Houden van wat er is: Citaten uit Vier vragen die je leven veranderen, Amsterdam (Forum) 2005-2e druk, 68pp.
Idem,
LOSING THE MOON: Byron Katie Dialogues on Non-Duality, Truth and Other Illusions: Edited by Ellen J. Mack, Venlo (EuroCenter for the Work) 1999, 164pp.
Vergeleken met de hierboven besproken uitgave met tekst en commentaar van Thich Nhat Hanh van hetzelfde soetra, vertoont dit boek van Mu Soeng enkele duidelijke verschillen, overigens niet of nauwelijks in boodschap. Het thema van het niet-dualisme wordt ook in dit boek goed en uitvoerig uitgewerkt, met veel aandacht voor de eindeloze afwisseling en combinatie van directe verwerkelijking en inzicht in verwerkelijking. Het commentaar van Thich Nhat Hanh is veel directer, persoonlijk aansprekend. Mu Soeng biedt een meer intellectueel aansprekende uitleg, althans in de zin dat hij meer achtergronden en betekenissen toelicht, ook op een uiterst heldere en prettige wijze. Mu Soeng maakt ook duidelijk gebruik van de Sanskriet versie van de tekst, en verantwoordt zijn keuzes duidelijk (secties 1, 22, 32). Thich Nhat Hanh baseerde zich net als Price (zie direct hierboven) op de Chinese versie al verschilt die niet overdreven veel van de Sanskriet versie. Het Engels van Mu Soeng is moderner.
Het meest belangrijke inhoudelijke verschil tussen beide uitgaven is dat Mu Soeng aan zijn commentaar en tekst een inleiding vooraf laat gaan op dit soetra en zijn achtergronden (1-68) die ik beschouw als een uiterst waardevol en compact overzicht van het boeddhisme en zijn geschiedenis. Dat zullen niet alle boeddhisten met mij eens zijn omdat veel niet aan de orde kan komen in zo kort bestek. Maar omdat hij alle belangrijke zaken in een historisch en inhoudelijk uiterst verhelderend perspectief aan de orde stelt, durf ik dit gedeelte aan te prijzen als niet geëvenaarde inleiding, zo ver mij bekend. Waarop men zich kan baseren voor verdere studie van verschillende aspecten of onderdelen. Vooral goed is dat de auteur laat zien hoe zowel het vroege boeddhisme als de verschillende latere ontwikkelingen zoals het Mahayana ingebed zijn in historische contexten en veranderingsprocessen die belangrijk zijn voor een goed begrip. Al die vormen waren zelf beïnvloed door hun voorgeschiedenis en omgeving en beïnvloedden op hun beurt de 'culturele marktplaats' (10, 15). In plaats van de bril van verabsolutering die binnen bepaalde stromingen uit begrijpelijke verering voor de eigen basisteksten al gauw wordt opgezet, krijgen we zo waardevolle perspectieven op oorspronkelijke motieven en betekenissen, die dan vervolgens later weer omgevormd of uitgewerkt zijn. Daarbij komt uiteraard wel naar voren dat dit Diamant soetra (met het Hart soetra) een belangrijke exponent van de Prajñaparamita of wijsheidsliteratuur van het Mahayana boeddhisme is die vooral ook in de latere Zentradities erg gewaardeerd werd en wordt.
Het tweede grote verschil is dat het commentaar van Mu Soeng veel uitgebreider is over historische en technische details dan het commentaar van Thich Nhat Hanh. Ik beschouw dit als een erg waardevolle aanvulling maar het doet niets af aan de waarde van het commentaar van Thich Nhat Hanh, integendeel, die gaat recht op zijn doel af en heeft die kennis mijns inziens verwerkt. Deze boeken spreken elkaar absoluut niet tegen, op één enkel expliciet door Mu Soeng aangegeven detailverschil in uitleg na op pp. 74v. Ik sluit echter niet uit dat juist hier de keuze van Mu Soeng teksthistorisch aanvechtbaar kan zijn, met andere woorden dat hij zich baseert op wat toch een latere toevoeging zou kunnen zijn die (juist daarom) niet in de Chinese versie terechtgekomen is! De andere verschillen hebben direct met het onderscheid tussen de Sanskriet versie en de Chinese versie te maken. Het is wel erg plezierig om te ontdekken dat die wetenschappelijke kennis aanwezig is en beschikbaar voor geïnteresseerden. Waardevol zijn behalve de vele verhelderende en inspirerende toelichtingen op gebruikte begrippen en op de contexten van vele betekenissen, ook de opmerkingen over de structuur van het soetra en de herhalingen die erin voorkomen (113-117, over het onderscheiden van een eerste - tot en met sectie 13 - en een tweede deel van het soetra).
Het boek bevat een uitgebreid en handig register alsmede een bibliografie.
Het belangrijkste van deze uitgave is het heldere beeld dat we krijgen van de spiritualiteit waaruit het Diamant soetra ontstond en waarmee zijn gebruik gepaard ging en waartoe dat leidde. Niet omdat spiritualiteit als zodanig waardevol is; dat is zij zeker ook. Maar met name omdat deze spiritualiteit bedoeld is om een middel te zijn - en niet meer dan dat - om onze visie te veranderen zodanig dat we onze weg kunnen vinden in de wereld van verschijnselen die ons onmiskenbaar een keer tot een existentiële crisis voert - tenzij we leren loslaten en dat is nu net waar het om gaat. Dat kan alleen als we het absolute referentiepunt vinden (shunyata of leegheid) - en leren dat we ook die leegheid mogen loslaten en daarom als het hoogste waarderen, zonder aan de naam te hangen. Want de werkelijkheid in al haar voorbijgaandheid en onstandvastigheid is ons altijd al weer vooruit, lijkt het wel. Totdat we ons er niet meer van onderscheiden. En daarbij gaat het niet om een louter intellectueel inzicht. Integendeel, we kunnen en moeten het intellectuele ook weer loslaten. Het gaat om met de werkelijkheid mee gaan - in steeds nieuw evenwicht tussen wijsheid en mededogen. Daarbij komt heel wat aan de orde! Een zeer rijk boek, informatief, subtiel en terzake.
10 november 2004
Ook heeft hij zich verdiept in de kennis van de spirituele werelden die vooral in moderne inwijdingstradities - vooral die van de antroposofie - en in het nieuwetijdsdenken aanwezig is. En daaruit vat hij samen wat past bij zijn uitleg, ook reïncarnatie (een opvatting die trouwens ook bij sommige van de oudste christenen werd aangehangen) en karma (in een aangepaste uitleg). Niet dogmatisch zoals dat soms in antroposofische en andere kringen gebeurt waarin de levende inzichten toch weer door navolgers gecanoniseerd worden, tot dogma's gemaakt worden waarin je zou moeten geloven. Nee, Stolp legt er nadruk op dat alles begint bij en afhankelijk blijft van de individuele spirituele ervaring. Wanneer iemand een spirituele ervaring heeft, een diepe menselijke ervaring heeft, zich bewust wordt van de spirituele werkelijkheid die met haar of zijn ervaring verbonden is, dan is die mens op weg, en kan zich oefenen in het verder openstaan voor die ervaringen, in het zich zuiveren van wat daarmee in strijd is. En kan ervaren hoe zij of hij daarbij geholpen wordt. Van de grote ideeën en voorstellingen die daarover de ronde deden en doen, pakt hij een belangrijke kern en vat die eenvoudig samen, eventueel zo aangepast dat het allemaal eenvoudig tot iedereen kan spreken. Geen ingewikkelde vragen, allereerst praktische inspiratie en oriëntatie.
Stolp is belezen, evenwichtig, zeer betrokken en bewogen, inspirerend en begenadigd praktisch in het overdragen van ideeën. Dit boek geeft in kort bestek zowel een duidelijke richting als veel inspiratie, en biedt daarnaast vooral veel uitleg en inzicht. Wie een eenvoudige samenvatting van de moderne christelijke esoterie wil lezen, kan hier uitermate goed terecht. Misschien zou je kunnen zeggen dat hij een piëtistische vorm van esoterie representeert, waarmee ik aangeef dat hij qua vorm en toon lijkt op de piëtistische traditie in de kerken van de laatste eeuwen, die op haar beurt het vervolg vormde van de vroomheid van de middeleeuwen. De vorm die dit aanneemt in de teksten van Hans Stolp, sluit beslist aan bij de geloofswereld van de traditionele kerken bij een waarvan Stolp vroeger jarenlang in dienst was, en waarin hij is opgegroeid. Daarover is hij ook duidelijk; hij maakt graag gebruik van een mooi voorbeeld uit een de kerkelijke liturgie als dat zo uitkomt. De toon van zijn teksten is herderlijk, betrouwbaar. Hij vermijdt ook heel sterk lezers tegen de haren in te strijken, of het moest zijn dat hij duidelijk is dat de weg van de inwijding beslist niet altijd de gemakkelijkste weg is. Want het is de weg van de groeiende zelfkennis, en die kan pijnlijke ontdekkingen opleveren. Ook is hij zich bewust dat er andere vormen zijn. Dat voor sommigen Boeddha de inspirerende figuur zal zijn en niet zo zeer Christus. Maar hij houdt het graag eenvoudig en overzichtelijk, en dat is waardevol. Al zullen mensen die meer filosofische of speculatief ingesteld zijn, of het wetenschappelijke naadje van de kous willen leren kennen, dan elders moeten zoeken.
Dit boek is bestemd voor wie de levende Christus (of welke levende ervaring van de spirituele werkelijkheid ook, want over de inhoud ervan kan alleen de ervarende persoon zelf achteraf informatie geven, en er zijn allerlei inhouden mogelijk) ruimte wil geven op de eigen levensweg - die dan inwijdingsweg blijkt te worden. En ingewijde worden heeft grote consequenties. En daarmee is dan niet bedoeld het vervangen van de levende ervaring door uitsluitend een steeds verdere detaillering van het inzicht. Zowel de ervaring als de inzichten kunnen groeien, natuurlijk ook verder dan die Stolp in dit korte bestek weergeeft. Maar er moet een relatie tussen inzicht en ervaring blijven.
Ik maak nog even een kanttekening bij de bijbeluitleg van Stolp. Het sterke ervan is dat hij inderdaad de originele esoterische betekenissen ruimte geeft. Een minder sterke kant is wellicht dat hij wel terecht de esoterische Jezus, de Christusdrager, naar voren haalt maar niet meer zoveel vertelt over de historische achtergronden van al die bijbelboeken uit al die verschillende historische perioden. Hij maakt mijns inziens in zijn bijbeluitleg een keuze voor vooral die aspecten van de tekst die esoterisch uitgelegd moeten en kunnen worden. Maar historisch gezien baseert hij zich dan misschien wel niet zo zeer op de historische Jezus van Nazareth die zich niet (op zijn Grieks) als Zoon van God betitelde, maar meer (op zijn Joods) als zijn profeet. Met andere woorden hij baseert zich meer op de latere canon dan op de historische werkelijkheid. Dat zijn verschillen die op keuzes gebaseerd zijn, misschien niet die van Stolp maar van de oude kerk. Keuzes die sinds het moderne historische onderzoek opnieuw te maken zijn. Stolp maakt die keuzes wel opnieuw als hij constateert dat het christendom van Paulus en van de nieuwtestamentische evangeliën een mysteriechristendom was, net als dat van diverse gnostische teksten die het niet gehaald hebben in de canon van het Nieuwe Testament. Dat beeld gebruikt hij terecht om zijn esoterische bijbeluitleg historisch te ondersteunen. Maar dat beeld was bijvoorbeeld toch nogal anders dan het beeld dat in de zeer oude en dus mogelijk authentieke Judese bron van het Thomasevangelie geschetst wordt. Daarin geen verlossing door een kruisdood maar een 'directe' spirituele verlichting die de mens bevrijdt! En een mens die niet alleen bevrijd wordt van geestelijke blindheid maar ook van alle gehechtheden aan bezit en voorgeslacht, en bevrijd wordt tot een nieuw zicht op de werkelijkheid van leven en dood. Maar dit nieuwe onderzoek - Stolp hield er in een latere lezing, te vinden in Prana 152, dec. 2005 / jan. 2006, pp. 26-34, ter gelegenheid van de presentatie van deherziene uitgave van de vertaalde Nag-Hammadigeschriften al rekening mee - hoeft niet als beperkend opgevat te worden, het biedt misschien juist nieuwe inspiratie.
Hans Stolp toont grote feeling voor en nadruk op de gelijke waardering van vrouw en man en daar steun ik hem graag in; het is een vaak moeilijk punt in godsdienstige tradities, zeker in de Westerse geschiedenis en vele andere culturen.
In het tweede boek behandelt Hans Stolp de figuur van Jezus' leerling Johannes. Hij behandelt daarbij het evangelie, de brieven en de openbaring op die naam als geschriften van een en dezelfde auteur. Dat is een hele stap want de historische wetenschap vermoed wel allerlei verbanden tussen diverse johanneïsche gemeenschappen waaruit die geschriften voortgekomen kunnen zijn en tussen hun auteurs maar toch niet direct dat dat allemaal precies dezelfde gemeenschappen, laat staat auteurs waren. Stolp spreekt in dit boek nog duidelijker vanuit een weten dat verder reikt dan dat van de meesten van ons. Althans hij legt beloften over de wederkomst van Christus zo uit dat zij direct op onze tijd betrekking hebben. En zoniet, wat zouden zij anders kunnen betekenen voor wie er een betekenis aan wil hechten? Ook weet hij dat er een nieuwe vorm van christendom groeit die zich zal herkennen in boeddhisme en hindoeïsme. Dat hoeft ons allemaal niet te verbazen. De ontwikkelingen gaan altijd door! Ook in dit boek maakt Stolp gebruik van elementen ontleend aan diverse tradities, onder meer weer de antroposofie van Rudolf Steiner - die zelf uiteraard ook al een verzameling was van vele elementen uit vroegere tradities. En heeft Stolp oog voor diverse aspecten van het “nieuwetijdsdenken” dat hoopt op een nieuwe tijd, New Age, waarin oude en nieuwe inzichten perspectieven opleveren voor een wereld en voor mensen die minder verdeeld en meer 'heel' zijn.
Ook dit boek bevat een zeer toegankelijke inleiding in esoterische bijbeluitleg, aanvullend bij het vorige. Opnieuw baseert Stolp zich op bekende nieuwtestamentische teksten en laat daar een helder licht over schijnen. Onder meer de boeiende figuur van Lazarus wordt uitgebreid belicht. In samenhang met Johannes'ontwikkeling tot ingewijde, onder andere via het meemaken van Jezus' levenseinde.
Waar het Stolp om gaat, lijkt mij duidelijk. Ook dit tweede boek over esoterisch bijbellezen is een hartstochtelijk pleidooi om wakker te worden voor een meer complete visie op de werkelijkheid, een visie waarin ruimte is voor de levende spirituele ervaring.
9 mei 2006
Intrigerend is deze tekst van Iamblichos nu voor mij vooral omdat zij een prachtige samenvatting vormt van waar het in een van de belangrijkste tradities van het Westerse denken om ging en om gaat. Meestal beperken de geschiedenisboeken daarover zich tot de filosofen Plato en Aristoteles die men als de voornaamste aanduidt. Maar vaak komt er niet veel terecht van het plaatsen van deze in hun oorspronkelijke context. In deze tekst en de buitengewoon verhelderende toelichting erop wordt die context juist heel goed duidelijk. En dat levert erg interessante inzichten op. Want het ging tegelijk om argumenten waarmee het denken en filosoferen hun plaats in de samenleving moesten verduidelijken en bevestigen. In dit boekje kunnen we dan ook een passage vinden waarbij Aristoteles het probleem aansnijdt dat intellectuelen in de maatschappij per definitie hebben. Hij maakt namelijk onderscheid tussen theorieën met praktische waarde en de meer algemene wijsheid. In onze tijd waarin vele deskundigen zo goed weten hoe precies de vork in de steel past op een detailgebied en weinigen het overzicht hebben om algemene dilemma's en problemen goed te verwoorden en oplossingen aan te bieden die fundamenteler zijn, is dit een relevante vraagstelling. De 'wetenschappers' uit die oude tijden waren trouwens vaak dezelfde als de denkers. Terwijl bij ons de nieuwe vakgebieden als paddestoelen de grond uit rijzen als er maar iemand brood in ziet. Brood dat vaak alleen op luchtkastelen gebaseerd is behalve dan voor degenen die met het verkopen van deze verhalen veel geld verdienen. Er was dus al heel vroeg een belangrijke traditie in onze cultuur die de eenheid van de verschijnselen bestudeerde en probeerde daar grondslagen uit af te leiden voor ons handelen en voor de samenleving.
Belangrijk is deze traditie ook omdat er veel elementen in voorkomen niet alleen uit de hoofdstromen van de Westerse filosofie (of zelfs uit de Westerse mystiek, zoals genoemd) maar ook uit een veel minder bekende traditie die van de esoterische stromingen, ook wel geestesscholen of mysteriescholen genoemd. Tegenwoordig wordt weer erg duidelijk dat die ook een grote invloed op het oudste christendom gehad hebben (en het als zijn concurrenten uiteindelijk van het christendom verloren in de strijd om aanhang onder grote groepen in de bevolking, onder intellectuelen en in de politiek). Maar hier gaat het om de samenvatting van die belangrijke traditie met veel van die elementen uit de tijd dat het christendom staatsgodsdienst aan het worden was. En het blijkt hier dat deze traditie - die zichzelf ook als school voor ingewijden zag, dus als een esoterische traditie! - een belangrijk punt van vergelijking vormt voor wat er in latere tijden en zeker ook in onze tijd aan esoterische tradities binnen het Westen heeft bestaan, zij het dat deze tekst van Iamblichos de oude termen en begrippen gebruikt op een manier die nog niet door de middeleeuwse scholastiek of het moderne rationalisme of de moderne taalfilosofie is beïnvloed. En zij het ook dat voor deze traditie de nadruk ligt op het denken en het schouwen en niet op gevoel en mythologie. Maar wel op intuïtie en mythen inzoverre die een samenhangend beeld opleveren waarmee we de doeleinden van het menselijk leven beter kunnen zien en er beter naar kunnen handelen. Zaken die in elke esoterische beweging - en eigenlijk ook in de latere Westerse religie en wijsbegeerte in hun vele vormen - belangrijk zijn (het minst wellicht waar wetenschappelijke specialisatie of andere eenzijdigheid de nadruk op grote lijnen heeft doen vervagen) of zouden moeten en kunnen zijn. Want altijd liggen er vragen naar evenwicht, naar rechtvaardigheid, naar wijsheid die boven het zuiver verstandelijke uitgaat en dat zou moeten omvatten en aansturen. Dat deze betrekkelijk onbekende tekst niet meer functioneert in het denken van tegenwoordig, geeft wellicht aan dat het tijd wordt om weer opnieuw aandacht te besteden aan die vragen, maar wellicht ook dat geen tekst voor alle tijden alle antwoorden kan leveren. Maar zij kan wellicht helpen onze vragen beter te stellen, onze theorieën beter te doordenken en uiteindelijk betere houdingen te vinden om aan te nemen, en denkbeelden te ontwikkelen over wie wij zijn, wat wij kunnen weten en hoe wij moeten handelen.
De tekst is uiteraard om nog veel meer redenen interessant. Zij kan helpen het beroemde werk van Ploteinos, De Enneaden (zie mijn bespreking van enkele inleidingen in en de Nederlandse vertaling van dit werk), en andere geschriften uit de oudheid beter te begrijpen. En voor studenten van de klassieke filosofie en vakspecialisten op dat en op verwante gebieden is dit natuurlijk ook een buitengewoon interessante uitgave, alleen al door de zeer toepasselijke commentaren die buitengewoon veel inzicht en doorzichten bieden. Het is een groot genoegen de vele noten te lezen waarin aandacht besteed wordt aan taal- en vertaalaspecten zoals variante woordbetekenissen en stijlvormen met hun consequenties, evenals aan de bronnen van woorden en hun betekenis.
Ik heb de intuïtie dat dit geschrift een typisch voorbeeld is van de problemen waarmee de mensheid worstelde toen zij van matriarchale culturen overstapte op patriarchale. Waarmee ik gemakshalve aanduidt dat in plaats van een orde die gebaseerd was op de periodiciteit van de seizoenen, van de vruchtbaarheid van het land en van de vrouw en van de maan (en waarin de mannen in het algemeen een daaraan gerelateerde functie hadden), een orde ontstond die zich baseerde op geschreven teksten, op logisch denken en recht (en waarin vrouwen meer en meer ondergeschikt raakten aan de hiërarchie met mannen aan de top, die hierdoor in het leven werd geroepen). Die verandering bracht het probleem mee hoe dit waardevolle sturende intellect en de verdere zich nu van de natuur onderscheidende cultuur zich nog verhield tot de 'oorspronkelijk natuurlijke' verhoudingen. Een probleem dat nog steeds speelt, zelfs heel actueel. Namelijk in het waarderen van de verhouding tussen technische macht en ingrijpen in de natuur. En in het waarderen van spontaneïteit en intuïtie ten opzichte van rationaliteit en wetenschap. En bij dat alles in de manier waarop we erover spreken. Want met grote woorden als wetenschap, religie, politiek, staat, kerk enzovoort komen we er misschien niet meer uit als die alleen verwarring scheppen of voortzetten in die verhoudingen. Deze tekst gaat over inzicht en handelen van mensen, en stelt aan de orde hoe die het beste kunnen groeien. Wellicht is het belangrijk om er goed gebruik van te maken, al was het alleen al door onze eigen wijzen van denken en spreken er naast te leggen. En aan zelfkritiek te doen. Al is ook dit geschrift geen lijstje van actuele toepasbare voorschriften. De zaken die in onze tijd spelen verdienen het daarbij onze uiteindelijke focus te zijn. Verhoudingen met andere culturen spelen daarin een rol. Laten we daarbij niet vergeten dat de auteur een Syriër was die na zijn leertijd in het Westen zelf een of meer scholen stichtte en onderwijs gaf in zijn geboorteland waarnaar hij teruggekeerd was.
De vertaalde tekst van Iamblichos' geschrift Aansporing tot de filosofie met uitvoerige annotaties in noten onderaan de bladzijde wordt voorafgegaan door een inleiding. Hierin worden naast de belangrijke gegevens over de auteur en een eerste indruk van het vertaalde werk op heldere wijze de historische begrippen uitgelegd die de achtergrond van het werk vormen en in de vertaalde tekst en de annotaties terug zullen komen. Het hele boek - inleiding met literatuurverwijzingen, vertaling met annotaties, register - maakt een buitengewoon goed georganiseerde indruk. De vertaler / inleider spreekt vanuit een groot overzicht en vanuit grote detailkennis, die prettig wordt gepresenteerd. Ik ben geen vakspecialist maar de wijze van werken geeft mij veel vertrouwen, daaronder ook de weergave van de namen die rekening houdt met de herkomst uit het oorspronkelijke Grieks. Er is naar originaliteit gestreefd. De vakwetenschappelijke literatuur wordt geciteerd zonder commentaar, wat betekent dat de vertaler / inleider liever verschillende meningen van andere deskundigen citeert dan zijn eigen voorkeuren aan te geven. Dat is wellicht jammer, maar het biedt ook alle lezers de kans zelf verder te studeren in de aangegeven bronnen.
In hoever er selectie van feiten heeft plaatsgevonden, kan ik niet zelf nagaan. Jammer is misschien dat weinig aandacht wordt besteed aan enkele relevante grote maatschappelijke ontwikkelingen in de hele periode die aan de orde komt. De aangeprezen idealen waren in die periode immers nieuw en passen binnen de opkomst van een patriarchale cultuur, als ik het goed zie. In ieder geval is altijd interessant hoezeer filosofie of opvattingen in het algemeen verwant zijn met de maatschappelijke omstandigheden waarin zij opkwamen of functioneerden of veranderden of verdwenen, kortom met de concrete levens en idealen van mensen.
19 mei 2006