Lezen (of juist niet) 20!


Deze pagina bevat een lijst van sinds 2005 gelezen teksten met commentaar

Retour naar overzichtspagina gelezen teksten

Gelezen - sinds 2005 - e

Read - since 2005e






De Keulse Mani-Codex: [Over het ontstaan van zijn lichaam: ]Vertaald, ingeleid en toegelicht door Johannes van Oort en Gilles Quispel, [met register van personen, ]Amsterdam (In de Pelikaan) 2005, 247pp.

Voor historici en geïnteresseerden in Mani en het manicheïsme, Jodendom, christendom en islam is deze uitgave een verbluffende leeservaring. Net als de vele andere vondsten van oude geschriften in de vorige eeuw blijkt de vondst van dit boekje, het kleinste ter wereld wat betreft de grootte van de pagina's, een nieuw licht te werpen op de geschiedenis. Daarover hieronder meer. Weliswaar gaat het in de hier geboden vertaling alleen nog maar om één van de nieuwere gevonden teksten over het manicheïsme, andere wachten nog op uitgave en vertaling. Maar dit geschrift over het leven van Mani en de stichting van zijn religie maakt al veel duidelijk. Bovendien wordt deze Nederlandse vertaling niet alleen voorzien van uitgebreide noten (waarover later meer) maar ook van een algemene inleiding in Mani en het manicheïsme die een completer beeld verschaft. Geen bibliotheek en geen lezer die van algemeen belangwekkende historische zaken op de hoogte wil zijn, mag deze informatie, dus dit boek, ontberen.
Eerst geef ik een kort overzicht van deze uitgave die voorbeeldig is verzorgd, met prachtige illustraties, en een mooie bladspiegel en letter, en een zeer mooie band. Ik meld hier direct maar de kleinigheid dat op p. 223 aantekening 6 lijkt te ontbreken die wel op p. 222 is aangekondigd. Of had die aankondiging een (5) moeten zijn in plaats van een (6)? Ook op andere plaatsen komen immers meer verwijzingen met hetzelfde nummer voor, namelijk naar één aantekening. Of had de (6) slechts een verwijzing moeten zijn naar een eerdere aantekening over 'vrede' (die van p.261)? In de volgende druk zullen we het ongetwijfeld weten. Bekend is dat de strijd tussen licht en duisternis volgens Mani eindigt in eeuwige vrede, de overwinning van de Vorst van het lichtrijk, waarin alle verlosten die de Gnosis ontvangen hebben, zullen delen.

In het Ten Geleide laat Joost Ritman een aantal treffende aspecten zien van wat hij als de grote lijn en betekenis van deze uitgave beschouwt, in brede context. Als gebruikelijk weet hij daarbij treffende verbanden en citaten naar voren te brengen. Ik noem één enkele omdat ik daar later op terug wil komen.
Hij legt de nadruk op het overstijgen van het dualisme (binnen de totale kosmos) waarvan hij het absolute karakter bij Mani erkent (9). Hij beklemtoont dat de ervaring van het dualisme binnen de schepping niet verabsoluteerd mag - of hoeft - te worden (11). Over een deel van die werkelijkheid, namelijk de menselijke aanwezigheid op aarde, schrijft Ritman dat het “een onophoudelijk scheppingsproces is”. Dat stelt hij tegenover het toepassen van een “eeuwigdurend principe van scheiding” dat hij aantreft bij kerkelijk-dogmatische tegenstanders van de Gnosis (11). Elk dualisme kan zijns inzien herleid worden tot de mens, in wie het ook weer opgelost moet worden (9).
Omdat er over dualisme veel misverstanden zijn, haal ik dit aspect apart naar voren. De term dualisme wordt in de karakterisering van godsdiensten door Westerse auteurs vaak gebruikt om verabsoluteringen aan te wijzen waaraan men de beperktheid van die godsdienst of bepaalde aspecten ervan (dan meestal mythologische) wil illustreren. Aan de term zitten echter veel meer aspecten waarop ik graag ook eens de aandacht vestig. Zie het P.S. bij deze bespreking. Een aantal van de auteurs waar Ritman naar verwijst - Blavatsky, van Rijckenborg - voelden die aspecten mijns inziens goed aan, en ook dat wij Westerlingen op die punten wat konden leren van de Oosterse manier van omgaan ermee en denken erover.
Nieuwe aandacht daarvoor gaat wellicht goed samen met of past zelfs uitstekend in de door Ritman hartstochtelijk bepleite, en door hem nu al decennialang grandioos bevorderde, nadere aandacht voor de bronnen van de hermetisch-christelijke Gnosis (12). Daaraan draagt deze publicatie - een juweel dat, mits de inhoud daartoe in deze vorm voldoende rijp is (iets wat de auteurs vermoedelijk zelf het beste kunnen beoordelen), een goede vertaling en uitgave in het Engels verdient - zeker bij.

Het historische belang - want enorme context en impact - van het manicheïsme wordt vervolgens duidelijk uit de duizelingwekkende 'Chronologische tabel' op de pagina's 17vv.

En dan volgen de twee hoofddelen van dit boek, de inleiding en de vertaling.
Het algemene deel over Mani en het manicheïsme omvat niet minder dan 57 pagina's (25-81). Dat betekent dat we hier een eerste volledige inleiding hebben die alle relevante feiten en inzichten uit de recente studies over het manicheïsme verwerkt. Dat is uiterst waardevol omdat we die tot nu toe in Nederland niet hadden (zie overigens ook een
recent nummer van Prana met enkele interessante artikelen, waarin ook de meeste recente Nederlandse literatuur over dit onderwerp genoemd wordt). Er blijkt ook uit dat de verdere studie een grote achtergrondkennis vereist. Geschriften van en over Mani zijn verschenen in vele talen, waaronder niet weinig Semitische (waaronder Aramees en Syrisch) en Oost-Aziatische (waaronder Chinees), en sommige moesten uit vreemde talen terugvertaald worden naar de oorspronkelijke taal om ze te begrijpen. Ook blijken grote verwantschappen te bestaan met andere stromingen in het vroege christendom, zowel Joodse als niet-Joodse, zowel asketische en gnostische als meer centraliserende 'orthodoxe'. Stromingen die zelf ook weer een grote deskundigheid vragen bij het bestuderen, vanwege de vele talen en de enorme culturele context. Maar het beeld wordt nu al veel duidelijker. De inleiding slaagt er dat beeld als het ware van binnen uit te schetsen, als een wereldreligie in opkomst door de activiteiten van Mani, na ongeveer acht eeuwen weer van de kaart verdwenen. Met een indrukwekkende en tamelijk complexe mythe, met een duidelijke organisatie, leefregels en maatschappelijke opstelling. Ongetwijfeld kan dit beeld in de toekomst nog uitgebreid en scherper gesteld worden, zoals gezegd wordt, maar dit is een betrouwbaar uitgangspunt voor iedere in Mani en het manicheïsme geïnteresseerde. En uiterst boeiend, want naar deze soms indrukwekkende informatie zullen net als ik toch velen hebben uitgezien die altijd al meer van het fascinerende onderwerp hadden willen weten. Hoewel naar vele manicheese teksten wordt verwezen, noem ik hier speciaal de indrukwekkende liedcultuur van deze religie, waarvan ook in het Nederlands al een indruk te krijgen is.

Dan volgt de aparte inleiding op de Keulse Mani-Codex zelf. De eigenlijke titel van het geschrift is: 'Over het ontstaan van zijn lichaam', wat niet alleen slaat op Mani zelf maar vooral op wat door zijn activiteiten ontstond, de Manicheese 'wereldreligie'. Ook deze inleiding van 22 pagina's - inclusief een literatuurlijst van 7 pagina's - is uiterst informatief en belangrijk. Jammer dat de literatuurlijst niet iets uitgebreider geannoteerd is. Hoewel we de lijst van manicheese geschriften uit de inleiding er naast kunnen leggen en iets uit de titels van de werken af kunnen leiden, is nauwelijks duidelijk waar je voor bepaalde zaken beter terecht kunt, waar voor andere en waar je beter op toekomstige kunt wachten. Maar ik vermoed ook dat dit door het bijhouden van de toekomstige literatuur - dat is alleen niet iedereen gegeven - duidelijker kan worden. Hoe dan ook, voor de bestaande literatuur blijft dit mijn wens.
Vervolgens de tekst (alleen de oorspronkelijke bladen 1-145 want 146-192 zijn te gehavend om zinvol te vertalen) en de aantekeningen bij de tekst. Samen nog eens 139 pagina's. Uit dit geschrift komt naar voren hoe Mani - het is dan nog amper tweehonderd jaar na de dood van Jezus! - opgroeide in de kring van Joods-christelijke dopers, de Elkesaïeten, en na openbaringen te hebben ontvangen zich zijn roeping bewust werd, zich losmaakte uit deze groepering en zijn boodschap ging verkondigen in vele streken.
De hoeveelheid uitleg die aan de tekst wordt toegevoegd is indrukwekkend. Indrukwekkend omdat zij zo rijk is. Zij verheldert de tekst, zij verheldert de situaties waarin de tekst gesproken is, wat ermee bedoeld wordt. Vooral ook door vele associaties met verwante teksten en voorstellingen uit tradities die Mani en zijn leerlingen kennelijk kenden, of die er een licht op werpen. Dat zijn onder andere de geschriften op naam van Paulus en teksten uit de evangeliën waaronder het Evangelie van Thomas. En ook vele Joodse geschriften van omstreeks het begin van onze jaartelling over spirituele helden die beleefden dat ze opvoeren ten hemel en daar een kijkje mochten nemen, bekend als Apokalypsen en ook bekend onder de naam Troonwagenmystiek. En door het gebruik van een taal die soms doet denken aan oudere Joodse geschriften (zoals die uit de Bijbel) of aan de Dode-Zeerollen, dan weer aan de geschriften en opvattingen uit de Syrische Joods-christelijke tradities waaronder ook het Evangelie van Thomas. Die combineerden een sterk asketische inslag - nauwelijks bezit en afzien van geslachtsgemeenschap; geen rijkdom verzamelen of handel drijven - en hoge achting voor het rondzwerven om de boodschap te verkondigen. Zij huldigden het ideaal van de 'eenling' (Grieks: monnik) die in zichzelf eenheid bewerkstelligt door uit de onbewuste en bezoedelde staat in de wereld terug te keren en weer een te worden met de smetteloze Bron waarvan men het beeld in zich draagt. Er waren in die tijd nog vele soorten Joodse christenen die zich trouw aan de traditionele Joodse wetten en gebruiken hielden, bijvoorbeeld de Joodse - Aramees of Syrisch sprekende - christenen in Jeruzalem en andere steden in het Midden-Oosten. Die zagen in Griekse invloeden vaak een gevaar, wellicht van luxe en decadentie. Maar ook waren er stromingen die zich voorzichtig aanpasten aan andere denkbeelden zoals de sterk opbloeiende askese of Grieks-filosofische denkbeelden of voorstellingen uit omliggende landen en uit de mysteriereligies. Of een mengsel daarvan zoals Paulus met zijn niet-wettische interpretatie van het Jodendom en weer heel anders de gnostici met hun geheel eigen gebruik en interpretatie van Joodse mythen. Zo zijn er in de aantekeningen vele verhelderende opmerkingen te vinden, die een grote kennis van de leefwereld en de culturen van die oude tijden en die streken verraden en deze tekst in een helder perspectief zetten. Ook inzichten die men elders niet zo scherp geformuleerd ziet, al is het opvallend dat de intrigerende vertaling van Romeinen 15 vs 25 (op p. 211) bij mijn weten eerder nog niet zo naar voren is gebracht . Ook al klopt deze vertaling niet in letterlijke zin, inhoudelijk zou deze vertaling wel eens de spijker op de kop kunnen slaan!.

Ten slotte is een handig register van persoonsnamen toegevoegd, helaas niet van begrippen.

Wat leren we hier nu uit?
Mani was een gnosticus, iemand die zich geroepen voelde uit te dragen dat de verwantschap van de mens met God de Vader een onderdeel is van de strijd tussen de krachten van het licht en die van de duisternis. Waarbij de mens nog de resten van het licht waartoe hij in wezen behoort herbergt, evenals de aarde, lichtresten die uiteindelijk teruggevoerd zullen moeten worden naar het lichtrijk. Daar komt de verlossing van de mens op neer: zich in bewustzijn en gedrag richten op en naar het licht dat hem en alle verschijnselen in de kosmos geschonken is. Terugkeer tot de Oorsprong. Na de overwinning van het lichtrijk zal een kluit overblijven met de resten van de materie, het machteloos geworden kwaad en de wezens die niet meer tot het lichtrijk mogen toetreden. Dit omdat zij zich er te ver van verwijderd hebben (verachting van de gnosis van Mani, zonde tegen de Heilige Geest), ook al hebben zij wellicht nog een heel klein restje licht in zich. Het manicheïsme ziet in de materie en het lichaam herbergen van het licht, en om die reden zijn zij huiverig om planten af te snijden, de grond te bewerken en dergelijke. En het licht staat voor het hoogste, voor Jezus en diens Vader. Wat christenen beleven in het brood van de eucharistie beleven de manicheeërs in elk lichaam en elk stukje materie! Het spreekt dan ook vanzelf dat manicheeërs absoluut geweldloosheid voorstonden, en vegetariërs waren. Dat zij toch in de realiteit moesten staan, betekende vervolgens wel dat zij net als boeddhisten anderen nodig hadden om sommige praktische zaken te regelen. De 'uitverkorenen' (in het boeddhisme de monniken) mochten niet aan bepaalde maatschappelijke verplichtingen voldoen, zoals vlees eten of het land bewerken. Maar de 'toehoorders'(in het boeddhisme de leken) zorgden daar dan voor en verschaften aan de eersten voedsel.
Duidelijk wordt uit de doeken gedaan dat Mani voortdurend openbaringen kreeg van zijn hemelse evenbeeld, zijn Tweeling, een rol die ook in andere tradities voorkomt, waarschijnlijk ook later bij Mohammed. En dat er een strakke organisatie was op basis van hiërarchisch geordende functies. Dat maakte het vervolgens weer mogelijk om aandacht te besteden aan verkondiging naar binnen en naar buiten. En aan voor iedere Manicheeër indrukwekkende liturgische bijeenkomsten en feesten, aan kunstzinnige activiteiten en het overschrijven van teksten en illustreren van boeken en ruimten.
Een interessante gedachte is dat de Elkesaïeten en de Qumran-gemeenschap mogelijk aan Mani het voorbeeld geleverd hebben voor de eerste kloosters. Die zou hij vele in Egypte hebben laten stichten door zijn leerling Addai - en dat een halve eeuw voor Pachomius zijn beroemde kloosterstichting begon die zogenaamd de eerste was.

Uit dit alles komt naar voren dat het manicheïsme sterk gestempeld is door het Joodse christendom. En dat dit een veel belangrijker plaats in de ontwikkeling van het christendom heeft ingenomen - op zijn minst in de eerste eeuwen - dan tot dusverre werd aangenomen. Duidelijk is tegen deze achtergrond dat de nieuwtestamentische evangeliën sterk "heidenschristelijk" - dat wil zeggen qua culturele oriëntatie niet etnisch-Joods maar hellenistisch en qua taal niet semitisch maar Grieks - gemodelleerde versies zijn van het leven van Jezus, van zijn boodschap en van de betekenis van beide. Ook al laten de auteurs in de aantekeningen zien dat vele zaken in de evangeliën en in het hele Nieuwe Testament beter vanuit de Joodse achtergrond bekeken kunnen worden, zoals de eindspreuk van het Onze Vader. En dat er daarnaast ook andere versies bestonden en een grote plaats innamen zoals de enkratitische (asketische) van het Evangelie van Thomas en van de Syrische kerk, of de gnostische van diverse groepen in onder andere Alexandrië en Rome. Dit alles relativeert het geschiedbeeld dat de overwinnende (Westers-)christelijke stroming van de eerste eeuwen neerzette. Deze 'katholieke' ofwel algemeen-'orthodoxe' stroming verklaarde zichzelf tot 'recht in de leer' en alle anderen tot ketters en vernietigde hun geschriften. En zij zette zich zowel af tegen de Joden die niet Jezus volgden als tegen de Joden die dat wel deden!
Daar komt nog iets belangrijks bij. Nu het belang van de Joods-christelijke stromingen duidelijker wordt en van de cruciale achtergrond die zij vormen voor de manicheeërs, wordt ook duidelijk dat hetzelfde - zij het in mindere mate - geldt voor Mohammed en zijn islam. In het manicheïsme leefde het Joodse christendom nog voort tot de tiende eeuw. Maar in de zesde eeuw stichtte Mohammed zijn islam met een openbaringskracht en een fanatisme die veel christelijke en manicheese gebieden overspoelden en er tegelijkertijd ook het nodige aan dankten. Want ook Mohammed zag zich - als ontvanger van openbaringen van zijn 'engel' - in dezelfde lijn van de profeten als Mani, inclusief Jezus. De manicheeërs verstonden zich zelfs als christenen, althans beschouwden Jezus naast Mani als een centrale figuur en zijn geheel gedrenkt in Joods-christelijke tradities.
Als we een spectrum maken van deze verwante godsdiensten met aan de ene kant de meest Joodse of Oosterse (in de zin van Semitische, niet-gehelleniseerde) en aan de andere kant de meest gehelleniseerde ofwel verwesterde 'gemoderniseerde' vormen, dan krijg je achter elkaar wellicht zo iets als: vroege Jodendom, Joodse christendom, rabbijnse Jodendom, vroege “niet-Joodse” Jodendom, manicheïsme, islam, vroege “niet-Joodse” christendom, latere orthodoxe ofwel katholieke christendom. (N.B. Dit is dus geen indeling op basis van historische beïnvloeding of tijdsvolgorde!) Er is dus alle aanleiding om vroege en latere Jodendom, vroege en latere christendom, manicheïsme en vroege en latere islam met elkaar te vergelijken, niet alleen op het punt van askese maar op alle punten. Zoals boodschap, rol van openbaringen, mate en karakter van missie naar vreemden dan wel van openheid naar vreemden. Voorts rituelen, mythen, verhouding tot de maatschappij en de politiek, elitaire of volksreligie, strengheid of losheid van organisatie, geschriften, verbinding met het dagelijkse leven. Of zoals in de aantekening op bladzijde 241 impliciet geformuleerd wordt: hoe zij streefden naar het ideaal van de bevrijding van het menszijn, aan het menszijn op een vrije, bevrijde en bevrijdende wijze. En wellicht ook hoe zij dat soms in mindere, soms in meerdere mate deden. Zodat we ervan kunnen leren. Is de reden dat de christelijke gnostiek en later het manicheïsme ondergronds raakten misschien dat zij afzagen van geweld, wat ik waarschijnlijk acht, of ook dat zij politiek en maatschappelijk naïef waren - mogelijk door zich een onkwetsbare spirituele elite te voelen maar misschien gewoon omdat zij spirituele waarden belangrijker vonden dan zelfhandhaving zoals ook Jezus duidelijk leerde?

Samenvattend is dit een erg belangrijke, informatieve uitgave. Die illustreert wat er nog aan inzicht gewonnen kan worden voor de nijvere student en onderzoeker in de geschiedenis van de religies en de spiritualiteit. De nadruk ligt op het geven van een historisch accuraat beeld van het manicheïsme en het milieu waaruit het voortkwam. Bijvoorbeeld belangrijke voorstellingen of begrippen zoals 'engel', 'geest', 'ziel', 'koninkrijk', 'kracht', 'heerlijkheid of: lichtgestalte van God', 'oermens', 'lichaam', 'wijsheid' en '(eeuwige) rust' passeren de revue en zo wordt de betekenis ervan zowel in gnostische geschirften als in nieuwtestamentische als in vele andere duidelijk. Nog duidelijker dan in eerdere publicaties omdat nu nog meer bekend is en meer verbanden bepaalde betekenissen ondersteunen. Hans van Oort en Gilles Quispel hebben gesteund door de uitgever een unieke informatiebron voortgebracht. Het spirituele inzicht van de laatste, zijn diepe kennis van wat mensen beweegt en zijn brede kennis van hoe mensen dat hebben beleefd en opgeschreven, zal niet gauw in deze rijke mate te evenaren zijn. Alleen al de talen en teksten, ook van dichters en filosofen en theologen door de eeuwen heen, waarin hij thuis is! De combinatie met de kennis en heldere uitleg van de eerste heeft geleid tot een mijns inziens qua kernachtigheid en overzichtelijkheid voorlopig niet te overtreffen uitgave, tevens uitnodiging voor verdere studies over deelthema's, zoals de verlossing van het licht en de betekenis daarvan voor het dagelijkse leven en de omgang met de onze lichamen en de natuur. Een pronkstuk bovendien in iedere boekenkast.

P.S.
Bescheiden excursie naar aanleiding van het gebruik van de term dualisme
Zoals ieder 'isme' geeft het woord dualisme een verabsolutering aan. Ik maak zelf graag onderscheid tussen polariteit (of dualiteit) en dualisme: in het eerste is de tegenstelling niet, in het tweede wel onoverbrugbaar geworden (of wordt als zodanig beschouwd omdat men haar verabsoluteert). Vervolgens zijn er dan polariteiten of dualiteiten, dus ook dualismen, op verschillende gebieden.
Om te beginnen is er de inherente dualiteit van iedere taaluiting: het is zelf een (of: iets in de) werkelijkheid maar verwijst ook naar een (of: iets in de) werkelijkheid. Vervolgens deelt de taal alles in in polariteiten: tussen dat wat het werkelijk aanduidt en dat wat het juist niet aanduidt ofwel wat aan het aangeduide tegengesteld is. Dit kan gaan om tegengestelde verschijnselen of tegengestelde eigenschappen van verschijnselen. Voor al die verschillen gebruiken we woorden, meestal tegengestelde woordparen (soms in veel varianten, met nuanceringen enzovoort). Het beoordeelde (het object) wordt onderscheiden van iets anders, een ander object (dat wat het niet is) al dan niet middels een verschillende eigenschap van beide. Maar sommige Oosterse filosofieën beklemtonen dat dit onderscheid pas mogelijk is omdat de oordelende persoon of liever diens oordelende geest (het subject) een afstand schept tussen zichzelf en de objecten. Van die afstand is de taal het bewijs of de getuige. Daarom is het belangrijk in te zien dat elke taaluiting - ook deze! - door deze wetenschap over zichzelf gerelativeerd wordt. Taal dient bewust gebruikt te worden, anders is het een scherm dat mensen van elkaar afhoudt in plaats van dichter bij elkaar brengt. Deze laatste constatering brengt ons op het verband tussen taalgebruik en sociale verhoudingen, een te complex onderwerp om uitgebreid te behandelen. Maar wel relevant.
Vaak kunnen we in culturen, in taalgemeenschappen, in teksten, bij mensen, in theorieën en filosofieën tweedelingen (of begripsparen) aanwijzen die fundamenteler zijn dan andere. Die voor die cultuur, taalgemeenschap, tekst, filosofie enzovoort kenmerkend en bepalend of richtinggevend zijn. Bijvoorbeeld (zie de
studie van het verschijnsel androgynie) in sommige teksten het stellen van de man boven de vrouw en parallel daaraan God boven de mens en de natuur. Maar de laatste tweedeling is binnen de Westerse cultuur soms niet gekoppeld aan de eerste. Dan zijn er varianten, die de vrouw op bepaalde of alle niveaus gelijkwaardig achten aan de man. Of soms wordt de laatste tweedeling anders opgevat, dan zijn God en mens en natuur geen gescheiden maar verbonden wezens, en op weg naar een nieuwe verhouding waarin hun eenheid meer op de voorgrond staat dan hun verschil.
Mijns inziens kan het gebruik van het woord 'dualisme' zowel horizontale als verticale als op vele andere aspecten gebaseerde tweedelingen (polariteiten en de verabsolutering daarvan) aanduiden - aspecten die we liever niet met elkaar moeten verwarren. Het verabsoluteren van welke dualiteit dan ook leidt mijns inziens af van de eindeloze complexiteit van de werkelijkheid zelf, de taalverwarring inbegrepen (het niet onderkennen van het hierboven genoemde feit dat onze hantering van de taal namelijk onze bewuste of onbewuste definiëring van woorden bepaalt hoe - anders gezegd: samenvalt met het feit dat - we onderscheid zien oftewel aanbrengen tussen de dingen).
Inderdaad is het woord dualisme ten opzichte van de Westerse gnosis bijvoorbeeld vaak als scheldwoord gebruikt, en deels blijft dat ten onrechte zo omdat men niet aangeeft om welk dualisme het in een bepaald geval gaat, of het woord dualisme toch vrij onkritisch gebruikt. Dat geldt overigens ook van velen die het woord niet als scheldwoord willen gebruiken. Ook Ritmans noodzaak van de overstijging van dualismen en de vermelding door de auteurs van dit boek van 'dualismen' bij Mani en zijn mythe, bijvoorbeeld Mani's hierboven genoemde en door Ritman erkende absolute kosmologische dualisme, werpen daarop nauwelijks verder licht. Naar aanleiding van de samenvatting van de manicheese mythe (bijvoorbeeld 63, 68) kan men bijvoorbeeld vragen wat fundamenteler is in de mythe van Mani. De tegenstelling tussen de openbaring uit den hoge (geest) en materie of die tussen licht en duisternis of die tussen goed en kwaad? Of hoe zijn deze verweven? Dus waar zijn de tegenstellingen absoluut en waar zijn overgangen of vermenging te vinden? En hoe is dit in vergelijking tot andere gnostische systemen? En tot de islam? En tot het zich orthodox noemende christendom? Ik vermoed dat door een analyse van wat in bepaalde systemen de meest en de minder fundamentele tegenstellingen zijn en van de wijzen waarop de tegenstellingen in de verschillende systemen gebruikt worden veel duidelijk wordt: over hoe die systemen in elkaar zitten en doorwerken in het leven.
In ieder geval verdient het gebruik van de term dualisme en aanverwante termen een verder onderzoek, vind ik. In dat verband wijs ik op de grote aandacht die tegenwoordig het concept 'niet-dualisme' of 'non-dualisme' krijgt en waarmee aangeduid wordt dat men zich van de relativiteit van elke taal-uitspraak (zie boven) bewust is. En men beklemtoont dat de werkelijkheid vaak complexer is dan de woorden die haar uitdrukken, en dat grote woorden of absolute uitspraken belangrijke nuances vaak laten liggen. Deze relativiteit van uitspraken houdt niet in - iets waar men in onze Westerse cultuur traditioneel uitermate beducht voor is - dat men geen standpunten meer kan innemen of dat men alles op een hoop gooit, alle waarden relativeert. Men relativeert er geen waarden mee, men relativeert de absoluutheid van de uitspraken erover. Die uitspraken vervangen immers nooit volledig de werkelijkheid van de verwerkelijking van de betreffende waarden, want de verwerkelijking van de waarden vraagt om meer dan een uitspraak. Dit punt is zowel in Westerse taalfilosofie als in Oosterse godsdienstfilosofie (van Zen en Mahayana-boeddhisme maar ook van de hindoeïstische Advaita Vedanta) onderkend. Maar de hoofdstromen van het Westerse denken en oordelen hebben zich er weinig aan gelegen laten liggen en het vooroordeel hoog gehouden dat de waarheid in bepaalde ideeën en vervolgens bepaalde woorden te vangen is, sterker nog: daarmee samenvalt. Het probleem is dat men de waarheid daarmee bij voorbaat definieert als dat samenvallen en geen ruimte meer laat voor welke ander waarheid of ervaring dan ook, omdat die waarschijnlijk met andere woorden uitgedrukt gaat worden of al uitgedrukt is. En dat men suggereert of zelfs gaat denken dat alleen wie een bepaalde taal spreken of zelfs precies de formuleringen gebruiken die in die bepaalde kring gelden, de beleving van de betreffende waarheid kunnen ervaren. Is dat niet een (voor-)oordeel?! Taal is een verhulling of uitdrukking of bekleding van (meestal tijdelijke) ervaringen en oordelen, dat kunnen maar beter geen (gefixeerde, voor eeuwige geldigheid gepostuleerde) vooroordelen zijn, vind ik. Het woord samenvallen is niet toevallig de grondbetekenis van het woord symbool in het Grieks. Van symbolen zeggen we toch niet dat zij de waarheid zijn maar dat zij die voor ons symboliseren, representeren. Als je op die manier naar waarheden kijkt, hoef je je niet per se voor altijd vast te leggen op de mening dat er maar één waarheid is. Als je de waarheid van iets of iemand erkent hoeft dat toch niet te betekenen dat er verder niets of niemand meer is dat ook waar zou kunnen zijn? Waarheid en waarheden zijn er voor bestemd om voortdurend opnieuw ontvangen, erkend en beleefd te worden, en dat proces is niet alleen maar objectief en zeker niet het alleenrecht van iemand of iets. Hoe zouden wij beperkte mensen dat kunnen weten? Zo ver wij de (of een) waarheid ervaren doen wij dat omdat wij in onze beperktheid toch onderdeel van die waarheid zijn of ermee verbonden zijn. Maar niet om daar fundamentalistische principes - lees: verabsoluteringen - aan te kunnen ontlenen, zou ik zeggen. Waarheid ontvangen en doorgeven, ze waar mogelijk en wenselijk onderscheiden van onwaarheden, en dat steeds opnieuw, lijkt mij geen stok om te slaan of een zekere garantie voor de verlossing als vlucht uit het bestaan maar een verrijking van en steun voor het leven. Dat lijkt mij gezien de ervaringen van (en met) Westerse en niet-Westerse fundamentalisten door de eeuwen heen - of dat nu communisten, fascisten, spirituele of nog andere dogmatici waren - en gezien mijn persoonlijke ervaringen een blijvende uitdaging.
Ik besteedde hieraan onder andere aandacht in een lezing voor de werkgroep ARIES van de vakgroep 'Geschiedenis van de hermetische filosofie en aanverwante stromingen' aan de Universtiteit van Amsterdam. Symbool van de Oosterse houding tegenover dualiteit of polariteit is het bekende yin-yangteken waarbij de tegendelen niet zonder elkaar gedefinieerd kunnen worden, ten opzichte van elkaar in beweging zijn, in hun kern hun tegendeel omvatten, en samen de eenheid vormen waarin hun tweeheid gesplitst lijkt (of: waaruit hun tweeheid voortkomt en via de beweging weer tot de eenheid terugvoert), met de impliciete suggestie dat de eenheid en de tweeheid (en de veelheid!) elkaar impliceren - zonder dat ze - althans zolang ze hun eigen functie uitoefenen - in elkaar oplossen. Functies impliceren zowel de erin gedefinieerde inperking als de buitenwereld waartegen die inperking afsteekt als de ruimte waarin die afperking mogelijk is ofwel zich voordoet.
Voor Westerse symbolen kan ik verwijzen naar vele alchemistische voorstellingen van de eenheid der tegenstellingen, naar de androgynie als symbool van die eenheid, naar de rol van die eenheid in de geschriften der Rozenkruisers, naar het denken en de voorstellingswereld waarin die androgyne symbolen in de Westerse geschiedenis verder zijn uitgewerkt zoals - om me te beperken tot twee eminente voorbeelden - bij de beroemde schoenmaker-mysticus-filosoof Jacob Boehme en in de opera Die Zauberflöte van Mozart. Voor het taalaspect in het Westen verwijs ik naar de manier waarop Meister Eckhart met taal en religieuze voorstellingen - van de zijn Zoon barende God en de mens in wie de Zoon (mee-)geboren wordt - omgaat. En naar de filosofie van Wittgenstein over taalspelen.
De Westerse taalanalytische filosofie maakt onderscheid tussen allerlei taalvormen, bijvoorbeeld het wetenschappelijke, analytische discours of de metaforen van de dichters. Mijn bespreking hoort duidelijk iets meer in de eerste thuis. Waarmee ik maar zeggen wil dat de beleving van de dichterlijke of spirituele ervaring nog weer iets heel anders is dan deze meer historische en filosofische aspecten. Beleving kan door woorden worden uitgedrukt of opgeroepen maar is iets anders dan de analyse ervan. Al hebben ook dichterlijke of spirituele taalgebruikers vaak logische pretenties (van consistentie bijvoorbeeld)!
21 augustus 2005

Alla Avilova, Nog één messias: Novelle, Amsterdam (Samsara Uitgeverij) 2005, [vert. uit het Russisch, ]145 pp.

Vooraf laat de auteur weten (5) dat het verhaal over Wladimir Ivansjin geschikt is of bedoeld is om de criteria te toetsen die de lezer aan zou leggen aan de kwaliteit van vernieuwers van spiritualiteit, stichters en grondleggers van religieuze tradities die echt wat te vertellen hebben maar meestal pas achteraf op hun waarde geschat worden, in een ruimer perspectief. Want als je weet waarop je moet letten, wie je kunt vertrouwen ook als iedereen zich verder vergist, dan heb je - misschien - iets heel waardevols te pakken. De auteur biedt vragen aan waarop het verhaal een antwoord moet geven. De lezer heeft zijn eigen criteria en gaat dus bij het lezen mogelijk een avontuur aan.
Het verhaal is dat de hoofdpersoon een stem hoort die zegt dat hij een messias is, er vervolgens gehoor aan geeft en omdat niemand hem gelooft, zijn Moskause appartement verlaat en zich uiteindelijk op een landtong aan een meer vestigt. Daar ontmoet hij of ontmoeten hem allerlei mensen die in de gewone maatschappij uitgerangeerd zijn. Die ontmoetingen zijn bijzonder en leiden er toe dat sommigen hem direct weer verlaten, anderen definitief bij hem lijken te blijven.
Het verhaal eindigt eigenlijk niet. Weliswaar verlaat de hoofdpersoon zijn laatste overgebleven trouwe volgelingen uiteindelijk met onbekende bestemming maar hoofdpersoon en auteur gezamenlijk leggen op dat punt de lezer een aantal vragen voor om verder over na te denken en misschien antwoord op te geven. In wezen is het uiteraard de bedoeling dat de lezer bij zichzelf te rade gaat en zijn eigen antwoorden vindt.
Nogmaals: ook los van deze diepere bedoeling leest het verhaal prettig en als vanzelf.
Opvallend aan deze goed geschreven novelle vind ik dat de uit Rusland afkomstige schrijfster een verhaal geschreven lijkt te hebben waarin zij zelf bijna afwezig lijkt te zijn. Want ze geeft er de voorkeur aan haar boodschap indirect over te brengen via het verhaal en het proces dat bij de lezer op gang komt. Het is wel duidelijk dat zij op de hoogte is van Russische spirituele tradities en van dilemma's van vaak verwarde Russen in een moderne maar chaotische samenleving. Beide elementen zijn duidelijk herkenbaar en vooral waar dat de Russische spirituele tradities betreft is dat ook boeiend voor niet-Russen vind ik. Het meest intrigerend intrigerend aan deze novelle vind ik dat onder de oppervlakte van de taal en het verhaal - als het ware zoals je over het ijs lopend er door heen zonder speciaal iets te zoeken naar beneden kijkend - allerlei dingen gewaar wordt die je sterk te denken geven. Alsof de auteur uit de schat van dingen die zij door eigen ervaring heeft ontdekt, een aantal zaken aan de lezer te zien geeft - als hij de moeite wil nemen. En de indruk die de schrijfster daarbij op mij maakt, is dat zij diep in het water en de grond onder dat ijs is doorgedrongen en daar een aantal schatten gevonden heeft, die zij zorgvuldig heeft afgepoetst en bekeken en er de waarde van geproefd heeft en ze nu zo voor de lezer, argeloos en wel, op zijn pad neerzet dat hij de kans heeft ieder juweeltje in die schat zelf op waarde te proeven.
Ik heb zelf een paar van die schatten aangestreept. De belangrijkste voor mij zijn enkele zinsneden op blz. 49 maar er zijn er natuurlijk veel meer die ik hier niet allemaal aanhaal. Die zinsneden zijn:

' "Niemand ademt zelf," zei ik. ... "Als we zelf zouden ademen, zouden we kunnen stoppen met ademen wanneer we dat zouden willen. Maar we kunnen alleen onze adem inhouden." Het gevoel, dat er 'iets' in je ademt, laat staan dat er 'iemand' in je ademt, is behoorlijk verontrustend. ... '

Ik vraag me in ieder geval nu af wat ieder van ons zou antwoorden op de vraag: Wat ademt er door jou heen?! En zulke thema's zijn er meer. Al met al een boeiend boek dat makkelijk leest maar impliciet zaken aan de orde stelt waarover je nog even blijft nadenken. Geschreven in een bijzondere taal of verhaalvorm die in de heldere vertaling prettig leest. Ook los van de aparte spirituele thema's want daarvoor is de situatie en zijn de ontmoetingen te intrigerend, terwijl er anderzijds 'nauwelijks' iets gebeurd is van enig maatschappelijk of groot persoonlijk belang, zou je zeggen. Waar gaat dit verhaal eigenlijk over?!
23 augustus 2005

Pierre Hadot, Philosophy as a Way of Life: Spiritual Exercises from Socrates to Foucault, Edited with an introduction by Arnold I. Davidson, Translated by Michael Chase, [with very good select bibliography and outstanding index of subjects and names, ]UK Oxford / USA Malden MA (Blackwell) 1998-5th printing, 309 pp.

This book is incomparably rich in contents. It not only abundantly illustrates that theological and philosophical reasoning (as every theoretical discourse) is deeply embedded within the practical life of its subjects or agents, including the problems and goals of this life and its need for orientation, it also illustrates this - giving much invaluable insight and information - at the most central figures in Western philosophy and theology, like Socrates, the Epicureans, Stoicism (for Dutch readers I refer to some
Dutch translations of works of Epictetus here), Seneca, Marcus Aurelius, Plotinus, Augustine, Kierkegaard, Nietzsche and Wittgenstein, to name but a few. For to them thinking was an expression of and had its goal in a life practice. It was a spiritual exercise. Indeed it is possible to explain many theories (for example in Marcus Aurelius and in Augustine) from their deeper motives, the "rationale" behind them, seen within a much wider context of life and culture, be it personal, be it even the changes - congruences and discontinuities - between historical periods as for example the Classical Age and The Christian Age, the unavoidability of those continuities and discongruences etcetera. And he shares not only that but what is more important still, he gives us means to acquire insight into ourselves, and to practice living in our times in a conscious way ourselves. To illustrate this here as short as possible I would like to cite from the pages 279-285 of the biographical interview with the author - a famous and very high regarded French historian of philosophy and philosopher - at the end of the book:

"... I have always believed that philosophy was a concrete act, which changed our perception of the world, and our life: not the construction of a system. It is a life, not a discourse.
... To sum up my inner evolution, I would say the following: in 1946, I naively believed that I, too, could relive the Plotinian mystical experience. But I later realized that this was an illusion. The conclusion of my book Plotinus already hinted that the idea of the "purely spiritual" is untenable. It is true that there is something ineffable in human existence, but this ineffable is within our very perception of the world, in the mystery of our existence and that of the cosmos. Still, it can lead to an experience which coul be qualified as mystical.
...
I have tried to define what philosophy was for a person in antiquity. In my view, the essential characteristic of the phenomenon "philosophy" in antiquity was that at that time a philosopher was, above all, someone who lived in a philosophical way. In other words, the philosopher was someone whose life was guided by his or her reason, and who was a practitioner of the moral virtues. ...We can ... observe it in Xenophon, where Hippias asks Socrates for a definition of justice. Socrates replies: "Instead of talking about it, I make it appear through my actions." (See the interesting context and also another very important book, viz. A. Nehamas, The Art of Living: Socratic Reflections from Plato to Foucault).
Spiritual exercises do not correspond to [are not only strictly causally dependent on, BK] specific social structures or material conditions. They have been, and continue to be, practiced in every age, in the most widely diverse milieus, and in widely different latitudes: China, Japan, India; among the Christians, Muslims, and Jews.
...
The Stoics were saying exactly the same thing as Einstein, when he denounced the optical illusion af a person who imagines himself to be a separate entity, while he is really a part of that whole which we call the universe. Einstein also declared that it is our duty to open our hearts to all living beings, and to all of nature in her magnificance.'
...
The problem is not so much to repress such-and-such a passion, as it is to learn to see things "from above," in the grandiose perspective of universal nature and of humanity, compared to which many passions may appear ridiculously insignificant. It is then that rational knowledge [being a function of this higher view, possibly as well as of the realization of the person, BK] may become force and will, and thereby become extremely efficacious.
...
Everything which is "technical" in the broad sense of the term, ..., is perfectly able to be communicated by teaching or by conversation. But everything that touches the domain of the existential - which is whst is most important for human beings - for instance, our feeling or existence, our impressions when face by death our perception of nature, our sensations, and a fortiori the mystical experience, is not directly communicable. The phrases we use to describe them are conventional and banal; we realize this when we try to console someone over the loss of a loved one. That's why it often happens that a poem or a biography are more philosophical than a philosophical treatise, simply because they allow us to glimpse this unsayable in an indirect way. Here again, we find the kind of mysticism evoked in Wittgenstein's Tractatus: "There is indeed the inexpressible. This shows itself; it is the mystical." "

Until yet I have not had the opportunity to read all parts of the book myself. Nevertheless it seems to me indispensable for everyone interested in the history of (at least Western) spirituality. The introduction into the thought and methods (ways of coming to his results) of Hadot by Davidson is very elucidating. The contents seem in any regard very reliable historically as well as "spiritually". At which point I prefer to stop using words, just pointing to this moon of insight and even wisdom. 24 August 2005

Alexander Nehamas, The Art of Living: Socratic Reflections from Plato to Foucault, [including very extensive notes, bibliography and index, Berkeley / Los Angeles / London (Univ. of Calif. Press) 1998, 283pp.

Nehamas stelt dat filosofie volgens Plato tot doel had een filosofisch leven te leiden. Dat wil zeggen een leven dat de waarden waaraan de filosofie aandacht gaf, weerspiegelde - het gaat ook bij Aristoteles' ethiek nog om karaktervormende deugden - en dat rekening hield met de best mogelijke manier waarop die waarden aandacht konden krijgen. En dat Plato figuur van Socrates zo neerzette in zijn werken dat we hem enerzijds als model gaan beschouwen van dat filosofische leven (en van filosofie als levenskunst). En anderzijds geen greep krijgen op de verhouding tussen Socrates' wijze van filosoferen en zijn wijze van leven zónder dat we gedwongen zijn onze eigen antwoorden te zoeken op onze eigen vragen wat de beste wijze van leven zou zijn! (Over sterk vergelijkbare thema's zie ook Pierre Hadot,
Philosophy as a Way of Life: Spiritual Exercises from Socrates to Foucault.)
Nehamas illustreert de literaire werkwijze van Plato aan die van Thomas Mann in Der Zauberberg waarin aan de hoofdfiguur Hans Castorp ook de ironie geïllustreerd wordt, evenals - mutatis mutandis- aan Socrates. Nehamas gaat uitvoerig in op de verhouding tussen literatuur en filosofie bij Plato. En leest Plato niet vanuit de conclusies die later over Plato zijn getrokken maar vanuit zijn literaire optiek en werkwijze waaruit Socrates als model naar voren komt.
Het gaat bij Socrates om authenticiteit. En de individualistische denkers in de Westerse geschiedenis bij uitstek, Montaigne, Nietzsche en Foucault, grepen dan ook niet toevallig op hem terug. Waarbij ze niet alleen hun eigen Socrates-beeld schiepen maar ook hun eigen visie formuleerden op de beste wijze van leven.
Dit boek is een weergave en uitwerking van de Sather Classical Lectures die de auteur in 1992-1993 gehouden heeft aan het Department of Classics aan de Universiteit van California in Berkeley. Het betoog houdt tegelijk rekening met zowel alle relevante informaties als logische redeneringen op detailniveau en met de hoofdlijnen die de praktische betekenis van filosofie als levenskunst ondersteunen. Dat maakt het lezen tot zowel een intellectueel en inspirerend genoegen als tot een hele - want soms veelomvattende - klus.
Ik heb dit boek nog niet helemaal gelezen - wel zoveel (inleiding en eerste hoofdstuk) dat ik bovenstaande regels geheel kan verantwoorden - maar de inhoud is dat zeker waard. Speciaal voor hen die al vermoedden dat filosofie zeker tot de Middeleeuwen vooral de taak had om die karaktervorming te bewerkstelligen die tot de beste wijze van leven zou voeren. Filosofie omvatte toen nog zowel de letteren als de psychologie!
31 augustus 2005

Arnon Grunberg, De joodse messias, Amsterdam (Vassallucci) 2004, 494 pp.

Dit is het eerste boek dat ik van Arnon Grunberg heb gelezen. Ik las tot nu toe zijn essays in NRC Handelsblad en zijn columns in Wordt Vervolgd, het blad van Amnesty International Nederland. Beide vond ik inhoudelijk sterk en een plezier om te lezen, al mag hij graag een zijweg inslaan die zijn ongebreidelde geheugen en logica hem ingeven. Vaak met een goed of zelfs bijzonder goed resultaat, soms ook wat sterker op het stilistische dan op het inhoudelijke vlak - althans op het eerste gezicht. Dus bijna altijd erg de moeite waard.

Aangezien de thematiek in deze roman mij in het verleden niet onberoerd heeft gelaten, had ik een eerste keer veel moeite om in het verhaal te komen. Ik heb het na zo'n 50 bladzijden weggelegd. De speelse taal woog voor mij niet op tegen de thematiek - die de auteur vanaf het begin zwaar over de lezer heen durft te gieten.
Zware thema's genoeg in deze roman. De Duitse Nazi's en de SS die de holocaust uitvoerden, en tegelijk vaak brave huisvaders waren. De ontkenning van het verleden. Vele eigenaardigheden van sommige varianten van Joodse wereldburgers, van een autistische rabbijn en zijn grote gezin tot het kiesvolk van de staat Israël. De nazaten in Europa en Israël die de Tweede Wereldoorlog overleefden, en die zich met de andere partij identificeren of dat althans lijken te willen of er minstens een verhouding toe moeten vinden. De kleinzoon van de SS-er is hoofdpersoon. Hij raakt bevriend met de zoon van de rabbijn en via allerlei wederwaardigheden waarin de homoseksuele relatie en activiteiten van beiden een grote rol spelen, wordt hij president van Israël en onderhandelt met de leider van de Palestijnen, net als alle figuren in deze roman geschetst als iemand die zijn oorspronkelijke idealen bij lange na niet waarmaakt. De kortzichtigheid en kleinburgerlijkheid die overal toeslaat. Ondanks de lichtvoetige taal vreesde ik het boek niet te kunnen pruimen, vanwege de zware thematiek.
Toen zei iemand die het ook aan het lezen was, hoe onvoorstelbaar grappig het steeds was, iets wat ik mij kon voorstellen want ik had de hilarische passages over de vrijwillige besnijdenis van de hoofdpersoon al bijna geheel gelezen. En zo begon ik een tweede keer, gewoon verder gaand. En dat werd een prettige leeservaring. De verhaallijnen zijn prachtig gecomponeerd en uitgewerkt. De schrijver neemt je als lezer mee. Er is voortdurend veel te genieten, inderdaad ook de humor, tussen de vele ellende door. De verslaving van de rabbijn aan gekochte seks staat prachtig naast de verslaving aan onder andere homoseks van andere figuren. En niet los van het lijden onder fundamentalisme en de onderdrukking van elementaire behoeften. Inderdaad worden er mensonterende zaken aan de orde gesteld en vooral ook onze pretenties gerelativeerd. Niet in de laatste plaats de pretenties van godsdienst en politiek, vooral in hun fundamentalistische dan wel opportunistische vormen. De zware thema's worden dus spelenderwijs omgezet in vragen aan de lezer en dat vind ik een prestatie.
Doet de auteur daarmee recht aan de thema's? Hij kan zelf weten hoe lastig het is om als nazaat van holocaustslachtoffers (of van iedere getraumatiseerde) op te groeien. Van grote thema's - die je door hun gewicht vermorzelen, die soms ook overdreven zijn, in de aandacht die ze eerst niet en later soms wel eens te veel kregen - maakt hij menselijke thema's. Die je in proportie kunt zien, en daarmee ook van de humoristische kant kunt benaderen. Die menselijke maat legt hij ook aan het moderne individualistische leven aan met zijn kortzichtige patronen van consumptie. Eerst even genieten en de rest komt dan later wel. Maar ondertussen ontloopt niemand aan zichzelf.
Het boek eindigt met een pikzwarte apocalyps: Israël - in de persoon van de uit zijn evenwicht geraakte hoofdpersoon - gebruikt de atoombom. Humor? Of toch een vraag aan de lezer?
Een buitengewoon lichtvoetig geschreven en zeer plezierig leesbaar verhaal, bovendien sterk gecomponeerd, is hier verbonden met een aantal zware thema's. Thema's die niet expliciet behandeld worden maar wel mee blijven spelen en voor veel lezers en zeker voor de auteur een belangrijke rol blijven spelen voorlopig. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat de auteur een aanzienlijke bijdrage levert aan het verwerken van de thema's en vooral ook aan het relativeren van vooroordelen die vele groepen mensen voor elkaar en hun gedrag koesteren, door dit mooi geschreven boek. Merkwaardig, en knap gezien en gebruikt, dat de seksualiteit - hetero en homo - zo duidelijk naast de andere thema's zowel zelf tot thema als tot relativering van de zwaarte van alle andere thema's wordt in dit boek.
Een meesterwerk? In ieder geval een knappe en prachtige roman. En naast het leesgenot dat die oplevert, zal ook de thematiek nog lang van grote betekenis blijven. Misschien verdienen de personen uit het boek uitwerking en vooral verdieping van hun persoonlijke dilemma's in volgende romans van de auteur. De dilemma's worden nu veelal uitgewerkt in de vaart van het verhaal en de handeling en minder in zelfbespiegeling. De auteur geeft wel vaak impliciet commentaar - hilarisch, filosofisch en veel meer - maar daar lees je snel overheen als je niet oppast. Dat is voor het verhaal goed. Dus de diepte toch liever onuitgewerkt laten? Dat maakt dat de figuren wat minder dicht bij de persoon van de lezer komen en wat meer sjablonen blijven. Maar zelfs de figuren in hun huidige vorm - Victor, diens moeder, Victors vriend Awromele, diens vader de rabbijn, Victors pedofiele besnijder, de Palestijnse leider en vele andere - zullen de lezer op een bepaalde manier nog lang bijblijven.
Ik ben bepaald nieuwsgierig naar andere reacties op dit bijzondere en waardevolle boek. Aanbevolen!
18 oktober 2005

Jan Siebelink, 'Witte chrysanten', in: Nachtschade: Verhalen, Amsterdam (Meulenhoff) 1981-3e druk (1975-1e) pp. 23-39

Dit verhaal van 17 snel gelezen pagina's beschrijft uit het oogpunt van een zoon hoe lastig zijn vader het heeft in zijn beroep van bloemenkweker om de bloemen verkocht te krijgen. Kwade genius is een bloemenverkoper met een lelijk karakter die vader en zoon koeioneert. Hoofdpersonen zijn vader en zoon, uiteindelijk vooral de zoon die met de voor weerloosheid kiezende vader meeleeft en hem zoveel mogelijk helpt maar zelf ook niet veel verder komt dan machteloosheid. Behalve in gedachten, en in dit verhaal. Want het is sterk autobiografisch. En sterk gecomponeerd. En toch naar een mededeling van de schrijver in één adem geschreven op de avond van het overlijden van zijn vader, thuis in de huiskamer in de aanwezigheid van zijn moeder. Over de vader en moeder gaat de roman
Knielen op een bed violen, verschenen in 2005, dus dertig jaar later!
18 oktober 2005

Idem, Knielen op een bed violen: Roman, Amsterdam (De Bezige Bij) 2005, 446 pp.

Hoewel ik het andere werk van Jan Siebelink niet ken - behalve het verhaal
'Witte chrysanten' - ben ik geneigd deze roman zijn magnum opus te noemen. Hoewel het boek een literaire weergave is van het leven van zijn vader en moeder, is de auteur zelf namelijk ook hoofdpersoon in het boek, omdat het onderwerp hem in alle opzichten hevig raakt, vanaf zijn geboorte tot nu toe. Siebelink laat zien dat de door godsdienst beheerste geest van zijn vader ook al herkenbaar was in de geest van zijn grootvader en ook in hem zelf is verder gegaan, zowel in erfelijke als in cultuur-traditionele zin. In een tv-interview zag ik de auteur zeggen dat hij in mooie literair verantwoorde taal de gruwelijke en soms mooie momenten uit het leven van zijn ouders en hem zelf heeft willen verbeelden en zo een monument voor die geschiedenis heeft willen oprichten. Vooral voor zijn moeder. Zonder het standpunt van zijn vader te delen, heeft hij er altijd ook begrip voor gehad, is er door aangetrokken geweest.
Voor mij gaat dit boek in de eerste plaats over het godsdienstige milieu dat Siebelink beschrijft. Hoewel ik zelf niet uit zo'n zwaar gereformeerde hoek kom als deze broeders, ken ik wel het benauwende van de gereformeerde godsdienst. Dat viel deels samen met het benauwende van al het kleinburgerlijke leven, bijvoorbeeld in de kring van het communistische gezin van het Reve, beschreven in De Avonden, en ongetwijfeld ook in liberale kleinburgerlijke gezinnen. En het kwam zeker ook voor in andere fundamentalistische hoeken, van rooms-katholiek tot allerlei andere christelijke groeperingen en sekten. Maar van de combinatie van een bevindelijke opvatting van de protestantse religie met de relatie- en gezinsstructuren zoals in deze roman, niet los van de harde strijd om het bestaan van een middenstander, herken ik toch wel heel veel. Mijn ouders dreven zelf een tuinderij annex zaadwinkel en waren ook gereformeerd, en dat op Walcheren waar de bevindelijkheid voldoende aanwezig is om ook algemeen bekend te zijn in de verhalen die mensen over elkaar vertellen. Zelf heb ik ook wel eens een boodschap voor mijn ouders moeten doen die ik achteraf toch wel een tamelijk zware last vind voor een kind, overigens misschien meer vanwege het 'moest' dan vanwege de pittige taak zelf. Overigens niet te vergelijken met de verantwoording die de auteur op zich nam voor de verkoop van de kwekerij van zijn vader. Ik probeerde mij er nogal aan te onttrekken. Het zware is dat je - of het nu om economische verantwoordelijkheden gaat of om andere - zonder dat je er goed over hebt nagedacht mentaal voor je ouders of hun geloof inspringt en hun rol overneemt. En dat een normale zaak gaat vinden dat je het internaliseert en er later pas achter komt dat die keuze je eigen leven gaat bepalen, zoals in mijn geval. Daarom krijg ik bij het voorbeeld van Siebelinks vader de vraag of die zich nu bewust was dat hij voor de droom koos in plaats van voor het levensonderhoud van zijn gezin. Ik denk dat velen terecht snel het woord godsdienstwaanzin - of verslaving - gebruiken en toch kan ik me ook voorstellen dat het een uitweg was waar je begrip voor kunt hebben. Hoeveel andere vaders - of moeders of andere gezinsleden - zijn niet af en toe een paar dagen 'zo maar weg'? Het verschil is waarschijnlijk wanneer het structureel wordt, niet meer herstelbaar, niet meer bespreekbaar. En dat lijkt het in deze prachtige roman.
Los van andere kwaliteiten van deze roman vind ik het een grote prestatie om de bijzondere taal van de speciale gereformeerde traditie van zijn vader en diens medebroeders, zo helder en zo herkenbaar neer te zetten. [Latere toevoeging: in dat opzicht is het boek van Siebelink het bewijs dat zijn vader op dit punt gelijk had, dat mooie taal werelden voor mensen kan openen - zij het zowel werelden van goede en positieve werkelijkheden als van kwade en negatieve. Zie ook onder voor een tweede latere toevoeging bij deze bespreking.]
Omdat ik begrijp dat de belangstelling voor de roman ongemeen groot is - naar ik aanneem van zowel mensen binnen als buiten de kring van aan de gereformeerden en hun verleden verwante gezindten - verwacht ik dat er nog veel over geschreven zal worden. Ik verwijs zelf naar mijn bespreking van het boek Het geloof der vaderen van Gertjan van Dijk. Hoe dit bevindelijke geloof in de praktijk functioneert, laat Siebelink mijns inziens als geen ander zien (misschien ken ik de preken die deze gezindte leest, en de streekromans die over deze gezindte gaan, niet voldoende). Hij beschuldigt niet, hij overdrijft niet, hij schildert een buitengewoon respectvol beeld - hoe angstaanjagend en gruwelijk ook in sommige opzichten. Hij laat natuurlijk vooral de innerlijke en uiterlijke strijd zien die zijn vader en moeder en hun hele omgeving, kinderen niet in de laatste plaats, moeten voeren met wat ik hier maar de verslaving van de vader aan zijn religie zal noemen. Iets wat ik in eigen persoon ken. De regelmatige terugval, het liegen, het rechtlijnige omgaan met principes omdat dat geacht wordt volgens de wil van God te zijn - terwijl het natuurlijk in diepere zin meestal om de eigen aandrang gaat. Een van de grootste problemen lijkt mij dat het regiem van het patroon met zich meebrengt dat bepaalde zaken noch voor de verslaafde zelf noch voor zijn omgeving bespreekbaar kunnen worden. Omdat de principes dat taboe verklaren.
Wat ik buitengewoon waardevol vind, is dat Siebelink deze gezindte en hun in Nederland grote groep verwanten ineens op de kaart van de publieke opinievorming zet. Een kaart waar ze zelf graag uitblijven, dan kunnen ze hun ongestoorde gang blijven gaan. Maar door deze publicatie zal de aandacht voor personen die in deze gezindten tussen wal en schip zijn geraakt of dreigen te raken, iets groter kunnen worden. Aandacht die de geestelijke gezondheidszorg, de medische zorg, het onderwijs, en vele andere instellingen van de overheid node aan deze groep dienen te geven. Te vergelijken met de zorg aan bijvoorbeeld meer fundamentalistische islamitische groeperingen waarvan ook bekend is dat daarbinnen veel individuele personen - meisjes en jongens, vrouwen en mannen - het erg moeilijk hebben zonder dat de hulp hen voldoende bereikt.
Wat maakt het dat je je ongestoord op je godsdienst kunt beroepen terwijl je evident jezelf en anderen in het ongeluk aan het storten bent? Antwoord: dat is omdat die godsdienst dezelfde principes hanteert die ook elders in de cultuur de dienst uitmaken, zoals de voorrang van man boven vrouw en van hoog boven laag in hiërarchische zin, onder het mom van spirituele waarden. Maar het criterium voor hulp moet zijn of iemand die hulp nodig heeft en niet of het gezin, de ouders, de school, de instelling enzovoort waarbinnen de hulpbehoevende functioneert, de vlag van de juiste principes uitsteken. En zo de hulp - die buitengewoon nodig is en terecht zou zijn maar als onplezierige bemoeienis wordt ervaren - kunnen voorkomen. [Latere toevoeging: ik zou geneigd zijn nu de conclusie te trekken dat het probleem hem dus zit in de al te rechtlijnige en strakke - en mogelijk of waarschijnlijk zelfs onbewuste - toepassing van bepaalde principes die men heeft aangeleerd en overgenomen. Niet in de mooie taal waarin die principes of hun toepassing werden verpakt, juist niet daarin, al speelde die uiteraard - deels bewust - haar dienende rol ook in het toepassingsproces. Ik zou dus - vanuit deze optiek! - aan Siebelink de vraag voor kunnen leggen of hij wat betreft de opvatting, hantering of toepassing van de onderliggende principes op het punt van gedrag en van taal wellicht verder is gekomen dan de generaties voor hem (zijn vader en grootvader met name) of dat hij met zijn roman alleen of vooral het literaire resultaat nastreefde (wat hem goed gelukt is, en waarmee hij zijn vader op het punt van de waardering voor de taal juist sterk bevestigt)? In ieder geval vind ik dat mijn taak als lezer; hoe kijkt hij daar persoonlijk - nu de taal die zijn vader zo betoverde, ons lezers zo meeneemt in zijn verhaal - tegenaan? Want stel je eens voor waartoe een andere wijze van het hanteren van die principes zou kunnen leiden, zonder dat daarvoor de mooie taal en de betovering opgeheven zouden hoeven te worden! Of is de 'onvolkomenheid' die inherent aan het leven is - het kan alleen bestaan doordat het verandert en vergaat - voor Siebelink geen 'blijvend' iets? Of is hier wellicht sprake van vormen van afwisseling; en welke zijn dan normaal en welke niet, binnen bepaalde culturele grenzen (die waarschijnlijk ook nog minstens per generatie verschuiven)?]
Voor wie van een mooie roman houdt en de thema's kan verdragen en begrijpen (speciaal mensen die de traditie van deze religieuze broeders of verwante tradities kennen of erin leven): zeer aanbevolen!
18 oktober 2005

Guus Kuijer, Het boek van alle dingen: Met tekeningen van Peter-Paul Rauwerda, Amsterdam Antwerpen (Em. Querido's Uitgeverij B.V.) 2005, 103pp.

Een uiterst plezierig en humoristisch leesboek. Het thema en het onderwerp zijn pittig. Namelijk hoe een vader in de jaren vijftig van de vorige eeuw zijn gezin, speciaal echtgenote en zoon, op pijnlijke wijze onderdrukt en daarbij ouderwetse godsdienstige argumenten op een oneigenlijke manier hanteert. Zoon Thomas weet echter het geluk te blijven zoeken en vindt daarbij hulp. Van een wijze buurvrouw en ook in verschijningen aan hem van 'de Here Jezus' die gelukkig aan de kant van Thomas en zijn moeder staat en Thomas moed inspreekt en aan ideetjes helpt. De moeder krijgt gelukkig hulp van verschillende tantes en de buurvrouw. Alles leidt tot een gezellig voorleesfeest waarbij de rigide vader geheel op een zijspoor belandt. Een prachtig en meeslepend verhaal met uitersten van goed en kwaad, en vele stemmingen, met bovendien veel humor geschreven. Net als het boek van Siebelink
Knielen op een bed violen is dit boek herkenbaar voor veel personen die uit protestantse gezinnen komen, speciaal die in de jaren vijftig zijn opgegroeid vermoed ik. Zo een ben ik er zelf immers ook. Wat een wonderlijk iets dat op zoveel plaatsen dezelfde patronen zich afspeelden - en wat goed dat Kuijer zijn en (voor wie het geldt) ons aller geschiedenis zo mooi in beeld brengt, inclusief de tegenkrachten en remedies. Zeer aanbevolen.
18 oktober 2005


Retour naar overzichtspagina gelezen teksten


Google
"To Serve Divine Wisdom, in Full Awareness of Death and Life
Waiting for Her unmistakable Signs,
Tapping from and Revering the Source of True Healing, the Kingdom of Complete Eternity
Manifesting Always through All Polarities and Changes Here and Now" (Kalliopeia)

Ieder apart wezen compleet en diep één met zijn eeuwige grond, verbonden in één gewaar-zijn


URL: http://www.bk-books.eu/lezen20.html
Version 4 = latest revision of 18 October 2005 (Version 1: 19 August 2005)
© 2005 Boudewijn Koole; copying admitted
in case acknowledgement is provided (at least reference to site: www.bk-books.eu and with link to url (unique resource location or web-address) of the text copied or referred to; if wished so with your valuation)