De mysterieuze Jezus: Was Jezus oorspronkelijk een heidense god?: vertaald door Manda Plettenburg en Bram Moerland, [met 12 afbeeldingen in kleur, (uitgebreide) Noten, Wie is Wie, Index, Bibliografie, Index van afbeeldingen, ]Den Haag (Synthese) 2005, 439pp.
Tom Harpur,
De 'heidense' Christus: Herontdekking van het verloren licht, [met drie Aanhangsels, Verklarende woordenlijst, Noten, Literatuur, Register, ]Deventer (Ankh-Hermes) 2004, 231pp.
Timothy Freke en Peter Gandy, De mysterieuze Jezus: Was Jezus oorspronkelijk een heidense god?: vertaald door Manda Plettenburg en Bram Moerland, [met 12 afbeeldingen in kleur, (uitgebreide) Noten, Wie is Wie, Index, Bibliografie, Index van afbeeldingen, ]Den Haag (Synthese) 2005, 439pp.
Tom Harpur, De 'heidense' Christus: Herontdekking van het verloren licht, [met drie Aanhangsels, Verklarende woordenlijst, Noten, Literatuur, Register, ]Deventer (Ankh-Hermes) 2004, 231pp.
Karlheinz Deschner, Abermals krähte der Hahn: Eine Demaskierung des Christentums von den Evangelisten bis zu den Faschisten, [met uitgebreide noten, afkortingen, literatuurlijst en registers van personen en zaken, ]Reinbek b. Hamburg (Rowohlt Taschenbuch Verlag) 1978-3e druk 41e-45e duizendtal, 727pp.
Idem, De Kerk en haar kruis: Geschiedenis van de seksualiteit in het Christendom, Amsterdam (Arbeiderspers / Wetenschappelijke Uitgeverij) 1978 (1974-Duitse origineel), 373pp.
Peter J. Tomson, 'Als dit uit de hemel is …': Jezus en de schrijvers van het Nieuwe Testament in hun verhouding tot het Jodendom, [met Methodologische verantwoording, Literatuur, Afkortingen, Speciale woorden en namen, Register van bronnen, ]Hilversum (B. Folkertsma Stichting voor Talmudica) 1997, 412pp.
Wilfried Hensen, Christendom en chassidisme: een verkenningstocht, Baarn (Ten Have) 1993, [met Noten, ]107pp.
Eginhard Meijering, Geschiedenis van het vroege christendom: Van de jood Jezus van Nazareth tot de Romeinse keizer Constantijn, [met (uitgebreide) Noten en Register, ]Amsterdam (Balans) 2004, 528pp.
De besproken boeken leveren heel wat interessant materiaal. Deschner als aanjager van de noodzaak van een nieuwe visie op de geschiedenis van het christendom en als propagandist voor een humanere opstelling van de kerken.
Meijering als zorgvuldige en uitgebreide beschrijver van de geschiedenis van de overwinnende tak van het vroege christendom. Te weten de algemeen-kerkelijke groepen die het van de andere vormen won en vanaf de vierde eeuw de enige erkende en door de staat gesteunde christelijke godsdienst was in het Westen. Toegespitst op de winnende leer en organisatievorm. Over Mani spreekt hij niet, en ook nauwelijks over de verliezers. Dat is niet bepaald objectief. In die zin is de titel van zijn boek misleidend.
Tomson als uitlegger van het Nieuwe Testament en zijn omgeving in het beslist erg verhelderende licht van de Joodse omgeving die erin doorklinkt. Een aanrader voor iedereen die het Nieuwe Testament beter wil begrijpen. En een eerste indruk van Joodse achtergronden van christenen in de eerste eeuwen, vooral de traditionele.
Hensen als sympathieke propapandist van het chassidisme dat hij niet alleen in Oost-Europa van de laatste eeuwen maar ook in de Middeleeuwen en in het Palestina ten tijde van Jezus terugvindt. En een beeld van Jezus schetst dat wel enigszins past bij het beeld van Tomson.
En tot slot Freke en Gandy, ondersteund door Harpur, die laten zien dat het christendom veel elementen incorporeerde en voortzette die via de mysteriecultussen rondom de figuur van Osiris-Dionysos oude invloeden uit onder meer Egypte en Griekenland representeerden. Een ware ontdekking! Die hopelijk nog tot veel onderzoek en inspiratie zal aanleiding geven.
Bekende Joodse en Griekse invloeden als de Esseense, de Farizeese en de klassiek-filosofische zijn in deze bespreking nauwelijks aan de orde geweest, maar de besproken boeken bevatten samen verwijzingen genoeg voor wie er zelf naar op zoek wil gaan. Voor de filosofie zijn er trouwens vele aparte studies. Ook op Internet is er veel te vinden. De kunst is wel om onbevooroordeelde en deskundige teksten te vinden. Enige ervaring en studie en vooral een open oog zijn daarbij van groot belang. Net als een zelfstandig oordeel, bereidheid om standpunten van anderen te begrijpen, en ook het aangeven van eigen standpunten. Het gaat bij spiritualiteit en religie niet (misschien wel bij hun geïnstitutionaliseerde vormen, de godsdiensten) om volledigheid van kennis in de zin van het kennen van alle feiten in hun juiste samenhang. Maar het gaat om openheid voor de veelvormige werkelijkheid en uitwisseling van de energieën die universele verbondenheid uitdrukken voor elk individu, elk individueel verschijnsel, elk moment. En om godsdiensten in die richting om te buigen, of spiritualiteit niet van die wijs te laten brengen, is kennis van hoe godsdiensten historisch gegroeid zijn - verstard, en weer vrijer geworden - soms niet onbelangrijk. Dat helpt de individuen die daarmee te maken hebben of daarvoor zich willen vrijwaren. En omdat starheid en vrijheid net als meer polariteiten vaak verweven zijn, is het wellicht ook leerzaam voor wie hun spiritualiteit op dit moment een of de goede wijs voelen hebben.
Inmiddels huiver ik om generaliserende kwalificaties te gebruiken als Joods, christelijk, vroege christendom, en dergelijke. Want het blijkt dat ieder deze gebruikt om enorme hoeveelheiden verschijnselen van uiteenlopende aard op een noemer te brengen die deze variatie nauwelijks verdragen kan of die door deze variatie nauwelijks gerechtvaardigd wordt. Hoe kun je als Meijering aan zijn boek de titel Geschiedenis van het vroege christendom geven als je alleen die stromingen behandelt die passen bij het latere christendom dat vanaf de vierde eeuw de andere stromingen had overwonnen en verketterde? Dan is of je definitie van christendom misschien te ruim - omdat je je eigenlijk wil beperken tot bepaalde vormen ervan - of je weergave van de verschijnselen niet zo objectief als bij een wetenschappelijke pretentie past. Is het beter voor 'vroege christendom' te spreken van 'christenen vóór het christendom' (dan beperk je de definitie van "het christendom" tot de overwinnende variant) of 'christenen in de eerste eeuwen'? Het probleem blijft dat we te snel geneigd waren de religieuze groepen in die periode onder te brengen in ons eigen perspectief, terwijl we het eerst vanuit het hunne zouden moeten proberen te begrijpen en beschrijven. Wanneer begon een Jood zich meer christen te voelen dan Jood? Waarom zou hij daarin een tegenstelling zien, en als dat het geval was, hoe zou hij die dan definiëren in verschillende omgevingen en tijden? Wanneer begon een 'heiden' zich meer Jood of christen te voelen dan 'heiden' (waarbij ik onder heiden voor het gemak zowel de klassiek-Grieks en -Romeins georiënteerden versta als de andere hellenistische religeuze en culturele stromingen)? Wanneer ontstond het idee dat er één 'christendom' was? Waren er daarvoor niet allerlei, op zijn minst meerdere soorten 'christenen' - als ze zichzelf zo al zagen? Zagen ze hun waardering voor Jezus of voor Christus als het onderscheidende element in hun zelfdefinities of was dat element minder bepalend dan andere, bijvoorbeeld dat ze zich een nieuwe of 'moderne' spiritualiteit toedichtten, en hoe omschreven ze dat dan? Tegen welke andere definities zetten ze zich af, wat vinden ze bijvoorbeeld ouderwets? Hoe hebben die definities zich in de loop van de tijd geografisch ontwikkeld en wat is hun relatie tot de oorspronkelijke impulsen die van Jezus zijn uitgegaan? Is het per se nodig dat er zo een relatie is, wil spiritualiteit waardevol zijn? Wat betekent dit voor de rol die christenen en hun zelfverstaan toen speelden en nog kunnen spelen in de spirituele ontwikkelingen van mensen in deze tijd?
Later tijdens mijn studies ontdekte ik dat het net andersom was dan ik als kind en jongen had geleerd. Toen enkele eeuwen na het optreden van Jezus de kerk eenmaal gevestigd was verklaarde ze de door haar ontwikkelde visie (haar eigen opvatting en uitdrukking van de waarheid) tot de oorspronkelijke. Maar het is heel goed aan te tonen dat de kerkelijke waarheid niet de oorspronkelijke is maar een aan de maatschappelijke rol van de kerk aangepaste. De beslissingen over de geloofsbelijdenis, over de leer, over de orde van dienst, over de samenstelling van de bijbel, over de wijze van organisatie, zijn toegespitst op de politieke relevantie ervan. Te weten het voortbestaan van de kerkelijke organisatie als ondersteuning van dat van de religie zelf. Maar in de praktijk ook van de positie van de leiding van de staat en van de bisschoppen, de leiders van de kerk. Een zo uitgesproken officiëel-politieke functie komt in de oorspronkelijke bewegingen en teksten waaruit de christenen zijn ontstaan, beslist niet voor. De feiten zijn veel meer dat er een grote variatie was waarvan sommige elementen zijn samengevoegd en andere zijn verdwenen of zelfs bewust vernietigd. Die variatie kan tegenwoordig bestudeerd worden.
De boeken die ik in deze bespreking noem, stellen voor een deel heel nieuwe visies voor op het ontstaan van het christendom, het ontstaan van het Nieuwe Testament, de historische Jezus en het beeld dat door zijn volgelingen over Jezus is gevormd. Zij bieden ook een enorme hoeveelheid vaak nieuw materiaal, althans nieuw in die zin dat het in die samenstelling tot voor kort niet zo gemakkelijk toegankelijk was. Dat is onvermijdelijk omdat zal blijken dat de tot voor kort dominerende visie van de kerken dit materiaal verkeerd weergaf, bewust of onbewust eenzijdig. Grote vragen zijn vervolgens of de visie die nu voorgesteld worden, kloppen met het materiaal en met elkaar. En welke verdere gevolgtrekkingen uit de nieuwe onderzoeken te maken zijn.
Doordat ik het voorrecht had mijn promotieonderzoek over de mysticus Jacob Boehme te verrichten onder leiding van professor Gilles Quispel leerde ik opletten wat er op deze gebieden te leren viel. Hij is niet alleen een eminent kenner van de geschiedenis van de vroege kerk en van de klassieke cultuur maar ook nog wereldvermaard specialist op het gebied van de gnostiek. Dat was in eerste instantie te veel om in één keer in me op te nemen. Maar door de jaren heen vielen er heel wat kwartjes bij me - en stukjes van de legpuzzel van de geschiedenis op hun plaats. Overigens verschijnen er nog steeds heel veel nieuwe publicaties op deze terreinen, onder andere doordat zoveel nieuwe gegevens zijn ontdekt die allemaal ingepast moeten worden. (Zomaar een voorbeeld: Pamela E. Kinlaw, The Christ Is Jesus, in druk bij Brill in Leiden, over de Johanneïsche boeken die het bestaande mediterrane model van de tijdelijke bezetting van een mens door een god uitbreiden bij Jezus tot een blijvende.) Het is onmiskenbaar dat de geschiedenis van de eerste eeuwen van de christenen een revolutionair nieuw beeld aan het opleveren is. Dat velen aan het denken zet over de inhoud en de vorm van hun religie nu en in de toekomst.
Als ook de bijbel en die kerkelijke leer op basis van menselijke keuzes tot stand zijn gekomen, kan dat licht werpen op allerlei mogelijkheden die in de officiële uitleg verborgen zijn gebleven. En kan begrepen worden hoe en waarom sommige keuzes tot exclusivisme geleid hebben, welke gevolgen dat gehad heeft, en wat we daar alsnog van kunnen leren.
Zo weten wij dat de centraal georganiseerde christelijke kerk niet iets is dat door Jezus is gesticht. Zij is daarentegen gegroeid vanuit behoeften van sommige groepen christenen aan een centraal gezag, een korte geloofsbelijdenis in woorden die de leer zou samenvatten, een gemeenschappelijke liturgie (orde van dienst van de bijeenkomsten) en een gemeenschappelijke lijst van erkende spirituele geschriften. Een proces dat sterk beïnvloed is door de etnische, culturele en politieke context. Een proces dat niet door Jezus in gang is gezet, maar pas nadat zijn inspiratie tot groot succes had geleid bij diverse groepen volgelingen. Een zodanig succes dat er een zodanig grote variatie aan 'christenen' was ontstaan. Een zodanige variatie aan opvattingen, geschriften, orden van dienst, visies op de beste manieren om te leven en vormen van organisatie, dat sommigen niet meer zonder uniformiteit verder wilden. Een uniformiteit waarvoor ze dan vaak ook een basis meenden te kunnen vinden of al te bezitten. Terwijl anderen die variatie geen probleem vonden: waarom zouden er niet meer manieren zijn om een spiritueel leven te leiden? Zo ontstonden tegenstellingen tussen op uniformiteit gerichte 'centristen' (of 'katholieken' dat wil zeggen: 'algemenen') en alle andere groepen christenen die er geen behoefte aan hadden. Bij de laatste hoorden ook vele groepen die niet Grieks of Latijn spraken, en een heel uiteenlopende culturele achtergrond konden hebben. De 'centristen' wonnen uiteindelijk, door hun aantal en samenhang. Een samenhang zowel qua inhoud als qua organisatie. En omdat zij zich de beste ogen gooiden als het ging om de gunst van de politieke machthebbers. Deze verklaarden de christenen eerst tot toegestane godsdienst (onder Constantijn de Grote, begin vierde eeuw). En later in die eeuw (in 380, onder Theodosius) tot enige godsdienst - maar nu betrof het ook alleen de centristische versie, die de concilies erkende. Op deze versie is het Westerse christendom grotendeels gebaseerd: het Byzantijnse ofwel Oost-Europese, met Grieks en Slavisch als belangrijkste talen, en het West-Europese Rooms-katholieke en protestantse christendom met Grieks en Latijn als belangrijke taal.
Maar juist ook vóór de vierde eeuw - en later nog sporen ervan - waren er allerlei christelijke stromingen die onvoorstelbaar interessant zijn. Zoals allerlei vormen van Joods christendom: niet alleen vormden zij de grote meerderheid van de christenen in de eerste eeuw en wellicht nog aanzienlijk langer, maar ook waren er nog eeuwenlang Syrisch en Aramees sprekende takken van christendom met een heel eigen karakter. Verder allerlei vormen van gnostisch christendom, evenals mengvormen van christelijke en andere mysteriereligies, waaronder het Montanisme. Ook groeiden uit deze varianten grote bewegingen als de wereldgodsdienst van het Manicheïsme vanaf de derde tot de tiende eeuw, terwijl het christendom zich in het Oosten tot China en India verbreidde. Van veel varianten zijn de laatste eeuw onbekende geschriften gevonden, evenals van onbekende Joodse stromingen uit dezelfde tijd, zoals de Dode-Zeerollen en andere teksten die niet in de bijbel terecht waren gekomen. De bijbel blijkt dan ook niet meer dan het lijstje voorkeursgeschriften van de winnende varianten van Jodendom en christendom te zijn. Wat ook duidelijk wordt doordat de christelijke hoofdrichtingen er allemaal hun eigen bijbel op na houden.
Inmiddels is veel onderzoek op gang gekomen naar de veelvormige varianten van christelijke groepen in de eerste eeuwen. Dat onderzoek kent zo zijn problemen want de wetenschappers die het uitvoerden zijn vaak afkomstig uit de gevestigde varianten en hadden vaak moeite om zich de anderen anders dan als minder waard voor te stellen. Of als dat niet het geval was, ze dan toch te meten naar maatstaven die in feite ontleend waren aan de keuzes die al eeuwen eerder tot afwijzing van die varianten geleid hadden.
De historische Jezus vond niet van zichzelf dat hij een god was in de zin van de Zoon uit de christelijke triniteit. Hij beoogde niet een nieuwe 'christelijke' godsdienst te stichten maar mensen als de kinderen van hun Hemelse Vader tot een nieuw religieus zelfbewustzijn en bewustzijn van de wereld te brengen - het koninkrijk van God - inclusief het daarbij behorende solidaire gedrag. De beelden over Jezus - en enkele eeuwen later over zijn moeder Maria - als goddelijke verlosser zijn voor een aanzienlijk deel gebaseerd op voorstellingen uit de godsdiensten van andere 'godszonen' en 'moedergodinnen' uit de hellenistische tijd. Speciaal voorstellingen uit de mysteriegodsdiensten rondom Dionysos en de aan hem verwante 'goden' tot voorstellingen uit het oude Perzië en Egypte - Osiris en Isis - toe. Dat geldt zeker ook voor het Nieuwe Testament, misschien op een enkel boek na dat zijn beelden bijna alleen aan Joodse tradities ontleende. De andere combineerden Joodse tradities met hellenistische in een omvang die diep ingrijpende gevolgen had, onder meer allerlei maten van succes bij verschillende Joodse groepen en andere religies en in verschillende gebieden van het Romeinse Rijk.
De strijd binnen en tussen de Jezus- en Christusbewegingen van de eerste eeuwen ging onder meer over hoe 'Joods' dan wel hoe 'Grieks ofwel hellenistisch' zij het best konden zijn. En hoe die twee zich binnen hun bewegingen het beste konden verhouden. Je kunt ook zeggen: hoe traditioneel-etnisch dan wel hoe universeel-modern, waarbij de vraag is in hoeverre die tegenstelling zelf absoluut hoefde te zijn dan wel of hij door sommigen absoluut werd opgevat of gemaakt. Dat zijn vragen die in allerlei situaties van onze moderne samenleving met zijn grote culturele veranderingen en migraties belangrijk zijn. Er zijn nu weer andere maatschappelijke en culturele omstandigheden dan in de tijd van mijn jeugd, direct na de Tweede Wereldoorlog, toen de internationale migraties en cultuuruitwisseling nog minder sterk op gang waren gekomen.
Exclusieve waarheidsopvattingen zijn - ook als het om zogenaamde persoonlijke openbaringen van hogerhand aan profeten gaat - meestal geworteld in groepstradities, alleen al in de verwoording die altijd groepstaal gebruikt. Zelfs bij individuele dichterlijke uitingen waaraan men de hoge waarde van openbaringen toekent, kan de inhoud ervan alleen achteraf - in begrijpelijke taal omgezet - exclusief gemáákt worden in de zin dat zij bij voorbaat universeel geldig zou zijn. Dit laatste blijft een veronderstelling die niet te bewijzen valt. Je kunt er natuurlijk wel op vertrouwen of in geloven maar dat is altijd een keuze, geen verstandelijke conclusie. Hoezeer je die keuze ook met mogelijke verstandelijke redeneringen kunt proberen te onderbouwen. Dergelijke dogmatiserende patronen vind je overigens niet alleen in godsdiensten. Je vindt ze ook in het dagelijkse leven, in wetenschappen en overal waar mensen onderscheid maken tussen 'ik'of 'wij' enerzijds en 'de wereld of de dingen' en 'de anderen' anderzijds. En waar ze dat onderscheid bewust of onbewust verabsoluteren. Want dat is waar het om draait. Wie zichzelf of een ander of wat dan ook tot exclusieve eigenaar verklaart van bepaalde eigenschappen of de waarheid, verabsoluteert een onderscheid. Het tegenovergestelde daarvan is het inclusieve denken, dat onderscheiden respecteert maar niet verabsoluteert. Tegenwoordig wordt ook vaak gesproken van non-dualisme. Zoiets als het denken of de levenshouding die twee personen of groepen of karakters of eigenschappen of welke onderdelen van de werkelijkheid ook (inclusief de definitie van werkelijkheid zelf, en inclusief dat denken of die levenshouding) nooit opvat als volstrekt losstaand. En daarom als 'niet-twee' benoemt. Een denken en levenshouding die je terugvindt in het aloude Indiase Advaita (letterlijk 'niet-twee'), in het Taoïsme en in het Mahayana-boeddhisme en speciaal in Zen.
De persoonlijke identiteit waarmee ik naar de universiteit ging in 1965, en nog jaren daarna, was nog niet op al die nieuwe informatie gebaseerd. In de loop van de jaren kreeg ik natuurlijk af en toe een beter beeld van bijvoorbeeld het ontstaan van het Nieuwe Testament. Zoals de verhelderende uitspraak van mijn leermeester Kuitert dat “alles wat over boven gezegd wordt, komt van beneden”. En ben ik de 'letterlijke'- althans op één waarheid gerichte - uitleg van de bijbel als basis voor mijn identiteit kwijt. Waarschijnlijk zelfs de hele verwijzing naar een 'bijbel' als basis voor een persoonlijke of zelfs een christelijke identiteit. Niet dat de bijbel minder interessant voor mij is, maar ik lees er gewoon niet in wat de kerkelijke leer er graag in wil zien. Ik kijk naar haar teksten net als naar die welke niet in de bijbel gekomen zijn maar die kennelijk wel tot de sfeer van spiritueel belangrijke stromingen en geschriften van Jodendom, christendom, manicheïsme en islam (en daaraan verwante) behoren. En ik kijk wat mij daarin nu aanspreekt, wat ik ervan kan leren, zonder mij erg druk te maken of ik daarmee voldoe aan een ooit door anderen in heel andere omstandigheden gemaakte keuze. Misschien is die keuze wel de mijne, dan leer ik dat graag van ze, maar misschien is het verstandiger nu andere keuzes te maken. En er zijn bovendien meer spirituele bronnen dan alleen deze. Ik wijs in het bijzonder op de genoemde niet-dualistische tradities in Azië - boeddhisme, Advaita Vedanta - en ook in onze Westerse geschiedenis en het Westen van nu. (Voor diverse literatuurverwijzingen zie de overzichtspagina's op deze website: via de overzichtspagina gelezen teksten en de index-pagina.)
Kortom ik heb een aantal boeken gevonden die ik informatief en boeiend vond om in dit kader de revue nog eens te laten passeren. Bij deze boeken heb ik een aantal vragen. En ik begin opnieuw met eerst mijn vraagstelling aan te geven, het kader waarbinnen ik deze boeken wil interpreteren.
Mijns inziens is onmiskenbaar naar voren gekomen dat er vooral vanaf de tweede eeuw een centristische beweging onder christelijke groepen op gang is gekomen die de behoefte weergaf aan meer onderlinge steun, meer interne stevigheid, en meer slagkracht in de discussies met niet-christenen. Deze leidde tot de boven genoemde overwinning van de christenen als toegestane en later enig toegestane godsdienst in de vierde eeuw. En als ik het goed zie, hebben - afgezien van de Kerk van Mani die van de derde tot de tiende eeuw een wereldkerk was van ver in Azië tot hier en daar in het Westen - vooral de Joodse christenen, de (niet of nauwelijks Grieks of Latijn maar) Syrisch, Aramees, Koptisch enzovoort sprekende christenen die aan hun Semitische achtergrond trouw bleven, en de (andere) niet-centristische ofwel minder katholieke namelijk onder meer de sterk gnostische, hermetische en / of charismatische christenen het onderspit gedolven. Niet de platoniserende geleerde christenen, dat wil zeggen degenen die de Griekse filosofie gebruikten om hun christelijke denkbeelden uit te drukken, want die denkbeelden leidden tot de ontwikkeling van een christelijke filosofie, ofwel de theologie. Al werden deze geleerden deels met de verliezers op één hoop geveegd, zoals de beroemde Origenes aan wie het christendom zeer veel verschuldigd is voor zijn opkomst. Wanneer we degenen met een Semitische achtergrond gemakshalve even onder de “Joodse” christenen scharen - ook als zij geen etnische Joden waren, waren zij toch erg verwant qua cultuur - dan levert dat voor de geschiedenis van het ontstaan van het christendom ten minste de volgende vier vragen op.
Ten eerste: Hoe is de overgang voor de verschillende varianten van het christendom vanuit de verschillende varianten van het toenmalige Jodendom en niet-Jodendom naar een christelijke en niet-etnisch-Joodse identiteit of cultuur voorstelbaar en wat zijn de belangrijkste mijlpalen daarbij? Kan dit bezien worden zonder het Manicheïsme en de Islam erbij te betrekken en zoniet, hoe kan dat het beste wel?
Ten tweede: Wat gebeurde er in die overgang achtereenvolgens met de Joodse en met de niet-Joodse (hellenistische, Egyptische, Griekse, etc.) elementen en hoe verhouden die zich in het christendom nu tot elkaar? Welk nieuw beeld levert dit op van de canon (het Oude en Nieuwe Testament) en de zogenaamde apocriefe boeken, de verschillende orden van eredienst, de organisatiewijzen, de opvattingen en hun functie en hun eventuele handhaving, maatschappelijke en politieke functioneren, ethische voorschriften en dagelijks leven?
Ten derde: Welke verloren elementen of welke elementen van de verliezers van de eerste eeuwen zijn opmerkelijk vanwege hun potentieel voor de huidige toekomst van de spiritualiteit?
Als het om boeken van geleerden gaat, en de meerderheid van deze boeken zijn door theologische wetenschappers geschreven, zou ik eigenlijk als eis stellen dat zij behalve een wetenschappelijk verslag ook een voor alle leken begrijpelijke weergave van hun persoonlijke inspiratie zouden geven. Want wat heeft een lekenlezer er anders aan? Ik bespreek deze boeken dan ook omdat het lezen en misschien vooral het vergelijken ervan belangrijke inzichten verschaft, ook al voldoen zij niet allemaal aan de eis dat zij voor een leek gemakkelijk zijn. Interessant zijn zij wel! Het materiaal dat zij beschikbaar stellen lijkt overstelpend, zeker vergeleken met de geringe aandacht die er in de kerken voor bestaan heeft en soms nog bestaat. Dit gaat echt over de historische Jezus, de oorspronkelijke volgelingen van Jezus, de bewegingen die uit zijn en hun impuls opbloeiden. En over hoe daaruit via een adembenemend proces van schifting een zichzelf tot officieel verklarende kerkorganisatie en een aantal daarvan los staande christelijke spirituele bewegingen te voorschijn kwamen. Kerken en bewegingen die de achtergrond vormen van een zeer gevarieerde Westerse en deels Oosterse geschiedenis, en er natuurlijk in de eerste plaats zelf onderdeel van waren of in een of andere vorm nog zijn. In een wereld die snel cultureel, politiek en religieus grote verandering doormaakt wellicht te vergelijken met die woelige eerste eeuwen van de huidige Westelijke jaartelling.