The Moon Bamboo, Translated from the Vietnamese by Vo-Dinh Mai and Mobi Ho, Illustrations by Vo-Dinh Mai, Introduction by Mobi Ho, Berkeley (Parallax Press) 1989, 179 pp.
Leven in aandacht: Commentaar op het Satipatthana-Soetra, Nieuwerkerk a/d IJssel (Asoka) 2002, 181pp.
Idem,
Our Appointment with Life: Discourse on Living Happily in the Present Moment, Translation and Commentary on The Sutra on Knowing the Better Way to Live Alone, Berkeley CA (Parallax Press) 1990, 54pp.
Idem,
Vorm is leegte, leegte is vorm: Commentaar op het Prajñaparamita hartsoetra, Nieuwerkerk a/d IJssel (Asoka) 2001-2e, gewijzigde druk, 62 pp.
Gezamenlijke bespreking van:
Thich Nhat Hanh, The Moon Bamboo, Translated from the Vietnamese by Vo-Dinh Mai and Mobi Ho, Illustrations by Vo-Dinh Mai, Introduction by Mobi Ho, Berkeley (Parallax Press) 1989, 179 pp.
Idem, Adem is bewustzijn: Anapanasati-soetra, Nieuwerkerk a/d IJssel (Asoka) 1999, 74 pp.
Idem, Leven in aandacht: Commentaar op het Satipatthana-Soetra, Nieuwerkerk a/d IJssel (Asoka) 2002, 181pp.
Idem, Our Appointment with Life: Discourse on Living Happily in the Present Moment, Translation and Commentary on The Sutra on Knowing the Better Way to Live Alone, Berkeley CA (Parallax Press) 1990, 54pp.
Idem, Vorm is leegte, leegte is vorm: Commentaar op het Prajñaparamita hartsoetra, Nieuwerkerk a/d IJssel (Asoka) 2001-2e, gewijzigde druk, 62 pp.
Idem, De zon in je hart, Amsterdam (Karnak) 1988, 174 pp.
Opmerking vooraf bij de bespreking van genoemde boeken.
Het eerste hieronder genoemde boekje The Moon Bamboo met vier boeiende verhalen, is behalve wegens de verhalen zelf belangrijk omdat het achtergronden van de auteur laat zien die zijn leven en denken mee bepaald hebben, ze hebben doordrongen. Hij draagt de ervaringen die hij meedraagt, zo over. En we begrijpen des te beter waar hij in zijn leven, zijn activiteiten en zijn andere boeken voor staat.
Dan drie boekjes met uitleg van drie basis-soetra's, te weten het Anapanasati-soetra (over de bewuste ademhaling), het Satipatthana-soetra (over de vier velden van aandacht) en het Bhadekaratta-soetra (over het leven in dit moment). Soetra betekent 'snoer', dus: leerrede. Zij vertegenwoordigen een bijzondere waarde omdat zij stammen uit de tijd voorafgaand aan de grotere verbreiding van het boeddhisme in Azië, en in dit latere Mahayana-boeddhisme betrekkelijk onbekend zijn. Voor de auteur bieden zij samenhangend een goede opstap om - ieder vanuit een verschillende invalshoek - met het boeddhistische basisidee van aandachtsoefening kennis te maken. Terwijl zij juist zo kernachtig belangrijke zaken naar voren brengen; zij zijn bekend in een 'kleine', oorspronkelijke vorm. Een vorm die nog niet de latere uitbreidingen kent die misschien hier en daar wel waardevolle interpretaties toevoegen maar ook af kunnen leiden van die kern. De auteur wijst dan ook terloops op het gevaar dat boeddhisten zich verstrikken in het bereiken van als ingewikkeld ervaren maar slechts uit woordspel bestaande meditatiedoelstellingen. Als we - ook in onze Westerse omgeving (en eigen Westerse tradities) - die eenvoud en die kern weer eens terug konden vinden!
Vervolgens een boekje met uitleg van het Hartsoetra. Dit is de over de hele wereld door boeddhisten meest (dagelijks) gereciteerde tamelijk korte tekst die als samenvatting van inzicht en aansporing tot het (be)leven ofwel 'realiseren' ervan geldt. Het behandelt de eenheid van alle tegenstellingen, of hoe deze laatste te overstijgen zonder ze te negeren. (Zie even verderop voor de vergelijking van dit boek met het boek De zon in je hart.)
Voor deze vier commentaren op fundamentele soetra's geldt dat zij zonder dat op te dringen, gebaseerd zijn op grondige kennis en vergelijking van teksten. De auteur zoekt daarbij naar de meest oorspronkelijke betekenis maar heeft ook oog voor het waardevolle aanvullende perspectief van latere interpretaties (net als voor het gevaar van afleiding van de kern, zoals hierboven gememoreerd). Maar altijd gericht op eenvoud en herkenbaarheid en beleefbaarheid voor iedere lezer en lezeres in hún eigen hier en nu. De auteur kan ons naar de kern verwijzen maar onze tijd van lezen en leven ligt altijd na de zijne en na die van lang geleden. Tenzij hij ons zo kan inspireren dat wij door het verleden geraakt worden en wakker worden. Steeds geeft hij een duidelijke en herkenbare uitleg waarbij hij steeds verwijst naar belangrijke basisbegrippen en ideeën. Ik herhaal nog eens dat Thich Nhat Hanh een meesterlijk didacticus is. Uit zijn commentaren wordt ook wel duidelijk dat hij zijn eigen visie heeft gevormd op de waarde van de verschillende scholen in het boeddhisme. Hij staat zelf in de traditie van het Theravada-boeddhisme, waarin vele ideeën over boddhisattva's en over bijzondere verlossings wegen zoals het latere Mahayana-boeddhisme ontwikkelde, nog niet voorkwamen. Maar hij waardeert vaak de geest en de uitleg van dit latere boeddhisme waar het zijns inziens een waardevolle aanvulling vormt die de kern even goed of nog beter zichtbaar maakt. Overigens is hij er niet op uit fundamentalist te zijn en het boeddhisme te verabsoluteren, of een bepaalde stroming ervan. Zijn opvatting is dat wat we in een bepaald iets aan waardevols kunnen vinden, het universele is, omdat het ook in zijn eventuele beperktheid verwijst naar dat wat het beperkte overstijgt. En dat we die verwijzing overal in kunnen vinden, dus niet speciaal in bepaalde stromingen. Ook andere religies naast het boeddhisme bevatten waardevolle elementen als ze naar dat universele verwijzen. En ook allerlei dingen die we niet direct religieus zouden noemen, bevatten die verwijzing. Tot we ontdekken dat alles er naar verwijst. Maar om ons op weg te laten helpen zijn basisteksten natuurlijk heel handig, en zo legt de auteur deze hier uit.
Thich Nhat Hanh kiest ook duidelijk voor een uitleg van het boeddhisme als een positieve leer, gericht op vreugde en niet op het ontvluchten van de wereld. Hij laat daartoe zien wat er oorspronkelijk bedoeld is en hoe dat later werd opgevat. Zijn uitleg verfrist ook hier zodanig dat het is alsof je dat inzicht zelf voor het eerst ontdekt - en het biedt een houvast om misverstanden te vermijden waarmee we etiketten op opvattingen van anderen gaan plakken. Zo iets zou voor onze eigen Westerse tradities ook uiterst waardevol zijn, lijkt me.
Zie ook mijn literatuurlijst Boeddhisme voor beginners.
Dan ten slotte het boek De Zon in je hart over hoe alles in de wereld samenhangt. Vergeleken met de drie boekjes over de drie basis-soetra's over het mediteren en het boekje over de Hartsoetra is dit boekje het meest 'theoretische', toegeschreven naar de Westerse lezer met interesse in de samenhang tussen boeddhisme en moderne Westerse natuurwetenschap en filosofie - die samenhang wordt hier geponeerd. (Het boekje over het Hartsoetra heeft hetzelfde thema maar zonder de link naar de fundamentele theorie van de Westerse natuurwetenschap en filosofie.) Je zou dit boekje iets meer dan sommige andere van deze auteur een samenvatting van de kern van boeddhistische filosofie kunnen noemen, maar dan inclusief de betrekkelijkheid van 'fundamentele' begrippen. Dit boek heeft - zonder onwetenschappelijk te zijn - iets van de aloude alchemie: alles verandert, zowel op het gebied van de geest als dat van de stof, en wij spelen er een cruciale rol in waarvan wij ons bewuster kunnen worden, zodat wij die rol des te beter spelen.
Af en toe is een redactionele opmerking door mij toegevoegd die bij een eventuele herdruk tot verbetering kan leiden.
Samen vormen de laatste vijf boekjes een indrukwekkende samenvatting van de boeddhistische kernleringen. We kunnen deze kernleringen vanuit het perspectief van de Westerse cultuur heel goed benaderend omschrijven als een psychologie, ingebed in een traditie van rituelen en voor wie wil ook nog verankerd in een systematische leer, beide voornamelijk van de diverse scholen binnen het boeddhisme, die alle wel deze kernleringen erkennen en beoefenen. Ook waar het boeddhisme zich ontwikkeld heeft tot een godsdienst die dezelfde functies heeft als andere wereldgodsdiensten, kunnen we toch zeggen dat het praktisch-psychologische element in het boeddhisme voorop staat. De Boeddha wees uitspraken over metafysica af omdat hij vond dat we daar geen weet van hebben. Het ging hem om het helpen blussen van branden, niet om de verbreiding van een theoretische verklaring ervan. Al hield zijn psychologie natuurlijk wel opvattingen in over hoe onze geest werkt, over hoe onze geest en de wereld samenhangen. Maar vooral praktisch gericht.
Vergelijken we het boeddhisme met andere wereldgodsdiensten zoals de drie monotheïstische, dan is het belangrijk te zien dat de laatste drie inhoudelijk tamelijk nauw verweven zijn met de patriarchale structuur en opvattingen van de maatschappijen waarin ze voorkomen en domineren. God = man = vader = machtig. En er is bij de laatste ook een belangrijke verhouding tussen staat en godsdienstige organisatie, die al dan niet van elkaar gescheiden worden maar ook als dat wel het geval is, nauw op elkaar betrokken zijn en in het verleden van Europa bijvoorbeeld elkaar versterkten. We zouden nu al gauw kunnen denken dat het boeddhisme dit vraagstuk niet kent, omdat het in onze Westerse maatschappij een minderheidsreligie is. Maar ook voor het boeddhisme geldt mijns inziens, juist omdat het psychologische element zo centraal staat en zo op de voorgrond treedt, dat de maatschappelijke voorwaarden waarbinnen deze psychologie geleerd en beoefend kan worden, van groot belang is. Wel vind ik het een groot voordeel dat het boeddhisme zijn geschiedenis presenteert als de geschiedenis van scholen, van tradities waarbinnen de 'leer' is overgedragen. Als de monotheïstische godsdiensten ook zo leerden kijken naar zichzelf, en niet alleen als naar vertegenwoordigers van God op aarde die recht op de ultieme macht (of het ultieme oordeel) hebben, dan zou dat mijns inziens grote winst betekenen. In ieder geval laat Thich Nhat Hanh zien dat het boeddhisme uit te leggen valt als iets voor ieder mens begrijpelijks, zonder allerlei machtsimplicaties of zonder grote woorden en hoofdletters die niet alleen staan voor wat erg waardevol is (dan valt het te overwegen) maar vooral voor onderwerping aan machten van buiten. En dat laatste is niet het mooiste aspect van jodendom, christendom en islam geweest - er zijn mooiere. Mijns inziens valt van het gesprek tussen religies veel te leren, zowel in psychologisch opzicht als in maatschappelijk en cultureel opzicht. Als we tenminste goed duidelijk kunnen houden waar we het over hebben. Aan deze zeer begaafde auteur zal het niet liggen. Ik beschouw zijn werk als een grote bijdrage. Werk dat we dan wel eerst dienen te leren kennen, zeker ook deze prachtige samenvatting van de boeddhistische psychologie en oefenmethode. Zeer aanbevolen.
Zie eventueel de boeken van de auteur over de vergelijking van Jezus en Boeddha en hun leringen. Zie verder eventueel mijn literatuurlijst Zen en Oosters en Westers denken en literatuurlijst Boeddhisme voor beginners.
17 oktober 2004
[Zie de opmerkingen vooraf bij deze collectieve bespreking.]
Dit boek, momenteel waarschijnlijk nog verkrijgbaar onder een andere titel, namelijk de titel van het eerste verhaal 'The Stone Boy', bevat vier verhalen van grote schoonheid. Ik zou geneigd zijn ze parabels te noemen; het zijn sprookjes met een verborgen boodschap (hoewel zij daar geen moment onder lijden, tenzij men de diepere inhoud te zwaar vindt). Ja deze sprookjes gaan behalve over vreugde en leven ook over dood en lijden. En het boek is ook samen te vatten als 'de glimlach van de dood, of van het dode kind' of als 'de dood en de glimlach'.
Achtergrond van de verhalen is de situatie van ballingschap van de uit Vietnam verdreven Vietnamezen, na de Vietnamese oorlog. De eigen situatie van de auteur. De vier verhalen hebben de volgende impliciete thema's: de verwoestende oorlog met zijn napalmbombardementen en vele doden en heropvoedingskampen, de uiterst schrijnende ondergang of strijd om te overleven van de bootvluchtelingen, de gespletenheid van verjaagden en ontwortelden in Vietnam en tenslotte de gespletenheid van de Vietnamese ballingen zelf. Maar deze thema's zijn literair volledig in de verhalen verwerkt zodat de verhalen zelf de boventoon voeren. Zeker zij zijn er ook om een perspectief op het lijden te bieden, en dat allereerst goed te laten voelen, meevoelen of symbolisch ondergaan. En op die momenten is voor de lezer de band met het reële leven van de auteur en van Vietnam volstrekt duidelijk. Maar al die gespletenheden worden ook opgelost in deze verhalen, en wel in de verhalen als verhalen zelf - ook al worden boeddhistische voorstellingen daar gewoon bij gebruikt. Wie deze verhalen leest zal zich zonder meer met de personen erin - soms van vlees en bloed, soms mythisch - kunnen identificeren. En zich herkennen in hun wederwaardigheden, zoektochten en ontdekkingen. Onder die laatste zijn persoonlijke groeimomenten, maar ook grote troost en hoop. En vaak vanuit het perspectief van een kind, hoewel zeker niet alleen.
Dit boek bevat uiterst waardevolle (meest impliciete maar soms ook expliciete) lessen maar vooral ook veel passages van wondermooie schoonheid en melancholie. Thich Nhat Hanh verstaat de vertelkunst, en weet te schilderen met beelden, kleuren, geuren, gebaren. De natuur speelt een even grote rol als de menselijke relaties. Er zijn veel droomelementen. De beleving is het voertuig. Een boek geschikt voor kinderen (al bevat het laatste verhaal ook enkele verwijzingen naar de moderne natuurkunde). Die weten wel dat leven op aarde - in het Oosten en Zuiden maar ook in het zogeheten welvarende Westen - lang niet altijd een lolletje is, om het zacht uit te drukken. Maar ook dat het waard is de vreugde van het leven in al zijn diepte te ervaren, en er 'wijs' in te worden.
17 oktober 2004
[Zie de opmerkingen vooraf bij deze collectieve bespreking.]
Dit verfrissende boekje omvat de vertaling van het soetra ('snoer', dus: leerrede), een korte historische plaatsbepaling, een samenvatting en een analyse ervan, bijpassende toelichting op een aantal aspecten van meditatie en tenslotte een behandeling van de in het soetra aangeduide meditatieoefeningen. Het onderwerp zelf is de volkomen bewuste ademhaling, en waar die toe leidt, of eigenlijk al direct uitdrukking van is. Ademhaling en aandacht gaan samen en brengen ons bij de kern van ons bestaan, en bij alles waar we mee verbonden zijn. Zij leren ook wat ons daarvan afhoudt en wat de vruchten van deze transformatie zijn.
Nu ik na een tijdje weer een tekst van deze auteur onder ogen krijg, valt me opnieuw de eenvoud ervan op. Natuurlijk is om te beginnen het korte soetra zelf dat hij hier toelicht, een eenvoudige en heldere tekst, geslepen als een juweel door lange mondelinge overlevering en onderricht, en opgeschreven in de derde eeuw na Christus. Maar in de toelichtende tekst van de auteur zit nog meer eenvoud. Hij slaagt er in niet alleen de indruk te wekken dat het om iets heel fundamenteels gaat maar ook dat dit eigenlijk voortdurend binnen ons bereik ligt, eigenlijk zo zeer dat wij er niet eens naar hoeven grijpen. Sterker, hij maakt duidelijk dat waar het om gaat, bereikt wordt door dat 'pogen te bereiken' op te geven, althans vanzelf te laten gebeuren. En dat doet hij door je het gevoel te geven dat hij vanuit zijn eigen ervaring spreekt. Zodat je altijd weet dat hij niet alleen iets zegt dat voor je verstand eenvoudig is (hoewel misschien betrekking hebbend op complexe verschijnselen, zoals het functioneren van je lichaam of je geest of een verschijnsel in de wereld om ons heen) maar dat ons tegelijk draagt! Dat het ons lichter maakt om zelf eenvoudig te zijn, mee te gaan met de stroom der dingen, en tegelijk bewust te zijn daarvan, en van dat meegaan. Zonder inspanning!
Niet voor niets eindigt zijn toelichting (onder meer) met het belang van 'loslaten'. Maar dan heeft hij ook al de vergankelijkheid van alles behandeld, een begrip dat veel kanten heeft die je in kort bestek uiterst helder in het boekje vindt uitgelegd (62-68).
Begrip van hoe dingen in elkaar zitten staat in deze traditie nooit los van de psychologische betekenis ervan. Hoofd en hart staan hier in elkaars verlengde en niet los van elkaar, zoals vaak bij ons. De eenvoud van het bewustzijn van adem, lichaam, geest en gehele werkelijkheid heeft dan ook consequenties voor ons omgaan met onszelf, anderen en de wereld. Daarover zegt de auteur meer in andere publicaties. Hier verschijnt alleen vaak een glimlacht op ons gezicht. En we voelen dat we tot rust kunnen komen en afstand nemen van ons hectische leven, van het informatiebombardement van de media en de drukte van het andere verkeer - ook in ons hoofd …
De auteur slaagt er in deze 74 pagina's ook nog in belangrijke historische en systematische informatie te geven.
Een meesterwerkje. Wat opvalt is ook dat het gaat om werkelijkheid die geleefd kan worden, niet om waarheden die los van het leven staan.
Terzijde wijs ik nog op een onvolkomenheid in de gedrukte tekst waarmee in een volgende druk rekening kan worden gehouden. Op p. 41, zevende regel van onderen, staat helaas 'uit' waar 'in' - dus precies het omgekeerde - een betekenis zou bieden die klopt met de context van het betreffende hoofdstuk 4 en het hele boekje. Ik heb niet de beschikking over de grondtekst dus ik weet niet wat daar stond, maar 'in' maakt de zin qua betekenis in ieder geval kloppend. Verder enkele kleinigheden: in noot 18 op p. 72 staat in de tweede alinea een haakje te weinig na 'Pad'. Verder staat op p. 62 in het tweede citaat in plaats van 'het wegebben' (dat herhaald zou behoren te worden) 'de vergankelijkheid', waarschijnlijk een kopieerfout.
De auteur legt uit dat we bij de concentratie op onze adem ons niet tot het neusgat moeten beperken zoals de latere commentaren doen. “Alle commentaren … geven de raad dat de beoefenaar zich alleen op het puntje van de neus concentreert en niet verder de adem volgt. … Als we ons concentreren op het puntje van onze neus en ons bewust zijn van iedere ademtocht die ons lichaam binnenkomt - net zoals de timmerman die zich op de zaagsnede concentreert -, wordt onze hortende, onregelmatige ademhaling geleidelijk aan rustig en licht, en uiteindelijk valt alle onderscheid weg. Ten teken … dat alle onderscheid is weggevallen, krijgen we het gevoel zo licht als een veertje te zijn, licht, fris en losjes, als een fris,koel windje.” (40) Hij beschouwt dit als een door Boeddha als onvolkomen afgewezen, niet onontbeerlijke maar in latere commentaren opnieuw binnengeslopen methode (41-43) vgl. Leven in aandacht pp. 52-54 waar hij erop wijst dat we onze problemen onder ogen dienen te zien en niet te ontvluchten in een meditatieve roes. Echte vreugde ontstaat uit de diepte, en die worden we ons bewust door aandacht voor onze volledige adem, ons hele lichaam en onze hele geest, die een eenheid vormen.
Uitermate aanbevolen.
17 oktober 2004
[Zie de opmerkingen vooraf bij deze collectieve bespreking.]
De vier velden van aandacht die in dit soetra behandeld worden zijn het observeren van achtereenvolgens het lichaam in het lichaam, de gevoelens in de gevoelens, de geest in de geest en de objecten van de geest in de objecten van de geest, waarmee alle mogelijke vormen van meditatie gegeven zijn. Met 'in' is bedoeld dat het observerende subject niet verder komt als het buiten blijft staan. Het gaat om het één worden van subject en object als onderdeel van het mediteren; dan wordt pas het volledige effect bereikt. 'Effect' mag hier niet misverstaan worden: het doel wordt niet aan het eind van de weg bereikt maar al gaande ontdekt de mediterende dat het doel al bereikt wordt (is), sterker dat alles wat een hinder op de weg lijkt, juist het doel dichterbij brengt omdat het één is daarmee, en omdat mediterende en object van de meditatie al één waren voordat 'zij' het beseften. Beide wortelen in de ene alomvattende geest.
De auteur behandelt drie versies van dit al oude soetra, een in het Pali en twee Chinese versies.
De kern van het boekje is de toelichting op een twintigtal aandachtsoefeningen die de auteur aan het soetra ontleent (47-128). Daaraan gaan vooraf: de tekst van de oudste versie van het soetra (13-32) en korte inleidingen in het ontstaan, de naam en de inhoud ervan (35-46). Na zijn toelichting op allerlei afzonderlijke thema's en problemen bij de behandeling van de afzonderlijke aandachtsoefeningen biedt de auteur een zeer waardevol overzicht van algemene uitgangspunten die gelden voor elke aandachtsoefening (129-140). Aan het eind behandelt hij ook de verschillen tussen de drie versies van het soetra, en wat we hieruit kunnen afleiden. Tot slot gevolgd door de tekst van de tweede en derde versie ervan. Alles met voorbeeldige eenvoud en helderheid, en maximale informatieve waarde.
Na enkele inleidende opmerkingen - de oefeningen zijn niet alleen te doen voor monniken en nonnen maar voor iedereen - behandelt de auteur het aandachtig kijken naar het lichaam en behandelt daarbij tien oefeningen (49-76).
De eerste aandachtsoefening is het bewuste ademhalen, de tweede het volgen van de ademhaling (49-51). Door bewust adem te halen keren we terug naar onszelf en komen we in contact met het leven in dit moment. We ontspannen ons en ontwarren knopen van spijt en angst, en vrede en vreugde komen in ons naar boven (50v.).
De derde oefening is lichaam en geest in evenwicht brengen. We vinden dan de eenheid van lichaam en geest. Hier gaat de auteur in op het volgen van de adem in het hele fysieke lichaam, in tegenstelling tot de concentratie op het puntje van de neus (zie mijn opmerkingen bij het boek Adem is bewustzijn, pp. 41-43). Het gaat de auteur niet om methoden die helpen vluchten uit de realiteit maar om het onder ogen zien en transformeren ervan! De titel van het soetra is samengesteld uit twee woorden, samatha-vipassana 'stoppen gadeslaan', 'kalmeren en verhelderen', 'concentreren en inzien'. 'Juiste concentratie' - samyaksamadhi - een fase van het 'Edele achtvoudige pad' - is: de problemen van het lijden en het bestaan onder ogen zien en transformeren; ze ontvluchten noemt de auteur 'onjuiste concentratie'.
De vierde oefening is tot rust komen. Als je moe bent, is het goed de deuren te sluiten en tot rust en tot jezelf te komen. Dat is één aspect van het leven, en van deze aandachtsoefening. Het andere is dat door zo weer contact met onszelf te krijgen, we weer in contact met het leven - ook 'buitenshuis'! - kunnen komen. Het heel zijn van onszelf is de basis voor ieder waardevol contact. We kunnen dan onze aandacht ook weer daarheen uitbreiden, zowel in als buiten de aandachtsoefening (die in het gewone leven voortgezet wordt). (55-58)
Vervolgens (58-66) enkele oefeningen om ons van onze lichaamshoudingen, onze lichamelijke handelingen en van delen van ons lichaam bewust te zijn. Het belang hiervan is dat we volledig in contact zijn met ons lichaam en geen scheiding tussen ons en ons lichaam ervaren; in het laatste geval blijft ons lichaam een vreemde voor ons. Een tweede belang is dat elk deel van ons lichaam de toegangspoort tot bevrijding en ontwaken kan zijn wanneer je gaat inzien dat ieder haartje of iedere cel of welk deel ook niet los gezien kan worden van het hele universum, en dat het universum zo begrepen kan worden. Dit laatste is ook het onderwerp van de achtste oefening, die de onderlinge afhankelijkheid van ons lichaam en het universum tot onderwerp heeft. Bij de negende is dat de vergankelijkheid van het lichaam (lijk). Zo ervaren we de kostbaarheid van het leven. “(De negen oefeningen) leren ons licht en fris te leven, zonder in gehechtheid en afkeer verstrikt te raken.” (66)
Dan maakt de auteur een uitweiding (67-73) om dit toe te lichten. Door ons van ons lichaam bewust te worden leren we het proces van geboorte en dood zien, het karakter van niet-zelf (vergankelijkheid) en onderlinge afhankelijkheid van ons lichaam (en van het hele universum). Zo leren we de drie fundamentele uitgangspunten van het boeddhisme: vergankelijkheid, zelfloosheid, onderlinge afhankelijk ontstaan. Zo worden ze ook direct in de aandachtsoefening verwerkelijkt. De negen oefeningen bevrijden ons, maken ons bewust van de dingen zoals ze zijn.
Boeddhisme voorstellen als een pad dat het leven ontkent en de wereld ontvlucht, is hetzelfde als beweren dat het doel van deze oefeningen zou zijn het niets te bereiken of de afwezigheid van leven. Voor de auteur gaat het er juist om de kostbaarheid van het leven te zien. De oefeningen leiden niet tot afkeer van het leven, maar tot het zien en ervaren van de vreugde en van het lijden ervan. En van het transformeren daarvan, zoals we nog zullen zien. Want de basis van ons lijden is volgens Boeddha niet onze gehechtheid maar onze onwetendheid, namelijk van het feit dat niets blijvend is ofwel alles voorbijgaand, veranderlijk. De ware aard van het leven houdt vergankelijkheid, zelfloosheid en onderlinge afhankelijkheid in: zij maken alles mogelijk, alle wonderen die we kunnen ervaren en kennen, maar ook brengen zij de tijdelijkheid van alles met zich mee. We hoeven noch aan het bestaan noch aan het niet-bestaan gehecht te zijn. Alle tegendelen die we in de werkelijkheid ervaren of onderkennen, veronderstellen elkaar en gaan permanent in elkaar over, via steeds nieuwe vormen. Er is ten diepste niets om 'eeuwig' bang voor te zijn. Boeddhisme is wel gepropageerd als het vernietigen van de begeerte, een sterk asketische opvatting. We kunnen het ook anders aanduiden: het pad van bevrijding is wanneer we (bijvoorbeeld) eten en drinken voor een sterk en gezond lichaam, en is daarmee in strijd wanneer we eten en drinken op een manier die ons lichaam en anderen doet lijden. De mooie dingen en wonderen van het leven genieten en op waarde schatten, kan begeerteloos plaatsvinden. Namelijk als we vrij blijven, ons er niet door laten vangen, er geen overwegingen bij hebben. En wel steeds blijven observeren (aandacht blijven geven). Vrede en vreugde mogen wij volop toelaten, en alleen als we er niet aan hechten zullen ze dat zijn.
De tiende oefening sluit daarbij aan: wonden helen door bewustzijn van vreugde (73-76). Daarbij leren we ook loslaten!
Vervolgens gaat de auteur over op het aandachtig observeren van de gevoelens en behandelt daarbij twee oefeningen (76-84).
De elfde oefening: het herkennen van gevoelens, impliceert dat we geen enkel gevoel ontkennen. Onze gevoelens dat zijn we zelf. Noch gehecht zijn aan gevoelens noch afwijzen van gevoelens, zijn de regels. Zo leren we ook gelijkmoedigheid, upekkha, een van de Vier onmetelijke verblijfplaatsen [van de geest] naast liefde, mededogen en vreugde.
De twaalfde oefening is het leren zien van de wortels van gevoelens, ongelooflijk belangrijk! Want we leren onderscheiden tussen oppervlakkige of schijnoorzaken en echte of diepere oorzaken, en dito gevolgen. Uiteindelijk zien we dat alles wat we nodig hebben om gelukkig te zijn, al in ons bezit is. Ook als we ons afgescheiden voelen van anderen en van het geheel, zijn we toch ermee verbonden. Alles is deel van elkaar. “Vrede, vreugde en geluk zijn vooral het gevolg van het bewustzijn dat we alles hebben om gelukkig te zijn. Zo is bewuste aandacht een heel belangrijk basiselement voor geluk. Als je niet beseft dat je gelukkig bent, betekent dit dat je niet gelukkig bent.” “Als onze ademhaling licht en kalm is (een natuurlijk gevolg van onze oefening), zullen ons lichaam en onze geest geleidelijk weer licht, kalm en helder worden …” Door onze gevoelens te herkennen en te erkennen brengen we ze tot rust. We leren oppervlakkige en diepere wortels ervan onderscheiden en waarin ze hun basis en rust vinden. Ook onze onaangename gevoelens en wijzelf zijn één. We moeten ermee in contact zijn en ze accepteren voordat we ze kunnen omzetten in heilzame vormen van energie die ons kunnen voeden - want dat kan nadat we ze erkend en ervaren hebben omdat we er dan 'vrij' (los) van zijn. Van onze onaangename gevoelens kunnen we ongelooflijk veel waardevols leren. We moeten ze mild behandelen, veel genegenheid bieden en met zorg omringen om ze te transformeren!
Dan het derde veld van aandacht: het observeren van de geest (85-89). Hieronder vallen de vele soorten mentale voorstellingen die de geest construeert, in dit boek vertaald als mentale constructies. Verschillende scholen hebben die onderzocht en opgeteld, en kwamen zo tot bijvoorbeeld 59, 50 of 51 verschillende. Als we aandacht (zelf ook in de geest opkomend uit de oceaan van alle onbewuste dingen, het diepe bewustzijn dat in de Vijñanavada-school alaya of 'voorraadbewustzijn' heet) geven aan een dergelijke constructie wordt die aandacht de vriend ervan die haar koestert en neutraliseert en vanzelf omvormt in een heilzame richting.
De bijbehorende dertiende oefening gaat over het oberveren van de begerende geest. We kunnen zo bijvoorbeeld leren onderscheiden tussen verlangen (begeerte) en geluk. Want voor wie genezen is, is het geneesmiddel niet meer nodig. “Waar geluk is een leven met weinig verlangens, weinig bezittingen en de tijd om te genieten van al de wonderen in en om ons heen, (88)” wordt de Boeddha geciteerd die in zijn leven geprobeerd had de vijf begeerten te bevredigen. “In waar geluk moeten de elementen vrede, vreugde en kalmte aanwezig zijn (89).” Heb ik goed en hoor ik hier een medicijn voor de opgekloptheid - het jagen achter de emotionele kick en het opheffen van iedere zogenaamde schaarste - van de Westerse maatschappij en cultuur, die zoveel vooruitgang in haar vaandel draagt en zoveel rusteloos nastreven van financiële toegevoegde waarde kent?
De resterende oefeningen betreffen, gezien de citaten uit het soetra, het vierde veld van aandacht, de objecten van de geest (de andere drie velden zijn met een apart kopje aangegeven, dat van het vierde veld ontbreekt duidelijk boven oefening veertien). Zij gaan achtereenvolgens over boosheid, liefde, onderzoek naar hoe dingen samenhangen en zich van elkaar onderscheiden, innerlijke constructies ofwel blokkades, het omvormen van onderdrukte innerlijke constructies, het te boven komen van schuld en angst, en het zaaien van vrede. Het zijn prachtige teksten. (89-128).
Het gaat vaak om heel simpele maar daarom niet minder belangrijke dingen (juist niet!). Zoals wat het constateren van het verschil tussen de aanwezigheid en de afwezigheid van boosheid aan inzicht oplevert. En hoe belangrijk het is om zonder (voor-)oordeel te observeren, sterker nog: met mildheid. Zoals een tuinman in het afval al het gewas, de bloem of de vrucht ziet dat uit het compost zal groeien, en omgekeerd in de bloem al het afval. Hij kent de wetten van de omzetting. Onze aandacht werkt net als zonlicht: het zorgt ervoor of draagt er toe bij dat gestaag alle processen voortgang vinden. Zo zien we dat ondanks welke aanleiding dan ook, boosheid een deel van onszelf en een veld van energie is. Dit veld van energie kan na waargenomen en erkend te zijn, omgezet worden in voedende energie, los van haar negatieve oorzaak of lading. Dat doen we door die lading los te laten die we er zelf aan hechten. Genezing vraagt hier altijd eerst om herkenning van de wortel van boosheid in onszelf, en van acceptatie ervan. En die laatste is er niet altijd zo maar, zij begint met neutrale, milde aandacht, onder ogen zien. Als dat er is, is er al iets van verandering begonnen. Door zo allereerst met onszelf bezig te zijn, zullen we ook anderen minder lastig vallen. Zij waren hoogstens een aanleiding of een middel voor onze onaangename gevoelens, niet de hindernis die ons van onze genezing afhoudt - want dat is de lading die we zelf toevoegen (89-97).
De volgende oefening behandelt liefde (metta of liefdevolle vriendelijkheid, welwillendheid) en mededogen (karuna), twee andere van de Vier onmetelijke verblijfplaatsen [van de geest]. “Liefde is het vermogen om vreugde te schenken. Mededogen is de macht om lijden te verlichten” is een klassiek gezegde. Invoelend vermogen is een belangrijke basis.
Het beschouwen en beoefenen van mededogen zal meebrengen dat we ons zelf veel beter voelen, zelfs het gevoel hebben dat we beschermd worden door alles en iedereen om ons heen. Dat geldt ook voor de mensen waaraan we daarbij denken. Na begonnen te zijn met fysieke ongemakken en lijden, kunnen we subtielere vormen onderscheiden zoals verborgen verdriet en dergelijke zaken. Zelfs kunnen we doordringen in het lijden van hen die ons doen lijden, en merken dat dat een wonderbaarlijk geschenk is. “We hebben geen twee personen nodig om verzoening tot stand te brengen.”
De beschouwing van liefde brengt net als die van mededogen veel vrede, vreugde en geluk. Volledig contact met onszelf krijgen we niet alleen door het observeren van lijden, we moeten dan ook openstaan voor de bronnen van vreugde, verschaft door alle mooie dingen en ervaringen. Mededogen en liefde zijn niet alleen bestemd om objecten van onze aandacht te zijn, het gaat ook om de verwerkelijking ervan in ons uiterlijk leven. Daartoe hebben we niet meer rijkdom en invloed nodig dan we nu hebben. Zij beginnen vanuit ons hart; en een enkel woord of een enkele gedachte of daad kan een wonder teweegbrengen. Begrip is de basis van liefde; dan vermijden we het soort liefde dat de ander - en uiteindelijk ook onszelf - meer kwaad dan goed doet (97-103).
De zestiende oefening maakt bewust van de onderlinge afhankelijkheid van alle dingen en wezens. Iedereen is daartoe in staat. Het is de weg naar het overstijgen van de grenzen van geboorte en dood (103-110).
De zeventiende oefening leert het ontstaan van blokkades in onze geest te herkennen, hier innerlijke constructies genoemd ofwel 'knopen' in onze geest (samoyana). De knoop onwetendheid of avidya (verwarring, gebrek aan helder inzicht) is de basis voor iedere andere knoop. We kunnen daarin ook onachtzaamheid, vergeetachtigheid, onoplettendheid horen. Ook merken we op dat dergelijke knopen ontstaan doordat we er aanvankelijk aangename gevoelens mee verbinden die dan in een later stadium - doordat we ons eraan zijn gaan hechten - omslaan in onaangename. In plaats van de knoop te ontwarren proberen we vaak een herhaling van het aangename gevoel te bewerkstelligen door telkens opnieuw het zintuigobject op te zoeken dat ons het eerste aangename gevoel bezorgde.
Vervolgens komen gevoelens van verliefdheid en verdriet aan de orde. Als we er goed mee omgaan kunnen we ze vanaf het begin gadeslaan en ze hun plek laten innemen zonder ons er aan te hechten. Net als bij haat, begeerte of twijfel kunnen we proberen te voorkomen dat ze te sterk worden en ons overheersen. Hoe vroeger in het ontstaan, hoe gemakkelijker dat is. Dit proces kunnen we ook met anderen delen en elkaar zo helpen (maar ook ongemerkt belasten). Door de wortels van de constructies te herkennen kunnen we ze loslaten en transformeren. (110-114).
Een speciaal geval zijn de constructies die we verdrongen hebben (afweermechanisme). Zo hebben zij zich vast in onze geest kunnen nestelen en een verborgen maar grote rol spelen. Allen via symptomen aan de oppervlakte zijn zij nog naspeurbaar. Zeg maar de neuroses en psychoses van de Westerse psychologie. Dit gebeurt vaak waar personen vanuit onmacht te zware verantwoordelijkheden op zich hebben genomen of gedwongen te grote lasten van verwerking hebben moeten dragen zonder zich te kunnen verweren. Hier helpt het wanneer we de patronen kunnen gaan herkennen die bepaalde gevoelens bij ons veroorzaken, gedrag van anderen of situaties die ons onbewust aan iets herinneren, enzovoort. Soms is de hulp van anderen hierbij erg welkom of zelfs onvervangbaar. Zo worden we bewust van de verborgen oorzaak, de onverwerkte constructie diep in onze geest. We kunnen weerstand hebben om deze gevoelens onder ogen te zien omdat we bang zijn voor het lijden dat we ermee verbonden zien. Toch is het onder ogen zien de enige heilzame weg, ook al is voorkomen beter dan moeten genezen in een later stadium. Het is dan ook erg belangrijk om dit onder de beste voorwaarden en omstandigheden te doen. De boeddhistische aandachtsoefening schept zelf een behulpzaam kader. Bewuste adem, zeer welwillende aandacht 'als die van een moeder voor haar kind', geen oordelen. De constructies zullen we na ze eerst gezien te hebben en hun wortels herkend en geaccepteerde te hebben, uiteindelijk kunnen omzetten in bruikbare, effectieve energie. Ons leven zal er diepgaand door kunnen veranderen. In plaats van onrust, angst en depressies kunnen we dan lichtheid en vreugde tegemoet zien. Niet het minst in onze contacten met anderen, in ons werk en onze verdere relaties (114-120).
Oefening negentien gaat over schuld en angst, erg boeiend. Spijt en berouw kunnen in het boeddhisme zowel een positieve als een negatieve rol spelen. Onze fouten uit het verleden kunnen we uitwissen door in het heden bewuste aandacht uit te oefenen, want bewust staande in het heden zijn we ook verbonden met het verleden, met onze voorouders en verdere familie. “Als we onszelf kunnen transformeren, kunnen we ook hen transformeren.” “Het heden aangrijpen om het te transformeren is de ongeëvenaarde weg om vrede, vreugde en bevrijding te geven aan hen die we liefhebben en de schade te herstellen die we in het verleden hebben aangericht.” Om te beginnen om de verlamming op te heffen die onze eigen schuldcomplexen ons bezorgen. Dat kan door echt in contact te zijn met onszelf, inclusief die complexen, en ze te erkennen en om te vormen. Het begint met er de verantwoordelijkheid voor te nemen. En vervolgens zelf uit die gevangenis te stappen.
Iets dergelijks geldt voor onze angst. Het inzicht in de zelfloosheid van alles, ook die van onszelf, brengt mee dat we van angst bevrijd worden. Het Prajñaparamita hartsoetra XXX is een aansporing tot onbevreesdheid. “Als we de onderlinge afhankelijke en zelfloze aard van alle dingen diepgaand onderzoeken, zien we dat er geen geboorte en dood is en overstijgen we alle angst.” “Een ontwaakt persoon blijft onverstoord, meestromend met de rivier van geboorte en dood.”
Eenzelfde iets geldt ook voor gevoelens van onveiligheid. Bijvoorbeeld van hen die uit hun jeugd vele innerlijke constructies hebben meegekregen door tirannieke ouders, verwaarlozing of uitbuiting, zelfs overladen worden met schuld. De aandachtsoefeningen zijn hier een prachtig hulpmiddel en een krachtige ondersteuning om een gevoel van zekerheid te ontwikkelen in het dagelijkse leven. Zeker als we vrienden hebben die met ons mee en wij met hen mee oefenen (120-123).
De twintigste oefening betreft het zaaien van zaden van vrede. Het hele soetra onderkent zowel de positieve als de negatieve, de heilzame als de onheilzame aspecten van bepaalde zaden in ons (onder-)bewustzijn. Maar de kiemen van beide aspecten dragen het tegenovergestelde aspect in zich. Dat geldt voor alles, tot en met lijden en vreugde. Door er contact mee te maken kunnen we het een in het andere helpen omzetten, in positieve richting. Dat is onze kunst, de boeddhistische 'alchemie'. Onze geest is het veld waar alle zaden gezaaid kunnen worden, wij met onze aandacht zijn als de tuinman die het proces probeert te begeleiden. Vreugde kan daarbij van buiten af komen maar ook vanbinnen uit groeien. Dan spreken we van vreugde (mudita) als een van de Vier onmetelijke verblijfplaatsen [van de geest]. Hoe kunnen we iets met anderen delen als wij zelf geen vreugde kennen? We moeten leren alle mooie dingen in het leven te waarderen, te beginnen met dat er iets is namelijk iets waaraan wij hier en nu deel hebben. Iets dat bovendien volop in wonderbaarlijk veelvormige verandering is, dat voortdurend opgaat, blinkt en verzinkt en dat steeds opnieuw. We kunnen altijd daarnaar terugkeren via onze bewuste ademhaling en die terugkeer naar onszelf versterken door dit met onze vrienden samen te doen. (123-128)
Bij al deze oefeningen en toelichtingen valt mij op de milde, vriendelijke, sterker nog uitdrukkelijk 'geweldloze' benadering van de levenswerkelijkheid door de auteur, door hem ontleend aan de boeddhistische traditie. Uitdrukkelijk geweldloos ten opzichte van ons lichaam, ten opzichte van onze geest en ten opzichte van alle verschijnselen, om te beginnen alle levende wezens, zover we maar kunnen zien en hanteren. Verder laat hij zien wat de kern van problemen is, en hoe we ze kunnen oplossen. Zonder omwegen. Ook de meer theoretische aspecten blijken volledig in het kader van de praktische toepassing te staan. Inzicht maakt gelukkig. Geluk is het hoogste aspect van inzicht. Geluk omvat ook het gelijkmoedig aanvaarden van tegengestelde aspecten van het heden in de wetenschap dat alles in verandering is en dat wij daar onze eigen unieke rol in spelen hier en nu. Een rol die ons gelukkig kan maken, want die niemand van ons over kan nemen. We kunnen hem wel aanvaarden en op ons nemen. En onszelf en anderen helpen op de weg naar inzicht, naar bevrijding en vreugde. Vanuit die allereenvoudigste eenvoud, en er in blijvend.
Ten slotte licht de auteur in een apart hoofdstuk enkele uitgangspunten toe voor de oefening van bewuste aandacht. (1) Alle verschijnselen (dharma's, dat wil zeggen objecten en inhoud van de geest) komen voort uit de geest, zeg maar dat ze opkomen vanuit ons individuele en collectieve bewustzijn. In de zuidelijke scholen van het boeddhisme, de oudere Theravada-richting, wordt het gezegde geciteerd: “en de geest is de oorsprong van de vormen”. Binnen het latere Mahayana-boeddhisme vinden we dit in de Vijñanavada-school. Waar het om gaat is dat het object van onze geest niet losstaat van het subject ervan, dus van die geest. “We observeren zoals onze rechterhand onze linkerhand pakt om één te worden.” (2) Aandacht voor een object houdt in: het doordringen en er één mee worden, het doordringen en transformeren. Zo brengt de bewuste ademhaling eenheid van alles en rust. We zien zonder vrees alles onder ogen. Zonder in welke uiterlijke begeerte of innerlijke knoop van onze geest dan ook gevangen te raken. (3) De ware geest en de misleide of verwarde geest zijn één. Zij komen uit elkaar voort. De ware aard van de dingen hoeft nergens elders gezocht te worden; de oefening is een kwestie van het omvormen van de misleide geest. In een vroeg geschrift is doelloosheid de basis voor verwerkelijking, in het Mahayana-boeddhisme is de leer van het niet-bereiken de hoogste uitdrukking hiervan. Wij hoeven niet uit deze wereld of ons lichaam weg te lopen, integendeel, bevrijding en ontwaakt inzicht komen er rechtstreeks uit voort. Nirwana (uitdoving, verlossing) en samsara (deze wereld, het rad van wedergeboorte) zijn één. Dit brengt gelijkmoedigheid mee. Het boeddhisme leert duidelijk dat we niet aan zijn noch aan niet-zijn gehecht moeten zijn, noch aan begeerte noch aan nihilisme ofwel aan verzaking. Van beide worden we bevrijd. (4) Deze opvatting van de non-dualiteit van de werkelijkheid impliceert geweldloosheid en niet-conflict. “Vrede en vreugde komen op wanneer we het onderscheid laten vallen tussen goed en slecht, tussen de geest die waarneemt en het lichaam dat waargenomen wordt (en als onrein wordt gezien), tussen de geest die waarneemt en de gevoelens die waargenomen worden (en waarvan we zeggen dat ze onaangenaam zijn).” “Wanneer we ons lichaam aanvaarden, er vrede mee sluiten, het tot rust laten komen en er geen afkeer van voelen, volgen we de leringen van de Boeddha.” “Bij de meditatieoefening veranderen we ons niet in een slagveld, waar het goede strijdt tegen het kwade.” Als onze meditatiehouding pijn veroorzaaktis er niets op tegen die te veranderen. "Er is niets mis met het veranderen van onze houding. We verliezen er geen tijd mee. Zoalang de bewuste aandacht wordt gehandhaafd, gaat de meditatie door." “Wanneer we in aandacht zijn, kunnen we de wortels van ons lijden helder zien en ze transformeren.” Ook onze gevoelens behandelen we geweldloos. We sluiten ze liefdevol in de armen van onze aandacht, en zo worden we rustig en evenwichtig. We kunnen de oefening van bewuste aandacht ondersteunen door eenvoudige rituelen. (5) Bewuste aandacht is niet indoctrinatie maar maakt gebruik van de eigen ervaring. Bewuste aandacht ontdekt uiteindelijk dat alle tegenstellingen worden overschreden, ook die tussen zuivere en onzuivere ervaring van het lichaam, van gevoelens, van de geest of van objecten van de geest. Zelfs lijden en geluk zijn onderling afhankelijk. Onbevooroordeelde aandacht leert ons wonderen ontdekken in de permanente verandering van alles (129-140).
17 oktober 2004
[Zie de opmerkingen vooraf bij deze collectieve bespreking.]
Dit kleine werkje over het Bhaddekaratta-soetra completeert de drie basiscommentaren van de hand van de auteur op drie basissoetra's die samen vanuit verschillende invalshoeken theorie en praktijk van de aandachtsoefening weergeven die de kern van het boeddhisme vormt. Ook dit boekje is een schoolvoorbeeld van de zorgvuldige en betrouwbare werkwijze van de auteur. Hij heeft de belangrijkste basisteksten verzameld en bestudeerd, met varianten en al, en licht een en ander toe met een frisheid waardoor we de kern van de zaken weer gaan zien. En dat laatste dan niet alleen zo dat het stof van de oude teksten geblazen wordt en we ze weer als nieuw lezen maar ook dat we zien wat de betekenis voor ons in deze tijd en in onze omstandigheden ervan kan zijn. Dit commentaar verdient het net als de andere twee in het Nederlands vertaald en uitgegeven te worden.
In de twee andere commentaren worden de thema's behandeld met als invalshoek de bewuste ademhaling respectievelijk de vier velden van aandacht waarop we de aandacht in de meditatieoefeningen kunnen richten. Zoals de titel al aangeeft, is de invalshoek in dit boekje het leven in dit moment, in het heden dus. De basis daarvoor is het soetra dat 'het kennen van de betere weg om alleen te leven' omschrijft.
Het basis verhaal is dit. Er leefde een monnik die alles alleen deed: mediteren, bedelen, alles. Dit bevreemdt de andere monniken in zijn woonplaats en zij vragen de Boeddha om diens commentaar. Nadat de Boeddha hen gevraagd heeft de monnik naar hem toe te laten komen leert hij allen: “I want to tell you that there is a wonderul way to be alone. It is the way of deep observation to see that the past no longer exists and the future has not yet come, and to dwell at ease in the present moment, free from desire. … This is called 'the better way to live alone'. There is no more wonderful way of being alone than this.”
Het uitgangspunt is het alles alleen doen van de betreffende monnik. En dit alleen doen nu krijgt in de mond van de Boeddha een uitleg die de betekenis van het 'alleen leven' pregnant verduidelijkt! In een andere versie van het verhaal gebruikt de Boeddha de volgende woorden:
“Do not pursue the past.
Do not lose yourself into the future.
The past no longer is.
The future has yet to come.
Looking deeply at life as it is
In the very here and now,
The practitioner dwells
In stability and freedom.
We must be diligent today.
To wait until tomorrow is too late.
Death comes unexpectedly.
How can we bargain with it?
The sage calls a person who knows
How to dwell in mindfulness
Night and day
“one who knows
the better way to live alone.”
In zijn uitleg van de teksten laat Thich Nhat Hanh zien dat 'de betere manier om alleen te leven' niet betekent dat men de gemeenschap, de maatschappij ontvlucht. Het gaat volgens de betere uitleg juist om leven in aandacht, en dat kan heel goed temidden van anderen. Sterker, in elke gemeenschap leven personen die zo zeer leven in aandacht dat zij zonder te spreken een belangrijke rol spelen - gewoon alleen al door hun aanwezigheid.
Deze aandacht houdt in dat men bevrijd is van gehechtheden. Zij leidt er ook toe dat we in werkelijk, diep contact zijn met onze omgeving, met de mensen en met de andere levende wezens en de dingen. Dit in tegenstelling tot de situatie waarin we niet lekker in ons vel zitten. Dan kunnen we beter eerst weer in contact met onszelf komen en ons uit het leven terugtrekken om daarna weer vol aandacht in te gaan op de wereld, in en buiten ons. Deze aandacht leert ons dat juist ook de details van wat we niet waarderen, wat ons niet aanstaat, een kern bevatten waar we van kunnen leren en die verandering ten goede kan inleiden of er de basis van vormen.
Aan het verleden zitten we vast als we het niet achter ons laten. Niet dat we er niet aan mogen denken of er van leren, integendeel. Het gaat er om dat we dat vanuit het heden doen en dat we ons niet laten overheersen door onze wijze van verwerking van het verleden, door middel van de voorstellingen die we ervan overgehouden hebben en de lading die we daaraan geven en die we koesteren. Het verleden en de toekomst - hoe veel meer omvattend wellicht ook dan wij ons bewust zijn - bestaan (voor ons - en voor alle anderen in verleden en toekomst geldt dat mutatis mutandis ook) alleen in en via de voorstellingen die we er hier en nu zelf van koesteren, dat kan niet anders, nooit niet! Sterker: “Only the present moment is real”. En er ons door laten overvallen kan en hoeft niet als we stevig in het heden geworteld zijn - en dat kan altijd, want die verworteling is de basis van ons leven. Ons diepste leven is altijd hier en nu. Samengevat: datgene wat ons aan het verleden bindt, zijn onze eigen mentale constructies waarvan 'onwetendheid' de meest fundamentele is, de kern van alle andere. En ze worden wel samengevat onder de naam 'verlangen' of 'begeerte' want dat is meestal de eerstgenoemde van de reeks. Gevangen blijven door het verleden betekent niet volledig present kunnen zijn in het heden! Daarom is het nodig onze mentale constructies te transformeren. Anders gezegd: door het heden te veranderen veranderen we ook ons verleden!
Wanneer we ons in laten palmen door onze beelden van de toekomst kan dat angst of dromerijen opleveren. We verliezen onszelf en ons bewust in het heden staan dan aan een toekomst die er nog niet is. Maar “All the Awakened Ones of the past have come to Awakening in the present moment. All the Awakened Ones of the present and the future will realize the fruit of Awakening in the present also.” Het is wel goed om aan de toekomst te denken en goed beleid te maken, maar de beste basis voor de toekomst ie die welke we nu leggen, en dat niet zonder stevig geworteld en gevestigd te zijn in het nu. Dat is onze enige verantwoordelijkheid. Als we het heden transformeren, transformeren we ook het verleden en de toekomst.
Wat het verleden betreft, speelt berouw hier een rol in. Berouw en boetedoening mogen ons niet gevangen nemen. Als we verkeerd gedaan hebben door onze mentale instelling, dan kunnen we dat ook transformeren door onze mentale instelling. Dan verdwijnt de schuld en wordt ons hart licht als een wolk; en we worden een bron van vreugde voor onszelf en anderen. Wat de toekomst betreft kan onze slaap een voorbeeld zijn. Wanneer we onze slaap laten wegnemen door onze bezorgdheid dan verliezen we het heden aan de toekomst en daarmee ook het fundament van die toekomst. Maar als we tot onszelf komen en ons over de kans op slaap verheugen, zullen we goed slapen en die basis wel leggen. Zo kunnen we omgaan met de giften van onze geest en de vergiftigingen van ons milieu. Door ze onder ogen te zien en ze te transformeren vanuit stevig in het heden staan, scheppen we geluk.
“Our appointment with life is in the present moment. The place of the appointment is right here, in this very place.” Alle lijnen van tijd en ruimte en welke dimensie dan ook, zijn minstens via het hier en nu met elkaar verbonden. Dat houdt in dat onze aandacht bij de dingen moet zijn die we doen. En wel zonder een gevoel van nog moeten aankomen. “We should not miss the appointment.” Ons ademen helpt ons direct bij onszelf komen, en in dit moment de eenheid van geest en lichaam te ervaren. Zonder ons helemaal mee te laten slepen door wat er nu gebeurt. Wel dringen we diep in de werkelijkheid van dit moment door, en ontdekken de vergankelijkheid en zelfloosheid van alles. Dit neemt onze vreugde niet weg maar bevordert wel onze gezondheid, ons evenwicht en onze vrijheid. Als we niet diep hierin doordringen, is dat de bron voor lijden. Wel doordringen is de bron van vreugde. We ontwikkelen dan ook begrip voor het lijden van onszelf en anderen, en beginnen te helpen waar we kunnen.
We zijn dan zonder vrees voor de dood, en zien dat er niets eeuwigs is dat we “ik” of “zelf” kunnen noemen. We hebben geboorte en dood overwonnen omdat we hun grenzen zien: er is niets anders. Dat impliceert de bevrijding ervan: zij zijn niets blijvends.
17 oktober 2004
[Zie de opmerkingen vooraf bij deze collectieve bespreking.]
“Volmaakt inzicht is prajñaparamita. Prajña betekent wijsheid, inzicht. Inzicht is als water, stromend in een rivier, in tegenstelling tot kennis, die vast en hard is en ons inzicht kan blokkeren. In het boeddhisme wordt kennis beschouwd als een hindernis voor inzicht. … Inzicht kan, net als water, vloeien en doordringen. Standpunten en kennis zijn vast en kunnen de weg tot inzicht blokkeren.”
Het soetra dat de auteur hier uitlegt, is de over de hele wereld door boeddhisten meest (dagelijks) gereciteerde tamelijk korte tekst die als samenvatting van inzicht en aansporing tot het (be)leven ervan geldt. De uitleg die hier gegeven wordt, is fenomenaal: buitengewoon inzichtelijk en praktisch.
Zonder het hele soetra en boekje te citeren noem ik enkele punten. Leegte, legt de auteur uit, is leegte van een afzonderlijk of vast zelf: noch mensen noch andere dingen hebben een onveranderlijke identiteit, zij bestaan alleen in onderlinge afhankelijkheid van alle andere dingen (zowel in het verleden als in het heden als in de toekomst). De auteur heeft hiervoor een eigen term bedacht: inter-zijn. Zijn uitleg hiervan keert in het boekje telkens terug en wordt erin verdiept, vanuit de actuele beleving en tot actuele verwerkelijking van het hoogste inzicht leidend. “We moeten onszelf niet opsluiten in begrippen. De waarheid is dat alles al het andere is” (p. 41). Ondertussen behandelt hij de betekenis van vele polariteiten of dualiteiten - en laat zien dat die om onze erkenning vragen, en om onze volledige doordringing - maar zonder dat we ons hoeven te forceren. Want we zijn al de eenheid die we 'zoeken'. Wel kunnen we ons oefenen in het ons ervoor openstellen. “Plotseling zag ik een wijsheid die veel op de wijsheid van het Hartsoetra leek. Je moet het leven zien” (p. 35). Op die vele polariteiten ga ik hier nu niet in, maar de auteur maakt ons duidelijk dat zij ons goed dwars kunnen zitten. En dus niet minder hoe wij ermee kunnen omgaan op een verlichte wijze, zodat we gelukkig worden, of beter: door de polariteiten te accepteren ermee een worden en de eenheid van oppervlakte en diepte in ons leven ervaren. Zodat we totaal van angst bevrijd worden, want dat is het grootste geschenk ervan, zegt hij. En ondertussen heeft hij dan bijna terloops ook nog de structuur van het soetra en vrijwel alle begrippen die erin voorkomen, helder uitgelegd.
Bij herhaling zegt hij dat het niet om filosofie gaat maar om doordringen in de werkelijkheid, er één mee worden en dan ervaren dat de werkelijkheid ons draagt in plaats van dat wij de werkelijkheid naar onze hand (macht, controle) of naar ons verstand (vooroordelen) menen te moeten zetten. Dat geldt voor geboorte en dood, voor lijden en vreugde, voor bereiken en niet-bereiken, ook voor de relatie tussen goed en kwaad waarover hij een prachtig verhaal vertelt over Boeddha en zijn tegenspeler Mara, dat ik hier niet zal verklappen. Dit boek gaat inderdaad over ontspannen leven, of zoals de schrijver van het voorwoord de auteur citeert die zegt: “Boeddhisme is een slimme manier om van het leven te genieten”. Een ook ernstig bedoelde opmerking, vermoed ik!
Samenvattend: als dit geen woorden van geleefde verlichting ofwel verlicht leven zijn, dan weet ik het niet meer! De auteur zou zeggen: precies, alleen gaat het niet om de woorden. Maar om het wonder van ons bewuste leven, ons bestaan als onderdeel van ofwel in verbondenheid met al het andere wat bestaat, in alle tegenstellingen en eenheid daarvan, een eenheid die - voor ons mensen - alleen in het beleven ervan tot zijn recht komt. De auteur ervaart het geluk ervan (ook al vergeet hij niet het lijden, de honger, het ongeluk, de armoede), waarom wij ook niet? De 'leegte' van de vorm omvat de optimistische boodschap dat alles voortdurend veranderen kan en verandert - in tegenstelling tot het vaak negatief uitgelegde “Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren”. Maar vergeet niet: ieder moment opnieuw, het is nooit af behalve in ieder nieuw moment. En woorden? Woorden en oordelen zijn dan nooit meer dan datgene waar ze voor staan; het zijn dienende onderdelen van het licht en geen instrumenten van dwang en verduistering. Ze zijn hun overmacht verloren en spelen hun rol in de harmonie. Wat lijkt dit op de ervaring en de boodschap van Jacob Boehme! Het bijzondere geheim van Thich Nhat Hanh is: adempauzes nemen en glimlachen, dus bewust deelnemen aan de wereld door middel van de adem, en in evenwicht raken, de gemoedsrust die niet samenvalt met ongevoeligheid maar waarbij iedere fase overstegen wordt naar een volgende en waarbij de pijn en de vreugde gedragen worden en ons zonder noemenswaardige inspanning van onze wil meedragen.
Een groot geschenk dit kleine boekje.
17 oktober 2004