toe in staat zijn. … Anders is er alleen maar 'de hoop op vrede'.” “Vrede komt niet alleen na vele lange dagen van oefening. Het belangrijkste is je wens, je vastbeslotenheid. Als je vastbeslotenheid sterk is, zal het effect de oorzaak sneller volgen dan een bliksemschicht. …” “Onze kracht ligt in onze vrede, in de vrede in ons.” “Vrede en mededogen gaan hand in hand met inzicht en geen onderscheid maken. … Een mededogend iemand ziet zichzelf in ieder wezen. … Onze wereld heeft geen tekort aan mensen die bereid zijn zich in actie te storten. Wat we nodig hebben, zijn mensen met het vermogen lief te hebben, geen partij te kiezen, zodat ze de hele werkelijkheid kunnen omarmen als een moeder kip die al haar kuikens omarmt met twee volledig uitgespreide vleugels. De oefening van meditatie over het onderling afhankelijk ontstaan is één manier om tot deze verwezenlijking te komen.” “De meeste mensen beschouwen zich als golven, maar vergeten dat ze ook water zijn. … Een golf leeft ook het leven van water en wij leven ook het leven van niet-geboorte-niet-dood. We hoeven alleen maar te weten dat we het leven leven van niet-geboorte-niet-dood. Alles ligt in het woord 'weten'. Weten is verwezenlijken. Verwezenlijking is bewuste aandacht. Al het werk van meditatie heeft ontwaken tot doel, teneinde maar één ding te weten: geboorte en dood kan ons op geen enkele manier raken.” (157-167)
Ook al zouden we in de woorden en de boodschap van de auteur bepaalde aspecten van zijn culturele achtergrond en zijn persoonlijke ervaring herkennen, dan nog wil dat niet zeggen dat er geen universele waarheid in schuilt. Voor mij staat die universele waarde van zijn woorden vast, zelfs in de zin dat zij herkenbaar en geldig blijft ook al zal de verwoording mee veranderen met de tijd, de cultuur, de personen. Ooit zal een nieuwe Thich Nhat Hanh - vrouw of man, of welke boodschapper van het ontwaken dan ook - opstaan met woorden voor die nieuwe tijd en omstandigheden. Deze auteur is trouwens voortdurend in gesprek met heel de boeddhistische traditie, evenals met de moderne westerse cultuur en haar bronnen. En zoekt daarin voortdurend naar universele inzichten en aanwijzingen om te leven. Het enige dat wezenlijk telt is: bent u wakker? Bent u ontwaakt? Staat u met al uw zintuigen en heel uw lichaam en ziel open en in verbinding met de wereld, met de hele werkelijkheid? Als u daar geen behoefte aan hebt of als u daarin gevorderd bent heeft u dit boek niet nodig en mijn commentaar al helemaal niet.
Thich Nhat Hanh's boeken lijken vaak over alles tegelijk te gaan - dat komt doordat vanuit verschillende perspectieven hetzelfde 'ontwaken' behandeld wordt. Dat geldt ook wel voor dit boek. Zelf wijst hij in dit boek zijn eerdere boekjes Het gras wordt groener en Adem is bewustzijn aan als basisboekjes waar het meest fundamentele in staat. Het accent ligt in dit boekje iets meer op de eenheid van alle tegengestelde begrippen, en het vinden van de eenheid erin. Evenals op de samenhang van westerse fundamentele wetenschap en oude boeddhistische inzichten. Je zou dit boekje iets meer dan sommige andere een samenvatting van de kern van boeddhistische filosofie kunnen noemen, maar dan inclusief de betrekkelijkheid van 'fundamentele' begrippen. Maar ook zo is het niet minder helder en volstrekt in dienst van het ontwaken van … (vult u maar in).

Het eerder vermelde citaat is uit het buitengewoon toegankelijke en heldere, zelfs stralende laatste hoofdstuk, geschreven vanuit een stralend weten. Daar gaan vier hoofdstukjes aan vooraf. Op iets meer thematische en beschouwende - wat beslist niet wil zeggen ontoegankelijke en onpraktische - wijze behandelen zij het thema van de verbondenheid van alle verschijnselen en wat die verbondenheid voor ons bewustzijn en dus ons leven kan betekenen. Het eerste hoofdstuk cirkelt om aandacht en meditatie. “Meditatie laat de zon van bewust aandacht gemakkelijk opkomen, waardoor we helderder zien. Als we mediteren, lijkt het alsof we twee zelven hebben. Het éne is de stromende rivier van gedachten en gevoelens en het andere is de zon van bewuste aandacht die er op schijnt. Welke is ons eigen zelf? Welke is het ware? Welke het valse? Welke is goed? Welke slecht? Kom alsjeblieft tot rust, mijn vriend. Leg je scherpe zwaard van het denken in begrippen neer. Snijd je 'zelf' niet zo haastig in tweeën. Beide zijn zelf. Geen van beide is waar. Geen van beide is vals. Ze zijn beide waar en beide vals.” (20) “Ik pas 'geweldloosheid' toe op mijn lichaam, want het is niet louter een middel om de Weg te beoefenen, het is zelf de Weg.” (35) Tussen de bedrijven door legt Thich Nhat Hanh in het hele boek koans (raadselspreuken of verhaaltjes om het verstand te misleiden en stil te zetten, niet buiten zijn grenzen te laten treden) uit en maakt ook de nodige opmerkingen over het gebruik ervan en hoe je verkeerd gebruik ervan kunt vermijden, net als vele andere aspecten van meditatie of oefenen van aandachtig bewustzijn.
Het tweede hoofdstuk cirkelt om inzicht. “Onder invloed van bewuste aandacht word je meer attent, begrijpend en liefhebbend, terwijl je aanwezigheid niet alleen jezelf goed doet en aardiger maakt, maar ook de anderen. Onze hele samenleving kan worden veranderd door de vreedzame aanwezigheid van één persoon. Onze geest schept alles. De majestueuze bergtop, die schittert van de sneeuw, ben je zelf, als je hem aandachtig bekijkt.” (58) Als je tenminste door krijgt dat 'ons' en 'geest' niet los staan van de buitenwereld maar vanuit dezelfde grond opbloeien als de laatste, en dat alles één is, met elkaar verbonden en dat alle verschijnselen in elkaar overgaan zonder vaste identiteit (dus er is ook geen definitief onderscheid tussen de genoemde grond en wat er uit opbloeit, 62). Natuurlijk wel met een (heel) tijdelijke identiteit. “Inzicht is geen opstapeling van kennis. Integendeel, het is het resultaat van het gevecht vrij te worden van kennis. Inzicht verplettert oude kennis en maakt ruimte voor nieuwe, die beter past bij de realiteit. … Het is direct en onmiddellijk ergens in doordringen. In het gebied van sentiment is inzicht het gevoel. In het gebied van verstand is het waarneming. Het is eerder intuïtie dan het hoogtepunt van redeneren. Zo nu en dan is het in ons aanwezig en we merken dat we het niet in woorden, gedachten of begrippen kunnen uitdrukken. Onze situatie is op zulke momenten 'niet te beschrijven'.” (69-71). “In het dagelijkse leven zijn we opgegroeid met een wijze van denken en ons uitdrukken, die gebaseerd is op de idee dat alles onafhankelijk is van al het andere. Deze manier van denken en spreken maakt het moeilijk door te dringen tot de niet-dualistische, niet-discriminerende werkelijkheid, een werkelijkheid die niet in begrippen gevat kan worden.” (75) “We moeten 'weten' niet beschouwen als iets dat van buiten komt om leven te blazen in het universum. Het is het leven van het universum zelf.” (80) “Ik hoop dat je mijn woorden niet gaat omvormen in begrippen, nieuwe begrippen, die in je kunnen worden opgeslagen. … Denk alsjeblieft helemaal niet aan éénworden met het kind, de boom of de thee. Er is helemaal geen reden om iets te denken. Proef jezelf met het kind, proef jezelf met de boom, proef jezelf met de thee, terwijl een glimlach op je lippen bloeit.” (81)
Het derde hoofdstuk gaat wat dieper in op de betekenis van het verweven zijn van alle verschijnselen en vooral op de beperktheid van begrippen waarmee we die verwevenheid proberen te 'vatten' in voor ons hapklare tegenstellingen - zodat we de verschijnselen van elkaar onafhankelijk denken te kunnen maken. Die onderscheidingen brengen we echter zelf aan met ons denken; in werkelijkheid stroomt alles in elkaar over, kan niets zonder het andere bestaan. “We weten dat als ons hart ophoudt te kloppen, de stroom van ons leven zal stoppen, dus is ons hart ons zeer dierbaar. Toch nemen we niet zo vaak de tijd op te merken dat er anderen dingen buiten ons lichaam zijn, die ook essentieel zijn voor ons overleven. Kijk naar dat onmetelijke licht dat we zon noemen. Als dat ophoudt te schijnen, zal de stroom van ons leven ook stoppen, dus is de zon ons tweede hart, ons hart buiten ons lichaam. …” (88) Aan deze beeldspraak is de titel van het boekje ontleend, met in het Nederlands meer associaties dan in het Engels (The sun my heart) - maar op het eerste gezicht ook minder. “Meditatie is geen imitatie maar creatie. …Een goede zenbeoefenaar oefent de hele dag door meditatie … De idee dat je je ogen dicht moet doen om naar binnen te kijken en openen om naar buiten te kijken, moet je terzijde schuiven. Een gedachte is evenmin een innerlijk object als een berg een uiterlijk object. Beide zijn gekende objecten. Geen van beide is binnen of buiten. Wanneer je volkomen aanwezig bent en in diepe eenheid met de levende werkelijkheid, raak je zeer geconcentreerd. … je doordringt met gemak de levende werkelijkheid - je bent er één mee omdat je alle gereedschappen waarmee je kennis kunt meten, opzij hebt geschoven …” “Door de samenhang tussen alle verschijnselen te belichten, gaat de mediterende inzien dat de levens van alle wezens één zijn, en hij of zij zal overvloeien van mededogen met allen. Wanneer je deze liefde bespeurt, weet je dat je meditatie vruchten afwerpt. Inzicht en liefde gaan altijd samen. … Oppervlakkig inzicht gaat samen met oppervlakkig mededogen. Groot inzicht gaat samen met groot mededogen.” (93-96) Vergelijk het ontzag dat grote natuurkundigen en filosofen ontwikkelden voor de werkelijkheid toen zij steeds weer nieuwe fundamentele samenhangen ontdekten: tussen tijd en ruimte, tussen golf en deeltjes, tussen verleden, heden en toekomst, enzovoort.
Het vierde hoofdstuk werkt vooral de overeenkomst tussen deze laatste door moderne westerse wetenschappers ontdekte samenhangen en oude visies binnen het boeddhisme uit. Zo is er binnen het laatste een denkbeeld van de wederzijdse oorsprong (paratantra) dat 'heel dichtbij de levende werkelijkheid [ligt]. Het vernietigt de dualistische begrippen één/veel, binnen/buiten, tijd/ruimte, geest/materie, enzovoort, die de geest gebruikt om de werkelijkheid te begrenzen, in te delen en te vormen.” (116) Elk begrip omvat zijn tegendeel, want kan niet zonder dat gedefinieerd worden. Het 'is' zijn tegendeel! Zijn bestaat niet zonder worden. De waarnemer beïnvloedt zijn object - en vice versa - fundamenteel. De beroemde fysicus Oppenheimer bevestigt dat de moderne wetenschappers door hun ontdekkingen de 2500 jaar oude inzichten van Boeddha - over de totale werkelijkheid die altijd samengebald is in de verschijnselen hier en nu - nu pas begrijpen. Ieder verschijnsel omvat alle andere. Wij hoeven de wereld van het zo-zijn niet meer te bereiken want wij zijn deze wereld al, ieder moment, in ons deel uitmaken van de werkelijkheid op onze eigen manier, gewoon zoals we al zijn, ieder moment opnieuw. De toekomst is nu (ook al zal zij 'in de toekomst' anders zijn).
De uitgever noemt dit boekje briljant en ik kan het maar moeilijk met hem oneens zijn, of het moest zijn dat ik nog sterkere woorden zou vinden. Meesterlijk is het zeker. De auteur noemt zichzelf alleen maar een bij die danst om de andere bijen te vertellen waar honing gevonden kan worden. Neem en lees - en vooral oefen iedere seconde in het toelaten van de vrede die er al is en die overal de voorwaarde van is en die ons met alles één maakt, door geboorte en dood heen en midden in alle tegenstellingen die we kunnen nemen zoals ze zijn, en tegelijk los kunnen laten. Want we veranderen waar we bijstaan. Wie of wat dansen er precies? De bij alleen? De honing alleen? Alle bijen? Het hele nest? Alle bloemen? De hele werkelijkheid? De vertellers? De kijkers en luisteraars? De wind? De grond? Wat gaat? Wat komt?
Dit boekje heeft - zonder onwetenschappelijk te zijn - iets van de aloude alchemie: alles verandert, zowel op het gebied van de geest als dat van de stof, en wij spelen er een cruciale rol in waarvan wij ons bewuster kunnen worden, zodat wij die rol des te beter spelen. Dan vinden we het goud der wijzen.
Uitermate aanbevolen.
Voor de andere boeken van deze gezamenlijke bespreking: volg de link.
17 oktober 2004

Jacob Slavenburg / Willem Glaudemans, De Nag Hammadi-geschriften: Een integrale vertaling van alle teksten uit de Nag Hammadi Codices en de Berlijnse Codex: volledig herziene en geactualiseerde editie, Deventer (Ankh-Hermes) 2004, [met uitvoerige inleidingen, noten, overzichten, bibliografie en registers,] 1201 pp.

Deze bespreking bestaat uit een overzicht van eigenschappen van de nieuwe editie, gevolgd door een bespreking van enkele punten die mij specifiek interesseren, hetzij persoonlijk hetzij wetenschappelijk. Dat ligt deels in het verlengde van zaken die ik heb eerder heb
gelezen of geschreven zowel heel specifiek over bepaalde Nag Hammadi-geschriften als over een brede context. In deze bespreking heb ik een aantal terloopse vragen en enkele notities die vragen overbodig kunnen maken, onderstreept.

1. Deze editie.
Met recht kan deze eendelige uitgave, tien jaar na de al zeer succesvolle tweedelige editie (5 drukken voor het eerste en 2 drukken voor het tweede deel), monumentaal worden genoemd. Aan de uitvoering ontbreekt niets. De 1201 dundrukpagina's zijn een lust om in de hand te houden. Twee leeslinten vergemakkelijken het synchroon lezen van tekst en noten.
Het is zonder meer duidelijk dat de vertalers hebben gezorgd voor een uitermate leesbare vertaling die gemeten naar de huidige stand van het wetenschappelijk onderzoek erg bij de tijd en betrouwbaar genoemd mag worden (zie ook onder). De samenwerking van deze taalkundige en deze cultuurhistoricus heeft tot een unieke kwaliteit geleid. Want ook zijn veel tekstpassages poëtisch gezet. Er is duidelijk heel goed geluisterd naar de teksten, zowel inhoudelijk als qua toon en structuur. In deze heruitgave zijn alle vertalingen en toelichtingen herzien en geactualiseerd. De vertalers hebben de wetenschappelijke waarde verhoogd door redactionele toevoegingen opnieuw te overwegen en het aantal te reduceren. Van de werkelijk enorme hoeveelheid werk die zij bij beide edities verzet hebben, kan alleen gezegd worden dat zij een buitengewoon grote prestatie verricht hebben. Wat een discipline moeten zij opgebracht hebben! Het lijkt mij overigens de moeite waard om in het gebruik de verschillen met de vorige editie te blijven nagaan. Gooi de vorige editie dus nog niet weg! Er zit misschien nog aanleiding voor u in om tot eigen overwegingen te komen, in gesprek met de vertalers en hun oude en eigen nieuwe keuzes.
De wetenschappelijke kwaliteit van deze uitgave kan op dit moment moeilijk overschat worden. Er is de laatste decennia veel meer bekend geworden over de geschriften van Nag Hammadi en hun historische 'omgeving' maar dat alleen dank zij een intensieve bestudering van talrijke bronnen en veel parallellen uit vele verschillende talen en culturen. Toen de eerste complete Nederlandse vertaling tien jaar geleden verscheen was het zo dat maar heel weinigen dit uitgebreide terrein konden overzien. Bovendien betrof het een materie die tot vele discussies aanleiding gaf omdat vooroordelen bestonden over de betekenis en waarde ervan. Zoals uit zijn erudiete en leesbare publicaties in de voorbije jaren duidelijk is gebleken, is Jacob Slavenburg in navolging van de Utrechtse hoogleraren Gilles Quispel en zijn leerling en medewerker Roel van den Broek degene die zich tot een man met veel overzicht ontwikkeld heeft. Hij weet bestaande vooroordelen ontmaskeren en veel bij te dragen tot het scheppen en populariseren van een nieuw beeld van het ontstaan van het esoterische christendom en van de verschillende vormen van gnostiek en hermetisme vanuit hun wortels in vele oudere Joodse, Egyptische, Griekse en andere tradities. Dat komt ongetwijfeld omdat Jacob Slavenburg zich nauw met de gnosis verwant weet. Zo kunnen we zien dat hermetisme en gnosis levende, gepraktiseerde godsdiensten zijn geweest, en niet alleen een papieren religie voor mensen die zich het (tijdrovende) lezen en schrijven van (tamelijk dure) teksten konden veroorloven zoals een zeer geleerde onderzoeker dacht (zie hiervoor Slavenburgs hieronder te noemen lezing). Er zal de komende jaren ongetwijfeld nog meer inzicht groeien over bepaalde samenhangen of de betekenis van bepaalde details. Maar we kunnen er op vertrouwen dat deze vertaling 'bij' is. De bibliografie is indrukwekkend en bevat naast de meest uitgebreide verzameling wetenschappelijke interessant genoeg ook enkele niet-wetenschappelijke publicaties waaruit we wellicht iets kunnen afleiden waar de vertalers verbanden zien. Over die verbanden hoop ik de komende tijd nog meer van hen te lezen!
Door de (heldere) algemene inleiding - voor een iets uitgebreidere handleiding zie ook Slavenburgs handzame boekje Een sleutel tot gnosis en zijn prachtige overzicht van de opvattingen en stromingen onder christenen in de eerste eeuwen De oerknal van het christendom - en de inleidingen bij de afzonderlijke geschriften (waarbij de gebruikte vertalingen opgesomd worden en een verantwoording van hun gebruik wordt verschaft), evenals de noten bij bepaalde passages, krijgen we alle informatie die nodig is om de tekst op haar waarde te kunnen schatten. Door de overzichten van sorteringen van de geschriften naar traditie van herkomst, naar thematiek en naar vorm, en door de werkelijk buitengewoon waardevolle en volledige registers - van de hand van Henk J. Spierenburg - op zaken en namen, wordt het de lezer via vergelijking van passages met dezelfde sleutelwoorden mogelijk zelf een beeld te ontwikkelen van verschillende samenhangen en van de diverse tradities met hun kenmerkende voorstellingen. Door deze overzichten zijn er meer ingangen dan in de vorige editie om verbanden te zoeken, terwijl de teksten toch gewoon de volgorde van de oorspronkelijke codices aanhouden. De registers en noten bevatten niet alle tekstparallellen die wetenschappelijk relevant zouden kunnen zijn. Dat is net als bij de geschriften die in het Nieuwe Testament terecht gekomen zijn, niet doenlijk in een gewone uitgave. De meeste belangrijke parallellen zijn echter in deze uitgave ongetwijfeld te vinden en voor de rest kunnen we de komende jaren ongetwijfeld nog rekenen op de nodige wetenschappelijke en populariserende publicaties. Daarbij zal deze uitgave een onmisbaar naslagwerk blijken dat altijd binnen handbereik ligt.
Voor alles wat ik hier zeg, geldt: zo ver ik gezien heb, en dat is behalve de algemene inleiding globaal geweest. Het is mij niet mogelijk de verschillen in de vertaling punt voor punt te vergelijken met die van de vorige editie. Ik vertrouw erop dat de kwaliteit niet minder is geworden vergeleken met de vorige editie en dat in de komende jaren betreffende ieder detailverschil vanzelf aan de orde komt of het een verbetering is of niet. Zo werkt dat bij belangrijke vertalingen van belangrijke oude teksten, zeker als ze omvangrijk zijn. Ik baseer mij voor dat vertrouwen niet het minst op de kwaliteit van de genoemde werken van Jacob Slavenburg. Ik waardeer de open aanpak van de vertalers, die zij al bij de vorige editie in praktijk brachten. Om een voorbeeld te geven: bij het Evangelie van Philippus (waaruit ik aan het eind van deze bespreking citeer) bieden de vertalers hun eigen indeling in perikopen maar geven dat ook duidelijk aan en merken dan op: "Iedere indeling is discutabel, ook de onze." (313) Dat lijkt mij uiterst waardevol; zo kan er discussie op gang komen. Bij deze bespreking richt ik mij dus minder op de specialismen van de vertalers. Ik maak er vooral een dankbaar gebruik van, en zie nog geen aanleiding mijn grote waardering en respect daarvoor te verminderen.
Ook heb ik er geen behoefte aan de discussie over te doen over de erkenning van de onbetwistbaar voorname rol van de gnostiek en de Hermetica in de geschiedenis van het Westen, zowel binnen als buiten de instituten van de drie monotheïstische godsdiensten. Die fase begint - althans waar het de erkenning van het wetenschappelijke belang van de Nag Hammadigeschriften betreft - gelukkig achter ons te raken. Waarbij we wel mogen vermelden dat wij ons gelukkig mogen prijzen in ons land de grote geleerde Gilles Quispel te hebben, (ook) mijn promotor, die onder andere hiervan onvermoeibaar zijn levenswerk gemaakt heeft (zijn dissertatie verdedigde hij in 1943, zijn tot nu toe laatste publicatie, de hieronder genoemde commentaar op het Evangelie van Thomas, is gedateerd 2004!). Zijn bijdrage is moeilijk in woorden uit te drukken, en het zou de moeite waard zijn wanneer iemand eens al zijn publicaties op een rijtje zou zetten zodat nieuwe studenten van de schatten die er in verborgen liggen, een beter gebruik kunnen maken. (Terzijde: Zou een register van plaatsen en namen in zijn publicaties niet belangrijke invalshoeken bieden? Niet omdat iedere verwijzing bij voorbaat uniek is maar omdat deze geleerde met zijn sterke intuïtie en ijzeren geheugen zoveel meer zag dan vele anderen dat het heel wel mogelijk is dat nog niet alles wat hij zag voldoende verwerkt is. In het verleden was dat zeker niet het geval. Een projectsuggestie voor de Utrechtse faculteit waar hij werkte?) Ook het werk dat aan deze vertaling ten grondslag ligt, staat mee op de schouders van zijn werk. Daarnaast noem ik de bijzondere uitgeefprestatie van Ankh-Hermes dat zij dit grote project meer dan tien jaar geleden heeft aangedurfd, met een flink uitgeefrisico. De vruchten blijken nu tot grote rijping te komen, zoals gezegd zijn wij in een nieuwe fase beland van de erkenning en het gebruik van deze geschriften. Ik wens deze uitgave opnieuw veel succes. De vertalers hebben deze nieuwe editie zelf heel helder toegelicht in Ankh-Hermes Boekenkrant Nr. 32 (pp. 2v.) waaraan ik hierboven ook een aantal aanwijzingen ontleend heb.

2. Enkele punten in een bredere context:
a. Nieuwe tekstenvondsten
b. De historische Jezus en zijn beweging
c. De betekenis van deze uitgave
d. De man-vrouw-polariteit - en meer verhuld het non-dualisme - staat centraal in Westerse esoterische traditie
e. Aandacht nodig voor de materiële, sociologische omstandigheden van spirituele bewegingen
f. De samenhang van de materiële en de psychologische aspecten van Westerse spirituele bewegingen

a. Nieuwe tekstenvondsten
Voorlopig is er nog niet een nieuwe tekstenvondst van deze omvang die deze verzameling en de uitgave ervan kan evenaren. Wel zit de uitgave van vele Manicheese geschriften er aan te komen, en ook deze zullen onze visie op het christendom en zijn geschiedenis ingrijpend aanvullen (zie de uitgave Ketters en Katharen). Vele parallellen met de Nag Hammadi-geschriften zullen duidelijk worden. De visie op Jezus als wijsheidsleraar zal sterker naar voren komen. En ook liggen nog vele verwante Arabische geschriften met parallellen met hermetische geschriften - en zeer waarschijnlijk ook met geschriften van Nag Hammadi, kan nu toegevoegd worden - op uitgave te wachten (zie de lezing van H.J. Witteveen in: Valentinus, Inayat Khan en Hermes Trismegistus: Terug naar de Bron 2, p. 21v., onder verwijzing naar een in 1954 geciteerde bron). Ook zijn er veel verwante niet-Westerse geschriften van verwante aard, onder andere boeddhistische, die nog op publicatie en op verdere bekendwording in het Westen wachten om daar hun vruchtbare werking uit te oefenen. Een buitengewoon interessante “tussenvorm” tussen Oost en West wordt gevormd door de Chinese Jezussoetra's uit de zevende tot elfde eeuw, rechtstreeks aan het toenmalige Chinese christendom ontleend! En als het waar is dat geen godsdienst denkbaar is zonder syncretisme, dan is het waardevol te bedenken dat beïnvloeding zowel van West naar Oost (in het geval van deze christelijke Chinese soetra's) als omgekeerd van Oost naar West kan plaats vinden en dat beide ongetwijfeld zowel hebben plaats gevonden als op dit moment plaats vinden - vaak op onverwachte wijzen en plaatsen.

b. De historische Jezus en zijn beweging
Ondertussen blijft de queeste naar de historische Jezus en zijn boodschap intrigerend (zonder dat we hoeven te vervallen in de onnodige behoefte om ons eerst op historische zekerheden te baseren voordat we ons realiseren wat zich nu aan vragen en mogelijkheden aanbiedt en daarin onze weg zoeken en er mee aan het werk gaan). Hoe hebben de verschillende stromingen en opvattingen in het Jodendom in en buiten Palestina zich in de tijd van het hellenisme ontwikkeld? Hoe beïnvloedden Joodse en niet-Joodse stromingen en opvattingen elkaar daarbij? Welke plaats kunnen we daarbij toekennen aan de Essenen, aan Jezus, aan Paulus, aan de diverse groeperingen Joodse - deze zijn te lang onderschat en over het hoofd gezien - en niet-Joodse christenen, aan de Syrische christenen, aan de hermetische en gnostische en later ook aan de katholieke christenen, en aan mogelijke meng- en tussenvormen, ook met niet-Joodse en niet-christelijke groeperingen? Het is zeer waarschijnlijk dat de komende jaren ons beeld nog veel scherper gesteld kan worden, zie bijvoorbeeld de literatuurverwijzingen in Elaine Pagels' nieuwe boek Ketters en rechtgelovigen. Op zijn minst kan gezegd worden dat de noodzaak van een nieuwe beeldvorming ons de laatste decennia bijna blijft overspoelen. Staat de directheid van onze mogelijke verlichting in het Thomasevangelie dichter bij Jezus' oorspronkelijke visie dan de wat ingewikkelder weg via de gnostische voorstellingen van de weg terug? Of mogen we - of dat nu wel het geval is of niet - de gnostische weg toch zien als een verwijzing naar en verwoording van hetzelfde? En wat betekent een en ander voor de praktijk van het leven bij Jezus, bij Thomas en in de gnostische en ook de hermetische geschriften en groepen?

c. De betekenis van deze uitgave
Voorlopig is de betekenis van de voorliggende uitgave ook daarom groot, omdat de weerklank van de gnosis en van de hermetische inwijdingsweg zich niet tot de oude tijden beperkt maar ook nu groot is. De gnostici en hermetici, de inwijdingsscholen en zij die de ervaring en beleving van hun religie niet ondergeschikt maken aan een dogma, kunnen allen hun hart ophalen aan deze geschriften en hun diepe inhoud. Aan de betekenis ervan besteedden de vertalers op het Symposium bij de presentatie van deze editie op 31 november 2004, samen met professor Gilles Quispel en pastor Hans Stolp, in vier lezingen veel aandacht, inmiddels te vinden in het tijdschrift Prana 152, dec. 2005 / jan. 2006, met de titel Esoterisch christendom. Jacob Slavenburg gaf daarbij terecht aan dat het in deze geschriften om een universeel geloof gaat, en dat lijkt mij de invalshoek voor een vruchtbare ontwikkeling van gnosis in onze tijd. Boeddhisme en christendom, jodendom en islam kunnen allemaal 'gelezen' worden als afzonderlijke inspiratiebronnen die op verschillende wijze - juist in hun uniekheid - getuigen van en verwijzen naar het universele dat in ons eigen unieke leven van (hier en) nu tot uitdrukking komt. Iets anders hebben wij niet, is er niet en zijn wij niet! Zelfs de canonieke geschriften van jodendom en christendom en islam kunnen zo gelezen worden. De orthodoxe varianten van deze geloven zijn alleen ontstaan om het voor veel gewone mensen overzichtelijk te houden, uit bezorgdheid van leiders voor complexiteit en verwarring. Misschien was dat niet zo'n gekke bezorgdheid! Alleen - de rigide hantering van een geloofsleer in samenhang met autoritaire machtstructuren heeft niet bepaald positief uitgewerkt op het geestelijke klimaat binnen de sterk hiërarchische organisatiepatronen van de bijbehorende religieuze en maatschappelijke instellingen. Daarom is iedere impuls die ons aan onze vrijheid herinnert welkom (zie hiervoor ook de indringende inleiding in de gnosis van Bram Moerland). Om zelf te ervaren, onze eigen weg te leren gaan, zoals Gilles Quispel dat onder andere wetenschappelijk gedaan heeft, en zoals ook de beide andere sprekers, Willem Glaudemans en Hans Stolp, beeldend en welsprekend naar voren brachten. Maar - stel ik voor - altijd als verwijzing naar de universele betekenis van het particuliere, het bijzondere, het unieke. Dat voorkomt wellicht nieuwe verabsoluteringen. De laatste zijn misschien soms onvermijdelijk maar hoeven geen eindpunt te blijven. De ontwikkelingen gaan door.
Nog een zijdelingse opmerking (de aanleiding hiervan is een tv-uitzending van 6 november 2004 waarin de hoogleraar Herman Pleij een pleidooi voor Erasmus en zijn denkgoed hield; en waaraan ik gegevens over Erasmus in deze alinea ontleen). Velen die zich net als ik voor deze zaken interesseren, komen naar ik vermoed uit tradities waarin 'geestelijke leiders' een grote rol spelen, vaak in de zin dat zij in hun kring een groot gezag hebben waaraan niet gemakkelijk getornd kan worden. Juist omdat het bij de herontdekking van deze oude tradities van eenwording met onze oerbron, en van geestelijke groei, om vrijheid gaat, is het van het grootste belang de kansen op vrije groei niet teniet te doen door een klimaat waarin er opnieuw een kloof geschapen wordt tussen zij die het al weten en zij die het nog niet weten, net als tussen de theologen en de gewone gelovigen bij het ontstaan van het kerkelijke christendom. Geestelijk leiderschap en geestelijk gezag kunnen - in vrijheid - een geweldig kader en een geweldige impuls bieden voor geestelijke groei en verlichting - maar ze mogen die nooit in de weg staan, bijvoorbeeld door ze te verwarren met macht op andere gebieden. En daarom is het van het grootste belang een klimaat te ontwikkelen waarin veel gevraagd en gediscussieerd kan worden, zodat inzichten in vrijheid kunnen groeien. Tussen haakjes: wat heeft het niet een schijnheiligheid opgeleverd in Nederlandse groepen dat men voor het oog keurig in de pas loopt - sterker: onbesmettelijkheid voor het tegendeel ten toon spreidt - terwijl men innerlijk zijn zwakte toe moet geven (of nog erger: zich niet meer bewust is of wil zijn). Immers, niet wat een ander voor mij ontdekt heeft, telt (hoe ongelooflijk waardevol ook als inspiratie en voorbereiding en helpende kennis en opstap) maar alleen de liefde die aan ieder mens, hoe zwak ook, de volledige ruimte van een eigen weg laat en biedt. Waarbij we ook kunnen denken aan iemand als Erasmus, de beroemde Europese Nederlander, die dit benadrukt. Hij moet niets hebben van schijnheilige theologen die ingewikkelde praatjes houden - net zo onbegrijpelijk als de taal van een ongeschoolde arbeider soms is, zegt hij ergens in zijn Lof der Zotheid - maar hij werkt hard aan het vergroten van kennis, en de voorwaarden voor het vergroten van inzicht. (Ik ben geneigd te zeggen: inzicht in het volledige, het universele (ofwel verlichting), wordt niet alleen gevonden in het volmaakte, maar ook en juist in het gewone, het onvolmaakte, het tijdelijke, het tekort schietende.) Onafhankelijkheid, onbevangenheid, een open oog voor de werkelijkheid om ons heen zijn daarbij net zo belangrijk als wat we uit de traditie en de geschriften kunnen leren, uiteraard zonder de realiteit van onze uiterlijke afhankelijkheden uit het oog te verliezen. De gevaren van intolerantie en onveiligheid in de samenleving zijn groot, zoals Erasmus wist, maar die lossen we volgens hem niet op door ons in schijnheilige enclaves op te sluiten waar wij of onze leiders het beter weten dan anderen. Die sigalering is het die Erasmus zo groot en beroemd heeft gemaakt. Hij hield van het goede leven maar was ook voor soberheid in het publieke optreden en voor hard werken aan kleine stapjes om aan de vrede en de veiligheid en andere maatschappelijke problemen te werken - het overlegmodel (Of in onze woorden: het benoemen van zaken is de eerste voorwaarde voor een democratische samenleving.) Ik voeg toe: het spreekt vanzelf dat hierbij enige kennis van de eigen grenzen en beperkingen, een zekere zelfrelativering, geen kwaad kan ... (Verder lijkt me, hoe zwak je misschien ook bent, het met geoorloofde middelen verdedigen van je hachje tegen gevaarlijke aanvallen op zijn tijd beter dan het zonder meer offeren van iedere kwaliteit waar je voor staat. Erasmus staat bekend als pacifist. Ik zou graag willen dat in het geval van levensbedreigende situaties het gebruik van beschermende en afwerende, misschien ook preventieve middelen bij wijze van levensverdediging meer kwaad vermindert dan het alleen toekeren van de andere wang, hoewel dat laatste spiritueel gesproken de enig juiste weg is in het geval van een niet levensbedreigend en misschien ook soms van een wel levensbedreigend conflict - want het gaat nu eenmaal om alle aspecten van een situatie samen, en die aspecten zijn wellicht te onderscheiden maar niet volledig te scheiden. Vergeet niet welke nasmaak het gebruik van middelen nalaat, waarmee een nieuwe keten van gevolgen kan worden ingeleid! 'Hoe beperk je het kwaad zoveel mogelijk' is immers een even belangrijk criterium als 'hoe bevorder je het goede zoveel mogelijk'.) En hetzelfde geldt enige kennis van de grote, vanuit ons kleine perspectief oneindig grote, tegenstellingen in de werkelijkheid, waarvan een der grootste 'leven en dood' lijkt: als onze tegenstander zo met ons verweven is dat we aan hem of haar gelijk zijn in het opzicht dat we onophoudelijk in elkaar overgaan, dan hoeft angst niet onze raadgever te zijn, hoogstens de energiebron om (hier en) nu voluit te ademen, te leven, aanwezig te zijn. Zonder al te grote pretenties ... Laten we niet in dwanggedrag vervallen.

d. De man-vrouw-polariteit - en meer verhuld het non-dualisme - staat centraal in Westerse esoterische traditie
Het is niet toevallig dat in onze Westerse esoterische traditie de polariteit - onderscheid én complementariteit - van man en vrouw centraal staat (zie bijvoorbeeld mijn stellingen bij een lezing). Iets waar bijvoorbeeld ook Hans Stolp zich goed van bewust is. Of zoals Gilles Quispel niet voor niets zijn recente Thomas-commentaar (Het Evangelie van Thomas, Amsterdam (In de Pelikaan) 2004) eindigt: “Het ideaal van de androgynie blijkt oeroud te zijn” (379). Ver voor in de geschiedenis van onze culturen patriarchale patronen en opvattingen de dominante werden, was de relatie van man en vrouw in verschillende vormen - ideologisch en maatschappelijk - een vooraanstaand cultureel en religieus ideaal, ook in Israël, ook in Egypte. Het geheim van alle dualismen, van alle polariteiten, is gelegen in hun eenheid. Ontwikkeling impliceert uittreden uit het veilige, onschuldige oerbegin. Zelfs verlies van bewustzijn: wanneer we ons hechten aan één kant, eenzijdig worden. Die eenzijdigheid of overdreven hechting, verabsolutering, kunnen we loslaten. En zo terugkeren tot de eenheid, nu al in principe, in ons bewustzijn dat zich afstemt op het geheel door in het specifieke het universele te zien, namelijk door de onderlinge afhankelijkheid en verbondenheid van alles te zien, en 'ooit' door volledig op te gaan in het ene, te beginnen nu wanneer we ons openstellen voor alles en onze eerstvolgende kleine stap zetten (of nalaten). Dat relativeert ook de eenzijdigheden in onze opvattingen waaronder die welke we patriarchaal of matriarchaal kunnen noemen. We kunnen die eenzijdigheden in kaart pogen te brengen en ons ontwikkelen via onthechting en betrokkenheid. Zoals Jacob Boehme zei: “Voor wie tijd is als eeuwigheid, en eeuwigheid als de tijd, die is bevrijd van alle strijd.” Een nadere bestudering van vele implicaties van de androgynie, in het bijzonder de non-dualistische implicaties, kan ons helpen ook de verhouding tussen exoterische (zichzelf 'orthodox' noemende) en esoterische tradities beter te begrijpen en in kaart te brengen. Behalve dan dat de androgynie een prachtig perspectief biedt voor de spirituele ontwikkeling van mensen die al hun aspecten ontplooien daarbij hun tegendelen integrerend, ofwel de individuatie, zoals Jung omschrijft die het nodige van deze 'alchemie' begreep. En merkwaardigerwijze ook op tal van andere gebieden waar polariteit een rol speelt impulsen voor verstaan kan bieden, van de natuurwetenschap tot de biologie, van de maatschappijwetenschap tot de geschiedwetenschap, en zelfs de geesteswetenschappen waaronder de letterkunde en de filosofie, en de bestudering van de kunsten. In de bestudering van de verschillen tussen de geslachten, het onderzoek naar de biologische en taalkundige onderscheid tussen mannelijk en vrouwelijk ofwel 'gender studies' nemen de androgynie en haar historie een uiterst prominente plaats in. Evenals in het bieden van en zoeken naar rolmodellen voor vrouwen en mannen van zowel hetero- als homo-geaardheid, in de oneindig vele varianten die daar kennelijk mogelijk zijn (ook al zijn bepaalde de meest voorkomende). De weg naar de goddelijke eenheid gaat niet buiten (onze verhouding tot) onze geslachtelijke beleving om! Al was het maar omdat zelfs de negatie ervan, bijvoorbeeld in de asketische tradities van het Syrisch-christelijke enkratisme (enkrateia = onthouding) waar het Evangelie van Thomas naar gevormd is, zich er even goed op baseert als de beaming ervan in andere tradities die de geslachtelijkheid zo hoog waarderen dat zij het beschouwen als de hoogste omschrijving van het goddelijke en van onze eenwording ermee. Wij zijn zelf immers geschapen naar Gods beeld - als man en vrouw. Dat zegt veel over God en over onszelf. Dit geheim is bewaard, zij het soms onder lagen stof of anderszins verborgen, in de Westerse esoterische tradities, en in de Westerse mystiek. In de Joodse Tenach en Talmoed vinden we nog sporen van androgynie in het scheppingsverhaal, of van het Heilige Huwelijk dat in de omliggende culturen een rol speelde. In de oudere Joodse esoterie en in de Joodse Kabbala speelt de androgyne Adam een centrale rol. En om over te stappen naar de moderne tijd: androgynie is het centrale thema van de beroemde opera van Mozart, Die Zauberflöte. Het is wel belangrijk - zij terzijde opgemerkt - om de verschillende niveaus waarop de man-vrouwverhouding een rol speelt, niet door elkaar te halen maar te onderscheiden, ook al zijn de niveaus onderdeel van een groter geheel waar ze naar verwijzen.

e. Aandacht nodig voor de materiële, sociologische omstandigheden van spirituele bewegingen
Zeker in onze Westerse traditie is het de gewoonte geweest om het geestelijke en het lichamelijke sterk van elkaar te onderscheiden zo niet te scheiden. Daarmee gaat dan een hogere waardering van het geestelijke boven het lichamelijke of het materiële gepaard. De standaard visie van christenen op seksualiteit is daarvan een bekend en helder voorbeeld. Maar het heeft ook vaak betekend dat spiritualiteit los gezien werd van de omgeving waarin zij leefde. Sterker, zij werd gepresenteerd als middel om zich boven het aardse te verheffen, zich er aan te onttrekken. Dat heeft er bij historici van de spiritualiteit vaak toe geleid dat zij spirituele bewegingen vaak alleen bekeek op hun spirituele inhoud en op de ontplooiing van spirituele individuen, en weinig aandacht voor bijvoorbeeld de maatschappelijke omstandigheden waarin spiritualiteit bloeide of onderdook. Niettemin spelen deze laatste factoren een even grote rol bij spiritualiteit als bij andere culturele verschijningsvormen, zoals kunsten en letterkunde. Er is best het nodige te vinden over die maatschappelijke omstandigheden en over de maatschappelijke functie van spirituele bewegingen, neem bijvoorbeeld de invloed van middeleeuwse orden van christelijke geestelijken, de maatschappijkritische rol van vele oude Joodse profeten, de maatschappelijke functie van boeddhistische monniken en nonnen en zo voort. In dit verband mis ik tot nu toe vaak het sociologische aspect bij de historische situering van de oude gnostiek en Hermetica. Bijvoorbeeld is er heel wat onderzoek naar de sociologische aspecten van de Joden en christenen in de eerste eeuwen van onze jaartelling. Maar over de maatschappelijke herkomst en functie van de gnostici en hermetici van de geschriften van Nag Hammadi vinden we nog niet al te veel. Twintig jaar geleden noemde men dit nog een raadsel. We weten dat er hermetische loges in Alexandrië geweest moeten zijn. Maar even goed als we ons interesseren in de maatschappelijke positie van de christenen in de eerste gemeenten in Turkije, Griekenland en Italië waaraan Paulus zijn brieven schrijft, is het belangrijk in kaart te brengen waar de gnostici en hermetici van toen sociologisch te vinden zijn. En te begrijpen waar hun spirituele opvattingen en ontwikkelingswegen maatschappelijk gezien mee corresponderen (wat niet hetzelfde is als ze er volledig uit verklaren). Want dat ze dat deden mogen we geheid aannemen. Ze kwamen niet van Mars maar leefden midden in grote en kleinere steden, en hun geschriften werden vermoedelijk ook in toenmalige 'kloosters' gelezen. Het beeld van die eeuwen zal nog veel aan helderheid en betekenis kunnen winnen als we de inhoudelijke ontwikkelingen en de maatschappelijke werkelijkheid samen in beeld brengen. Dat zal ons ook helpen om te laten zien welke maatschappelijke waarde de nu levende gnosis en Hermetica hebben en nog verder kunnen ontwikkelen. Zonder met onze voeten stevig in de klei te staan, zal het niet werkelijk lukken om te leren wat het is 'met hogere werkelijkheden in contact te komen' of werkelijk te 'ontwaken'. Om met het Evangelie van Philippus te spreken: “Wees niet bang voor het vlees en heb het ook niet lief. Als je er bang voor bent zal het je de baas worden. Als je het liefhebt, zal het je verslinden en verlammen” (perikoop 51 in de indeling van Slavenburg / Glaudemans; 336). Het is goed om in de wereld terdege thuis te zijn, zonder angst je plaats in te nemen en je weg te gaan, voor 'het vlees' en de wereld te zorgen en ermee te genieten: maar zonder je er aan te hechten. Zie hiervoor opnieuw de lezing van Stolp, verschenen in het bovengenoemde nummer 152 van Prana, pp. 26-34.

f. De samenhang van de materiële en de psychologische aspecten van Westerse spirituele bewegingen
Hoe beter we de sociologische situering van spirituele bewegingen kennen, hoe meer begrip we kunnen ontwikkelen voor de spirituele kenmerken ervan. Wat duidelijk moge zijn: de alternatieve Westerse spirituele traditie bergt een spirituele psychologie in zich (vergelijk punt d) die vergelijkbaar is met de psychologie van het non-dualisme die we ook in Oosterse spirituele tradities aantreffen. We kunnen zelfs zeggen dat wanneer we de leer (dogma's) van het christendom ontdoen van haar verabsolutering en haar dus niet-dualistisch 'lezen', we de waarde van de leer als een religieuze psychologie (die zij oorspronkelijk was, te weten hulpmiddel op een inwijdingsweg) herontdekken! Net als bijvoorbeeld in het Mahayan-boeddhisme van het Diamant soetra, wordt dan duidelijk dat bij iedere nieuwe fase van bewustwording de tot dan toe helpende leerstelling of het tot dan toe gebruikte onderricht verdwijnen mag en vervangen door de of het volgende die of dat van dienst kan zijn.

Kortom, deze fantastische uitgave is aanleiding tot en kan verder helpen op een inspirerende weg. Allereerst voor lezers die inspiratie zoeken, dan voor onderzoekers en ten slotte voor het brede publiek van geïnteresseerden in onze cultuur en haar ontwikkeling. Nieuwe bladzijden van die ontwikkeling liggen voor ons, als beeld van het verleden maar niet minder als inspiratie voor de toekomst. En dat via wat we nu ontdekken. Door ons zelf en onze omgeving serieus te nemen en de tekenen der tijden en de tekenen van onze beleving serieus te nemen - zonder er anderen mee lastig te vallen, liever hen van dienst te zijn. Een hele opgave maar ook een vreugde - die allen die aan deze uitgave gewerkt hebben nu aan ons voorleggen om erin te delen. Wanneer we ons in het heden volledig realiseren in eenheid met onze omgeving, vormen we het verleden en de toekomst mee om. Dat zal ook een nieuwe perspectieven op de geschriften van Nag Hammadi opleveren, waarbij we andere los kunnen laten. Ik wens deze uitgave een vruchtbare werking toe.
3 november 2004


Retour naar overzichtspagina gelezen teksten


Google
"To Serve Divine Wisdom, in Full Awareness of Death and Life
Waiting for Her unmistakable Signs,
Tapping from and Revering the Source of True Healing, the Kingdom of Complete Eternity
Manifesting Always through All Polarities and Changes Here and Now" (Kalliopeia)

Ieder apart wezen compleet en diep één met zijn eeuwige grond, verbonden in één gewaar-zijn


URL: http://www.bk-books.eu/lezen12.html
Version 4 = latest revision of 7 November 2004 (Version 1: 16 October 2004)
© 2004 Boudewijn Koole; copying admitted
in case acknowledgement is provided (at least reference to site: www.bk-books.eu and with link to url (unique resource location or web-address) of the text copied or referred to; if wished so with your valuation)