Leren over liefde: Praktische notities van een zenleraar: Geautoriseerde vertaling door Aleid C. Swierenga, [=vert. van Teachings on Love, 1998, 2004; bevat noten,] Utrecht/Antwerpen (Servire) 2004, 192pp.
Idem,
Omarm je woede, [=vert. van Anger, 2001; met vier Appendices,] Rotterdam (Asoka) 2003, 214pp.
Idem,
Geen dood en geen vrees: Bemoediging en wijsheid voor de levenden, [=vert. van No Death, No Fear, 2002,] Utrecht/Antwerpen (Servire) 2004, 192pp.
Peter van Soest,
Psyche en werkelijkheid: Perspectieven en grenzen van C.G. Jungs visie, Venlo (eigen uitgave) 2004, 213pp. (A4-formaat)
Tahar Ben Jelloun,
De schrijver: Roman: Uit het Frans vertaald door Maria Noordman, Breda (De Geus) 2000, 187pp.
(1) De auteur wil graag dat zijn lezers goed thuis blijven in hun eigen tradities, bijvoorbeeld die van hun eigen cultuur en religie, bij ons dus vaak christendom of islam of jodendom (het moderne atheïsme vindt hij een afwijking vermoed ik, in de zin dat hij cultuur en religie een gezonde verbinding vindt; in ieder geval betreurt hij het dat zoveel mensen in onze Westerse samenleving van hun religieuze en culturele wortels - en hun familie - vervreemd zijn). Maar daarmee is een fundamenteler probleem niet opgelost, namelijk dat veel mensen cultureel gesproken op drift zijn in onze samenleving. En dat dat niet alleen hun keuze is maar ook veroorzaakt wordt door factoren buiten hun macht, zoals (soms gedwongen) economische migratie (denk ook aan werkloosheid), discriminatie, mislukte of in ieder geval slechte politieke maatregelen. Het oplossen van deze problemen vergt dus ook een politieke visie. De auteur heeft er aandacht voor dat ook politieke bewegingen altijd te verdelen zullen zijn in pro en contra en ziet de onvermijdelijkheid en zin van dat spel in. Maar verder beperkt hij zijn aandacht hier en in andere boeken vooral tot algemene punten, zoals de vrede en het milieu. Daarmee raakt hij wel kernpunten maar tegelijk beperkt hij zijn blikveld omdat hij deze thema's vooral benadert vanuit het perspectief van persoonlijke verandering van individuen en niet van dat van de machtspolitiek van de politieke leiders en bewegingen. Een visie op deze laatste is in het boeddhisme ook nooit erg ontwikkeld geweest (hierover is meer te vinden in een kort overzicht van de visies op 'rechtvaardigheid' in het boeddhisme en in de joodse en christelijke tradities). De auteur spreekt over de huidige samenleving een aantal keren in termen van diepe malaise. Wanneer wij op de weg die in deze boeken en door deze auteur wordt gewezen verder willen gaan, zullen wij een nieuwe visie moeten ontwikkelen op onze politieke situatie en het gebruik van politieke middelen. Want zonder meer de huidige machten aan de macht laten, is mijns inziens te gevaarlijk, politiek bewustzijn is heel belangrijk. Het valt niet te ontkennen dat innerlijke verandering een voorwaarde is voor iedere verandering. Dat neemt echter niet weg dat we tegelijk aan uiterlijke structuren kunnen werken en ook moeten werken, willen we niet zonder structuren hoeven te leven. Spirituele verandering kan materiële verandering niet vervangen, al vormt het eerste de kern van het laatste, en kan het laatste evenmin zonder het eerste. En bovendien zijn er in onze eigen Westerse traditie juist vele visies op politiek ontwikkeld - zoals de waarde van democratie, maar ook vele andere ideeën en ideologieën - waarvan we in de ontmoeting tussen het boeddhisme en het Westen met zijn Westerse culturele en religieuze tradities opnieuw de betekenis en de vormgeving kunnen uitwerken en beproeven (denk ook aan de verhouding van kerk en staat, en de aandacht voor sociale rechtvaardigheid in jodendom en christendom, en voor vrijheid, gelijkheid en broederschap in het moderne denken over de verhouding van burgers en staat). Niet dat de auteur deze zaken in dit verband allemaal aan de orde had moeten stellen, maar zij spelen zeker een belangrijke rol als het gaat om de ontmoeting tussen ons Westerlingen en het boeddhisme, wanneer die voortschrijdt - wat ik hoop en verwacht. Vooral omdat het gaan van de spirituele weg niet betekent dat we uit deze wereld weggaan maar er een positieve rol in spelen. Daarom is onmisbaar dat we die wereld zo goed mogelijk verzorgen, ook materieel, zodat er evenwicht heerst, vrijheid, ontplooiingsmogelijkheden, medische zorg, en geen onderdrukking, onrecht, en erger. Dat is geen voorwaarde voor spiritualiteit maar de enig mogelijke verwerkelijking ervan. Als we een bloem willen laten bloeien, moeten we ook voor de voeding, de stengel, de bladeren, de grond en de verdere omgeving zorgen! Zonder van de bloei en van de zorg een absolute tegenstelling te maken overigens, net zo min als van spirituele kern en materiële omtrek …
(2) Zoals de auteur zelf al aangeeft, is er in de grond geen verschil tussen leken en geestelijken bij het realiseren van de boeddhistische spiritualiteit. De thema's en lessen die in deze boeken aan de orde komen, zijn toepasbaar voor beide groepen. We zijn in de eerste plaats allemaal mensen en kunnen altijd vrienden voor elkaar zijn zegt de auteur terecht. Maar het is goed te weten dat leken en geestelijken in de Aziatische samenlevingen een andere relatie tot elkaar hebben dan in de onze. Hier onderhouden geestelijken meestal zichzelf, terwijl in de boeddhistische traditie geestelijken (monniken en nonnen) eigenlijk van bedelarij leven. Voor vele geestelijken in Azië geldt dit overigens niet: zij onderhouden zich zelf en bedelen niet. En omgekeerd geldt voor vele boeddhistische monniken en nonnen in het Westen hetzelfde: zij zijn economisch zelfstandig ten opzichte van leken, niet direct afhankelijk. Ik wijs op dit punt omdat het samenhangt met de spirituele en ethische eisen die in het Oosten voor boeddhisten duidelijk verschillend zijn voor beide groepen. Zoals in het Westen rooms-katholieke monniken en nonnen extra de geloften van gehoorzaamheid, seksuele onthouding en materiële armoede afleggen, leggen boeddhistische monniken en nonnen buiten de algemene regels voor boeddhistische ethiek (de vijf voorschriften) nog een aantal andere af. En bovendien is het zo dat deze geestelijken - in West en Oost - vaak in aparte groepen bij elkaar leven zodat zij elkaar kunnen inspireren op het spirituele en het ethische pad. Misschien is het mijn protestantse achtergrond, maar ik ben altijd een beetje beducht voor elitarisme: ik stel graag voorop dat religieus bewustzijn altijd en overal in alle omstandigheden mogelijk is, en dat leken in dat opzicht even veel aandacht verdienen en even goed mee tellen als zij die van de spirituele en ethische weg hun dagelijks werk maken - dat laatste kan even goed voor elke leek, elk moment, in elke omstandigheid. Waarom zeg ik dit? Omdat het voor Westerlingen niet nodig is om een in een aparte groep levende bedelmonnik te worden als men de boeddhistische inzichten erkent en beoefent. (Wat niet wil zeggen dat het leven in een aparte groep van gelijkgezinden niet van veel waarde kan zijn, tijdelijk of permanent. Al zal men dan altijd zich af moeten vragen of men nog midden in de maatschappij staat.) Maar het wel goed is zich af te vragen of men de psychologische inzichten betreffende liefde en relaties en de andere thema's in deze boeken niet het beste kan inbedden in de beoefening van de dieper gaande of verder strekkende boeddhistische inzichten die er in deze boeken achter zitten. Maar dan komt men wel vragen tegen die verder gaan dan de meer oppervlakkige psychologie van het schouderklopje en het warme psychologische bad hoe lekker ook. Bijvoorbeeld de vraag of men niet af moet gaan zien van het gebruik van roesmiddelen, niet alleen de erkend verslavende maar ook de minder erkend verslavende zoals alcohol. Want dat wordt van lekenvolgelingen van de Boeddha gevraagd. Tegelijk is het duidelijk dat het gebruik van alcohol - hoewel een zeer groot maatschappelijk probleem - zo algemeen aanvaard en buiten discussie is in het Westen dat hier zeker sprake is van een rechtstreekse oppositie tussen de maatschappelijke gewoonten in het Westen en de aanwijzingen van de Boeddha. We moeten de Boeddha hier dankbaar voor zijn maar het spreekt vanzelf dat het alcoholgebruik niet zo maar uit onze omgeving verdwenen is en dat we ook niet van iedereen kunnen vragen te doen alsof wij niet met zo'n alcoholgebruik aanvaardende omgeving te maken hebben. Hier is voor iedereen werk aan de winkel.
(3) De boeddhistische kijk op het ontbreken van een vaste identiteit van alle dingen en levende wezens en van de werkelijkheid in haar geheel is niet in tegenspraak met het feit dat de werkelijkheid en de levende wezens en de dingen zich manifesteren als verschijnselen met zo'n identiteit. Alleen is die identiteit dus niet onvergankelijk maar voorbijgaand. Onze persoon is niet die van twintig jaar geleden en zal over twintig jaar niet die van nu zijn. Iets wat ook in rechtszalen een rol speelt, want hoe kun je iemand verantwoordelijk houden of straffen voor wat zij of hij misschien niet kan of had kunnen weten? Hoe weet je of iemand 'bij zijn verstand' is en 'de gevolgen van haar of zijn daden werkelijk volledig overziet of overzien kan'? Maar wel hebben we zo'n identiteit en het bijbehorende ondersteunen ervan door een stevig - tijdelijk! - 'ego' hard nodig: het is goed om eerst goed voor ons zelf te zorgen voordat we de zorg voor anderen op ons nemen, dat is een natuurwet die we niet moeten veronachtzamen. De auteur geeft dit zelf ook aan, het is een niet onbelangrijk punt in het begrijpen en vertalen van de boeddhistische kerninzichten in de context van onze Westerse cultuur die in de moderne psychologie, evenals in de oudere psychologieën van onder andere het christendom en van de alchemie veel aandacht aan de ontwikkeling en verandering van het ego en de identiteit besteedde. En terecht - al kan onze Westerse psychologie ook veel leren van het boeddhistische kerninzicht van de zelfloosheid of voorbijgaandheid van ook het ik en van onze identiteit. Als het ego en de identiteit aandacht verdienen, dan verdienen zij die als eindige patronen in permanente verandering.
(4) Soms denk ik bij deze teksten wel eens dat de positieve veranderingen die de auteur mogelijk acht en aanprijst als de gevolgen van de oefeningen die hij aanbiedt, zich misschien niet zo gauw en zo 'automatisch' zullen voordoen als hij suggereert (het woord automatisch is een beetje misplaatst in dit verband: de auteur zegt alleen - maar dat wel - dat de effecten na korte en zeker na enige tijd zeker zullen optreden). Wij kunnen de werkelijkheid immers niet naar onze hand zetten? Achter deze bedenking schuilt echter een misverstand waar de auteur in andere boeken wel op is ingegaan (hier nauwelijks expliciet) namelijk dat er een objectieve werkelijkheid buiten ons zou bestaan, los van ons bewustzijn. Dat is (ten diepste) niet zo! Althans, er is meer dan de werkelijkheid die de natuurwetenschap onderzoekt en waarvan de technologie gebruik maakt. Deze laatste werkelijkheid voegt zich naar de wetten en regels die in een bepaald bereik gelden, en maakt daar handig gebruik van. Maar zelfs de natuurwetenschap weet wel dat dat alleen binnen een bepaald bereik zo is, en dat daarbuiten weer andere wetten en regels gelden, en even goed dat die werkelijkheid en die wetten en regels niet los staan van ons bewustzijn ervan ofwel ons onderzoek ernaar ofwel onze bemoeienis ermee. Als je net als de auteur er van uitgaat dat alles ten diepste veranderlijk is en geen vaste identiteit heeft, en dat alles van andere dingen afhankelijk is, manifestatie is van invloeden die voorbij gaan, dan is er voor de positieve veranderingen die hij mogelijk acht meer basis dan wij met onze reserves ten aanzien van het naar de hand zetten van de werkelijkheid mogelijk achten! Want zijn oefening is een worden met die zelfloosheid, met het punt nul zoals hij het ergens noemt, iedere keer opnieuw, en ons niet vereenzelvigen met welke manifestatie dan ook. Want, zegt hij, wij zijn ten nauwste verbonden met al die achtereenvolgende manifestaties en we hoeven er niet nog eens extra ideeën of gevoelens of gehechtheden aan toe te voegen. Door ze los te laten kunnen we er mee mee gaan en het geluk hier en nu vinden. Door de ongemakken van het bestaan heen, zelfs door dood en sterven heen - die juist de voorwaarde zijn voor steeds nieuwe manifestaties. We zien dan ook in het voorbijgaande het wonder.
(5) In de context waarin het boeddhisme ontstond waren reïncarnatie en karma vanzelfsprekende voorstellingen, die door het boeddhisme niet werden afgeschaft. Het boeddhistische kerninzicht van de zelfloosheid van alle verschijnselen, in ieder geval van de mens zelf, betekende natuurlijk een tegenspraak met de gedachte van de reïncarnatie: er is geen kern van identiteit die terug kan komen. Wel keren 'we' terug in de vorm van de andere verschijnselen waarin we overgaan. En er zijn zeker ook patronen aan te wijzen van bovenindividuele, collectieve of culturele, overerving. Maar wij kunnen als tijdelijke individuele identiteit geen verantwoordelijkheid dragen voor dingen die wij (nog) niet kunnen begrijpen of niet kunnen beïnvloeden, alleen voor wat wij wel begrijpen en kunnen beïnvloeden - alleen bestaat de wonderbaarlijke mogelijkheid dat ons bewustzijn kan groeien en dat we ons kunnen instellen op het positieve, en dat is ook een verantwoordelijkheid!
Ik noem reïncarnatie en karma hier omdat zij een discussiepunt zijn voor boeddhisten, zeker sommige in het Westen. Hoewel de auteur in deze boeken nauwelijks naar deze discussie verwijst, meen ik te hebben begrepen dat hij stevig staat op het fundament van de inzichten van zelfloosheid, onderlinge afhankelijkheid en vergankelijkheid van alle verschijnselen, en dus van hun eindeloze mogelijkheden die blijken uit de eindeloze voortgang der manifestaties. En dat hij reïncarnatie om die reden niet als een groot probleem ziet, eerder als een groot wonder van verbondenheid: we gaan over in iets anders, alles is nu al met ons verbonden. Dat zien we als we onze ogen goed openen. “Je hoeft niet te wachten tot je lichaam uit elkaar valt om de reis van de wedergeboorte te ondernemen.” (Geen dood en geen vrees, 123 vgl. 127vv.!) De auteur gelooft wel in onze persoonlijke mogelijkheid van bewustwording en beïnvloeding in zo ver we mee doen aan die veranderingen en er op inspelen. We kunnen ons bewustzijn en ons inzicht vergroten en zo een waardevolle schakel in het geheel vormen. Maar daar kunnen we geen pretenties aan ontlenen want degenen die alles verkeerd doen, zijn even onmisbaar als degenen die alles goed doen, omdat de laatsten evenmin zonder de eersten kunnen bestaan als omgekeerd. Dat het ononderbroken om echte oefening blijft gaan, omschrijft de auteur ergens zo: “Om de boom van onze verlichting in staat te stellen te groeien, dienen we verstandig gebruik te maken van onze aandoeningen, ons lijden. … Een lotusbloem kan niet zonder de modder waaraan ze ontspruit.” (Omarm je woede, 157).
(III) Dan nu de afzonderlijke boeken en hun thema's. (Daarna bij punt (V) nog iets over de algemene aspecten die in de boeken steeds terugkeren.) Ik geef geen samenvatting maar noem of becommentarieer onderdelen die mij bijzonder troffen.
Het boek Omarm je woede gaat over hoe je met je boosheid kunt omgaan, en met emoties in het algemeen, en hoe je beter kunt communiceren met jezelf en anderen. De basis is vrijheid, maar je moet bereid zijn ook echt te oefenen in ander denken en ander gedrag anders helpt een scheutje boeddhisme niet. Vervolgens besteedt de auteur aandacht aan het helen van het gewonde kind in ons, aan het je verzoenen met een ander (of wederzijds), aan het vertrouwen op de helende energie die we allen in ons hebben, en die ons vrijmaakt om uit te komen voor wat we voelen en denken zonder ons zelf of anderen te kwetsen. Echt met compassie luisteren houdt in dat je het analyseren op de tweede plaats stelt en alle aandacht geeft aan wat de ander op haar of zijn hart heeft. Om verkeerde energieën - zoals krachtige boosheid - om te kunnen zetten is het onmisbaar dat we ons zelf zoveel mogelijk wortelen in positieve ervaringen en energieën. Bijvoorbeeld door op te schrijven wat je aan dankbaarheid voelt jegens een ander, of een positieve ervaring die je inspireert; de auteur noemt dit het opschrijven van je eigen Hartsoetra (nota bene het belangrijkste soetra dat dagelijks gereciteerd wordt, zo 'nodig' heb je het dus of zo belangrijk is het dus voor je!). Om vrede te kunnen sluiten met anderen - op wie je nog steeds woedend bent - is het nodig eerst vrede te sluiten met jezelf.
In wezen moeten we goed voor onze boosheid leren zorgen! Op den duur zal de negatieve lading er van af gaan. Als emoties met een bepaalde lading uit ons onbewuste naar boven komen en ons bewustzijn gaan beïnvloeden, kunnen we er tegen glimlachen, ze met compassie tegemoet treden en omarmen, en wanneer ze dan weer terugzakken in ons onbewuste zullen ze de volgende keer een geringere negatieve lading hebben. Omgekeerd doen we er goed aan positieve ladingen te stimuleren, aan te wakkeren, te vergroten. (Omdat wij geen permanent zelf hebben, en verandering altijd plaats heeft, is deze mogelijkheid geen illusie. We moeten alleen niet doen alsof we niet ook altijd in de wereld van de tegenstellingen leven (ook: want we kunnen echt in het hier en nu gelukkig zijn, altijd). Alle nare momenten, alle ongeluk, alle eindeloze verandering, is toch de wereld waarin we ieder moment gelukkig kunnen zijn. We mogen beginnen met niets in ons zelf en buiten ons zelf te ontkennen of buiten te sluiten, tegenstellingen te erkennen en er compassievol mee om te gaan. Door negatieve zaken te erkennen blijft het lijden kleiner dan door tegenstellingen te scheppen of ons vast te klampen aan gehechtheden of ideeën. En als we sterk genoeg leren zijn (leren ontdekken te zijn), dan kunnen we helpen met het negatieve in positieve zin om te buigen, beetje bij beetje, steeds opnieuw. Misschien wel een eindeloos geluk.) Iemand als Mahatma Gandhi vocht niet tegen mensen maar tegen neigingen. Hij leefde vanuit non-dualiteit en bestreed de neiging om anderen te onderdrukken, dus om een tegenstelling te verabsoluteren. Mensen met compassie moeten eerst leren goed met zichzelf om te gaan, zeker politici, politiemensen, rechters, gevangenisbewakers, soldaten - omdat zij oog in oog komen te staan met lijden van anderen en van zichzelf. Politiek bedrijven en problemen oplossen in de maatschappij - juist ook grote conflicten - vraagt in de eerste plaats goed luisteren, iets wat te weinig gebeurt voordat de bommen worden geladen en gestuurd - achteraf gezien.
De auteur omschrijft het omzetten van negatieve ladingen van emoties in positieve op verschillende wijzen. Bijvoorbeeld als het geven van water aan bloemen of aan zaden, en als het omzetten van negatieve gewoonte-energie in vrije energie of positieve gewoonte-energie. In de boeddhistische psychologie heten gewoonte-energieën ook wel interne of innerlijke formaties, knopen of blokkades. Zowel negatieve als positieve gewoonte-energieën kunnen ons en onze vrijheid belemmeren (154). (Dit laatste is een punt wat we kennen als we aan rituelen denken: zij kunnen een geweldige steun zijn om emoties te kanaliseren maar ook een hindernis als zij krampachtig gehandhaafd worden terwijl zij niet meer kanaliseren en dus hanteerbaar maken maar voornamelijk beknellen.) De auteur wijst er terloops op dat het ventileren van woede op een kussen in plaats van op een mens wel aangeprezen wordt, als uitlaatklep, maar dat dit gevaar loopt een negatieve gewoonte te worden van herhaalde agressieve uiting: de agressie wordt in andere vorm nog steeds herhaald (155). Belangrijk is te ontdekken en te leren dat elke energie, ook de negatieve, een kracht kan worden die leidt tot bewustwording en inzicht, en dat omgekeerd door bewustheid en concentratie gevormd inzicht kan helpen energie om te zetten in een positieve richting (160v.). Zoals het fysiek belangrijk is dat we een goede bloedsomloop en stofwisseling hebben, zo is het ook psychisch van belang een goede doorstroming te hebben. Dat geldt voor woede, dat geldt nog meer voor de er achter liggende angst voor van alles en nog wat. Die onderkennen levert veel op, dan kunnen we de onwelkome gast verwelkomen en tot rust laten komen, zodat de energie ervan wordt geïntegreerd, omgezet in positieve richting (162-167). Wat niet betekent, dat zich nooit meer negatieve ervaringen zullen voordoen! (175v.)
Wat we kunnen leren is dat ontspanning veel oplevert. En dat we het, net als een boom, in een storm niet van ons verstand of onze emoties moeten hebben, maar van de basis van ons bewustzijn. Niet van de kruin maar van de stam, niet van het hoofd maar van de buik. “Met je intelligentie (betekent hier: redeneringsvermogen, BK) en al je kennis zul je je gewoonte-energie niet kunnen transformeren. Dat kan alleen met behulp van het herkennen, erkennen en omarmen van die energie” (170-176)
Voor je eigen geluk zorgen, ontspannen zijn, en is belangrijker dan alleen aan vooraf vastgestelde idealen beantwoorden door daaraan te hechten en het eerste te vergeten. Als je ontspannen en gelukkig bent, kun je vervolgens eventueel anderen helpen gelukkig te zijn of een maatschappelijke rol spelen die aan je idealen of aan die van anderen beantwoordt. Zo schrijft hij onder het hoofdje “Weg uit de gevangenis van denkbeelden”: Je moet niet als een machine oefenen, maar met intelligentie(betekent hier: verstandelijke plus gevoelsmatige intelligentie, BK), zodat iedere stap, iedere ademhaling maakt dat je je beter voelt. Door iedere aandachtige maaltijd, elke kop thee kun je je beter gaan voelen. Krijg voeling met de wonderen van het leven in je en om je heen. Voed jezelf door de mooie en helende elementen in je toe te laten - laat ze je doordringen. Dat is het belangrijkste wat er te doen valt. Denkbeelden zijn niet voedend. … We moeten die ideeën en denkbeelden achter ons laten om in aanraking te komen met het leven, het echte leven dat zo vol wonderen is. Leer van je medebeoefenaars die al in staat zijn tot liefhebben, die al in staat zijn gelukkig te zijn. Zulke mensen zijn er. Zij hebben geen moeilijkheden met andere leden van hun sangha omdat ze iedereen kunnen aanvaarden zoals hij of zij is. Ze zijn tevreden. We dienen het vermogen te cultiveren, net als zij gelukkig te zijn. We leven in dezelfde omgeving en delen dus met elkaar dezelfde voorwaarden tot geluk. Als anderen gelukkig kunnen zijn, waarom wij dan niet? Wat verhindert ons om gelukkig te zijn?” (183v.) Zonder de aandacht en energie opgedaan in handwerk zal hoofdwerk niet lukken (189-191).
Dit boek bevat verder diverse uitgeschreven oefeningen.
Tahar Ben Jelloun, De schrijver: Roman: Uit het Frans vertaald door Maria Noordman, Breda (De Geus) 2000, 187pp.
Opnieuw een roman van deze auteur die prachtig is om proevend te lezen. Zo dromerig-verleidend, poëtisch, subtiel is de taal. Het onderwerp is de jeugd en volwassenwording van de auteur, temidden van zijn herinnering aan de plaatsen waar hij groot werd, aan zijn familie en aan zijn ontmoetingen en kennismakingen met de belangrijke aspecten van het leven, ziekte, sterven, liefde, eenzaamheid, creativiteit, toenadering, afstoting en afscheid, tekortschieten, leren, je uiten. En de rol die zijn schrijverschap in dat leven gaat spelen, een meest bepalende of meest expressieve rol.
"Ik maakte me heel klein, zocht een plaatsje achter de woorden. Ik werd te verwaarlozen, offerde de ruimtelijke dimensie van mijn gezicht op. Ik liet mijn narcisme plaatsmaken voor de hoop op een oneindige nederigheid, voor een afstand doen van mezelf, van mijn eigen beeld. In de versleten spiegel zag ik niet meer mezelf, maar ik zag schaamte, een gevoel waardoor je gezicht zichzelf verraadt, zich blootgeeft, de rode kleur aanneemt die opkomt als koorts en die herinnert aan de blik van anderen.
Niet in de smaak willen vallen, maar opgewassen zijn tegen je eenzaamheid, je dood waardig zijn, niet het definitieve eindpunt, maar de fundamentele dood die in de tijd staat geschreven met lettergrepen waarmee gedichten worden gemaakt." (102)
31 januari 2005