Abermals krähte der Hahn: Eine Demaskierung des Christentums von den Evangelisten bis zu den Faschisten, [met uitgebreide noten, afkortingen, literatuurlijst en registers van personen en zaken, ]Reinbek b. Hamburg (Rowohlt Taschenbuch Verlag) 1978-3e druk 41e-45e duizendtal, 727pp.
Idem,
De Kerk en haar kruis: Geschiedenis van de seksualiteit in het Christendom, Amsterdam (Arbeiderspers / Wetenschappelijke Uitgeverij) 1978 (1974-Duitse origineel), 373pp.
Peter J. Tomson,
'Als dit uit de hemel is …': Jezus en de schrijvers van het Nieuwe Testament in hun verhouding tot het Jodendom, [met Methodologische verantwoording, Literatuur, Afkortingen, Speciale woorden en namen, Register van bronnen, ]Hilversum (B. Folkertsma Stichting voor Talmudica) 1997, 412pp.
Geschiedenis van het vroege christendom: Van de jood Jezus van Nazareth tot de Romeinse keizer Constantijn, [met (uitgebreide) Noten en Register, ]Amsterdam (Balans) 2004, 528pp.
Timothy Freke en Peter Gandy, De mysterieuze Jezus: Was Jezus oorspronkelijk een heidense god?: vertaald door Manda Plettenburg en Bram Moerland, [met 12 afbeeldingen in kleur, (uitgebreide) Noten, Wie is Wie, Index, Bibliografie, Index van afbeeldingen, ]Den Haag (Synthese) 2005, 439pp.
Tom Harpur, De 'heidense' Christus: Herontdekking van het verloren licht, [met drie Aanhangsels, Verklarende woordenlijst, Noten, Literatuur, Register, ]Deventer (Ankh-Hermes) 2004, 231pp.
Karlheinz Deschner, Abermals krähte der Hahn: Eine Demaskierung des Christentums von den Evangelisten bis zu den Faschisten, [met uitgebreide noten, afkortingen, literatuurlijst en registers van personen en zaken, ]Reinbek b. Hamburg (Rowohlt Taschenbuch Verlag) 1978-3e druk 41e-45e duizendtal, 727pp.
Idem, De Kerk en haar kruis: Geschiedenis van de seksualiteit in het Christendom, Amsterdam (Arbeiderspers / Wetenschappelijke Uitgeverij) 1978 (1974-Duitse origineel), 373pp.
Peter J. Tomson, 'Als dit uit de hemel is …': Jezus en de schrijvers van het Nieuwe Testament in hun verhouding tot het Jodendom, [met Methodologische verantwoording, Literatuur, Afkortingen, Speciale woorden en namen, Register van bronnen, ]Hilversum (B. Folkertsma Stichting voor Talmudica) 1997, 412pp.
Wilfried Hensen, Christendom en chassidisme: een verkenningstocht, Baarn (Ten Have) 1993, [met Noten, ]107pp.
Eginhard Meijering, Geschiedenis van het vroege christendom: Van de jood Jezus van Nazareth tot de Romeinse keizer Constantijn, [met (uitgebreide) Noten en Register, ]Amsterdam (Balans) 2004, 528pp.
Zonder al die resultaten na te gaan of zelfs maar te noemen, wil ik vervolgen met wat ik in dit boek niet aantref. Niet dat ik dit van de auteur ook nog had willen vragen, daarvoor biedt hij al meer dan genoeg, maar ik ben er wel om verlegen. Ik noem hier dus zaken die kennelijk nog bij mijn wensen voor de toekomst horen, of die wellicht ook op het lijstje van deskundigen staan voor toekomstige studies. Het kan natuurlijk ook zijn dat ze er al (lang) zijn maar dan zal ik daar graag op geattendeerd worden. Mijn verontschuldiging voor het feit dat ik ze zelf niet heb gevonden tot nu toe, is alleen dat een mens niet alles kan napluizen. Wat ik dus nog niet aantref is een uitgebreider behandeling van de Joodse literatuur die niet in de bijbel terecht kwam. Dit als context van of zelfs achtergrond voor een zeer veelkleurig palet - om maar een paar hoofdrubrieken te noemen - van Joodse en Joods-christelijke en Joods-heidense, en heidens-christelijke en anders-christelijke bewegingen en geschriften. Bewegingen en geschriften die zelf ook niet terecht kwamen in de hoofdstromen van het latere rabbijnse Jodendom of het latere christendom (maar misschien wel, of evenmin, in manicheïsme of islam!). Evenmin een behandeling van of uitgebreide verwijzing naar die bewegingen en geschriften zelf. Het is begrijpelijk om zich bij dit soort onderzoek voorlopig te beperken tot de hoofdstromen van Jodendom en christendom en hun gezamenlijke geschiedenis. Maar kenmerkend voor deze tijd is dat we juist over de ontstaanstijd van beide leren dat het palet veel meer kleuren heeft vertoond dan we ons realiseerden. Het is ook niet onbelangrijk met het oog op een grondvraag die de auteur niet (aan de orde) stelt, namelijk die van het ontstaan en de vaststelling van de canon van het Nieuwe Testament. Het Nieuwe Testament is geen getrouwe afspiegeling van de oorsprongen van het christendom maar de manier waarop en bepaalde vorm van christendom namelijk het algemeen-kerkelijke zich meende te moeten en kunnen legitimeren. Andere groepen en hun geschriften afwijzend en letterlijk vernietigend.
Wat ik evenmin vind in dit boek, is een expliciete verwerking van de hellenistische aankleding van het Nieuwe Testament. Behalve de wellicht impliciete erkenning - omdat het vanzelfsprekend zou zijn - dat het Nieuwe Testament merendeels uit typisch hellenistische boeken bestaat. De auteur noemt de mysteriereligies zeker, en erkent ongetwijfeld ook een zekere invloed ervan, en beperkt zich daartoe. Maar op de vraag hoe het Joodse en het hellenistische element zich in het christendom verhouden, of hoe die ontwikkeling plaatsgehad heeft op zou kunnen hebben, gaat hij niet in. Ik neem aan dat zijn enige antwoord niet is dat zijn boek genoeg zegt over het Joodse element. Tot op heden is er discussie in het christendom - en zijdelings ook in het Jodendom - over de verhouding van de Joodse respectievelijk christelijke godsdienst tot de Griekse filosofie en de klassieke en de hellenistische cultuur. Nu de Joodse oorsprong van (en dus invloed op) het christendom weer zo duidelijk aan te wijzen is, is die verhouding weer des te actueler. Want het Joodse is niet de enige invloed. En het niet-Joodse is ook niet alleen bepalend. Dus komt de vraag naar de verhouding des te sterker naar voren. Te meer daar die in de eeuwen waar we het hier over hebben, door verschillende groepen verschillend werd beantwoord! En juist over die groepen is de laatste decennia veel mee bekend geworden. De auteur zal zeker vinden dat niet alleen de ontdekking van de Dode-Zeerollen maar ook het beeld dat uit de geschriften van Nag Hammadi oprijst over een te vaak op één hoop gegooid, verketterd en eenzijdig geëtiketteerd “niet algemeen-kerkelijk” christendom uit de eerste eeuwen de nodige aandacht verdient als context van of zelfs achtergrond voor de andere Joodse, christelijke en nog andere bewegingen en geschriften. En daar komt nu het materiaal dat Freke en Gandy naar voren brengen nog bij. En laat ik hier ook niet vergeten te herhalen dat de laatste decennia steeds duidelijker wordt dat de niet Grieks maar onder andere Aramees en Syrisch sprekende Joden en christenen aan de oostzijde en ten oosten van het Middellandse-Zeegebied historisch gezien een veel belangrijker rol hebben gespeeld in de eerste eeuwen van de Westerse jaartelling dan meestal werd erkend en grote invloed hebben uitgeoefend op Manicheïsme en islam. Ook dat is boeiend in de context van de Joodse invloeden - vaak uit de Talmoed - die Tomson aan het licht brengt. Wat Tomson doet voor het Nieuwe Testament, kan en zal vermoedelijk ook voor diverse andere christelijke geschriften gedaan worden.
De vraag is voor mij uiteindelijk dus ook hoe alle genoemde boeken, in het bijzonder dat van Freke en Gandy en dat van Tomson, bijdragen aan het antwoord op de eerder gestelde vragen. Maar daaraan voorafgaand verlaat ik de bespreking van dit uiterst prettig leesbare en waardevolle boek en stap over naar een ander sympathiek en waardevol boekje dat ik eerst nog onder uw aandacht wil brengen. Niet dan na het boek van Tomson zeer aanbevolen te hebben, vooral voor diegenen die Jezus, het Nieuwe Testament en hun omgeving echt goed willen leren kennen als Joods of door het Jodendom beïnvloed.
De auteur beweegt zich dus zowel op het vlak van de inhoudelijke aspecten van Jezus en van het chassidisme, hun levenshouding en opvattingen over de verlossing, als op het vlak van de historische ontwikkelingen. Althans door de parallellen aan te geven suggereert hij dat de overeenkomende inhoudelijke aspecten het des te meer waard zijn om te overwegen. Dat laatste is zeker waar, alleen is de historische overeenkomst louter bijzaak of illustratie. De opvattingen of levenshouding bewonderen van Jezus en de chassieden is een keuze die niet van de historische overeenkomst af hoeft te hangen. Daarmee lijkt de auteur nog een beetje in het spoor van de christelijke en misschien ook wel Joodse orthodoxie te zitten die aan de historie een metafysische waarde toekent. Dat mag, maar die moet je niet afleiden uit de waarheid of onwaarheid van historische parallellen, althans er niet uit bewijzen. Dat laatste doet de auteur ook niet, hij zou het waarschijnlijk afwijzen als hem er rechtstreeks naar gevraagd werd. Niettemin stelt de auteur zo impliciet ook interessante historische vragen aan de orde. Net als eerdere vragen nemen we deze mee om er later zo mogelijk op terug te komen.
Zelf ben ik onder de indruk van het bergrede-ethos van Jezus en van de de praktische vroomheid van de chassieden. Hun radicale ethos staat toch wel erg ver af van wat er later door christelijke kerken en misschien ook door Joodse stromingen van gemaakt is. Maar dit ethos lijkt mij tegelijk ook erg moeilijk realiseerbaar in de woelige dagelijkse strijd om het bestaan.
Jezelf voor de gek houden en negeren dat juist in die dagelijkse strijd dit ethos van eminente waarde kan zijn, slaat echter ook nergens op. Dus de auteur heeft mij met zijn boekje opnieuw aan het denken gezet over het ethos van “chassidisme en christendom”. De historische vergelijking is ook interessant maar een verhaal apart - zie ook de andere boeken die ik tegelijk bespreek.
Een technisch puntje: de verwijzingen naar de noten 14 en 15 op p. 20 zijn loos.
Een prettig leesbaar en niet te uitgebreid boekje waaraan veel studie en veel gesprekken en verwerking ten grondslag liggen. Er staat wel in kort bestek veel in en de lezer moet dus goed opletten wat hij er zelf van vindt. Alle gegevens in dit indrukwekkende boekje zijn boeiend en indringend en worden gedocumenteerd met belangrijke literatuurverwijzingen.
Aan het belangrijke boek van Tomson - en auteurs zoals Pinchas Lapide en andere die Tomson noemt in zijn literatuurlijst - wordt duidelijk dat de Joodse invloed op het christendom niet gauw onderschat kan worden. Er valt alleen nog veel werk te doen met het in kaart brengen ervan. Want zoals inmiddels bekend en door Tomson en Meijering ook met zoveel woorden aangegeven is daarbij niet alleen het Jodendom van belang dat we uit de bijbelse geschriften kennen van de Joodse of de protestantse canon maar ook dat van de deuterocanonieke boeken van het (Joodse) Oude Testament in de rooms-katholieke canon en verder de vele Joodse en daaraan verwante geschriften uit hellenistische kringen en uit Qumran, de belangrijke vestiging van de Esseense gemeenschap. Deze laatste zijn evenmin in een canon terecht gekomen. En is het zo dat aan de Joodse zijde van het spectrum naast de Talmoed en de commentaren daarop vele geschriften bekend zijn die niet in een canon terecht zijn gekomen, dat geldt ook voor de christelijke zijde. Allereerst moeten we hier de Oostelijk van de Middellandse Zee gelegen semitische culturen noemen, naast Egypte en Perzië, waar Joodse en christelijke invloeden een eigen vorm kregen. Maar ook in hellenistische kringen hetzij in het Oosten, speciaal in de wereldstad Alexandrië en vele sterk hellenistische steden in het hele Middellandse-Zeegebied, van Edessa, Antiochië en Jeruzalem tot Cordoba, Lyon en Keulen, ontstonden christelijke groepen in vele variaties. Die tot op heden vaak matig bedeeld zijn in de aandacht van de geschiedschrijving, ondanks nieuwe baanbrekende ontdekkingen en studies. Zeker is wel dat ook hier Joodse invloeden per definitie heel belangrijk geweest zijn, alleen al omdat Jezus en zijn volgelingen van vrijwel de hele eerste eeuw uit de Joodse traditie voortkwamen of daar direct contact mee hadden of gehad hadden. Een onderwerp waarvoor inmiddels terecht veel aandacht is, is de wijze waarop vele christenen en christelijke leiders en groepen weggroeiden van en uiteindelijk afstand namen tot de Joodse identiteit, tot welke aspecten ervan enzovoort. Maar ook hier is het onderzoek nog in volle gang.
Het is duidelijk dat Freke en Gandy, ondersteund door het materiaal van Harpur, een belangrijke impuls bieden om de hellenistische invloed - en daarachter de oudere voorhellenistische onder andere Egyptische en Griekse invloed - opnieuw te traceren. Het is wellicht niet teveel gezegd om in de vorm van de nieuwtestamentische evangeliën geslaagde samensmeltingen van Joodse en hellenistische invloeden te signaleren, die als mysteriedrama's te typeren zijn. Dat wil zeggen dat zij hun betrekkelijk verborgen historische kern en hun heilsboodschap verpakt aanbieden, uitgebreid verpakt zelfs. In vormen die zowel aan bepaalde Joodse achtergronden recht doen als aan bepaalde typisch 'christelijke' - dat wil zeggen uit de traditie van Jezus en delen van zijn directe volgelingen stammende - als aan bepaalde 'mysteriecultische' - dat wil zeggen aan het complex van mysteriecultussen van Osiris-Dionysos ontleende, zoals door Freke en Gandy aangeduid.
Maar allereerst is van belang historisch recht te doen aan die vormen van vroeg christendom van hellenistische snit - en uiteraard ook aan daaraan verwante niet-christelijke verschijnselen van hellenistische religiositeit in alle onderlinge beïnvloeding of uitwisseling - die niet passen in de voorgeschiedenis van het christendom dat het vanaf de vierde eeuw gewonnen had, het zogenaamde algemeen-kerkelijke christendom. We weten nu immers dat er gnostische stromingen geweest zijn en nog divers andere. Waarvan sommige zich fel tegen hun Joodse achtergrond afzetten, sommige ook helemaal niet. Sommige hiervan behandelt Meijering wel, zoals Marcion en de Montanisten maar de meeste inmiddels als belangrijk gesignaleerde niet, al noemt hij wel even het Evangelie van Thomas. Meijering wijst ook even (69-71, 81v.,) op de problematiek van het voorkomen van een 'tweede god' (zie een eerdere stelling nr 14 van mij hierover) in het Jodendom van die eeuwen maar wijdt er verder niet over uit welke consequenties dat had bij sommmige gnostici. Wel dat het een rol gespeeld heeft bij de vorming van de gedachten over de triniteit. Maar niet wat de eigenlijke keuzes waren die hier gemaakt konden worden en gemaakt zijn. Sterker, als dat wel geschetst zou worden, zou ook duidelijk kunnen worden dat het later winnende 'algemeen-kerkelijke' christendom een keuze maakte tegen de vrijere spiritualiteit en vrijere organisatie van degenen die zij bestreden. En nóg sterker, dat zij niettemin vele elementen van die bewegingen, waaronder de hellenistische 'mysteriecultische' van Freke en Gandy, overnamen omdat die goed aansloegen! Ook hier is dus nog veel werk te verrichten. Vooral door eerlijke onbevangen onderzoekers.
Voorafgaand aan de vestiging van het door de staat erkende en gesteunde christendom in de vierde eeuw vormden de personen en groepen, bewegingen en geschriften voor wie Jezus op een of andere manier een belangrijk gegeven of oriëntatiepunt was, een breed palet. De betekenis en de rol die daarbij aan Jezus werd toegekend, varieerden daarbij enorm, ook door allerlei verschillende invloeden van de omgeving.
Jezus was Jood, etnisch en religieus. De eerste volgelingen van Jezus waren vrijwel allemaal Joden, voor een deel ook nog Aramees sprekend, later vooral Grieks. Hun berichten over Jezus werden zowel in het Aramees als in het Grieks doorverteld. En Joodse invloeden zijn in die eeuwen even groot als dat ze gekleurd werden door het zich wederzijds tegen elkaar afzetten van christenen en Joden naarmate de eersten een sterkere positie verworven. Een positie die samenging met het vergroten van het aantal niet-Joodse christenen. Terwijl Joodse christenen eerst de meerderheid van de christenen hebben gevormd en zij de eerste decennia en wellicht hier en daar langer de toonaangevende vorm van christendom waren en bleven, won in het Romeinse Rijk de niet-Joodse variant, dat wil zeggen die waarvan de meeste leden niet-Joden waren. Wij kennen het christendom alleen of voornamelijk in deze Westerse variant die groeide uit de algemeen-kerkelijke richting binnen de vroeg-christelijke gemeenten. Maar die algemeen-kerkelijke richting was voor de erkenning en ondersteuning door de staat in de vierde eeuw maar een van de richtingen.
Daarnaast waren er onder meer diverse groepen Joodse christenen en de diverse vormen van spiritueel en religieus vrijere christelijke groepen, waaronder de christelijk-gnostische en de christelijk-hermetische. Deze laatste hadden ook invloed ondergaan van Joodse en wellicht ook 'heidense' gnostici en hermetici. En dit alles binnen een hellenistische cultuur waarin heel veel ontmoeting en uitwisseling plaats vond. Waarin allerlei mysteriecultussen een rol speelden maar ook de Griekse filosofie. Waar traditionele en modernere Joodse stromingen naast elkaar leefden in en ver buiten Palestina, dat laatste onder meer in Alexandrië en vele andere grote steden.
Het is begrijpelijk dat een auteur als Meijering kiest voor een benadering van het vroege christendom per eeuw, want de chronologische opvolging geeft ook aanwijzingen en past binnen zijn opzet om de voorgeschiedenis van de overwinnaars te schrijven. Maar het zou zeker opzienbarend zijn om de geschiedenis van al deze stromingen, niet alleen van het algemeen-kerkelijke christendom, eens te schrijven met een geografisch uitgangspunt. Zodat eerst de kenmerken van de locale religieuze culturen duidelijk worden en vervolgens de uitwaaiering en onderlinge beïnvloeding beschreven worden van de verschillende groepen, hun karakter en ideeën en - veelal zeer verschillende - verzamelingen van veelgebruikte geschriften. (Meijering maakt trouwens de terechte opmerking dat zo weinigen konden lezen in die tijd dat we aan de rol van geschriften niet teveel betekenis moeten hechten als het om de betekenis voor de gemiddelde aanhanger gaat.) Dan zou ook een beter beeld ontstaan van de onderlinge kwaliteitsverhoudingen, van wat de diverse richtingen en stromingen werkelijk betekenden en te bieden hadden. En ook hoe de onderlinge strijd verliep, want die die is er zeker geweest, getuige onder meer de brieven van Paulus waarmee hij haar in goede banen probeert te leiden. In ieder geval lijkt het er op dat de spiritueel vrijere christenen uiteindelijk door de algemeen-kerkelijke christenen met de 'heidense' spiritualiteit op één hoop gegooid zijn en zoveel mogelijk vernietigd. Iets wat ook de Joodse religie nog van hen zou ondervinden, de meeste christenen hebben de eeuwen door de Joden als grote vijanden beschouwd die de ondergang waardig waren. Dat ontleenden ze overigens aan de evangeliën, met name Mattheüs en Johannes, die anti-Joodse tendenzen incorporeerden om hun eigen versie van het verhaal van Jezus als de Christus ook voor niet-Joden verder te brengen.
Voor de verhouding tussen de Joodse en niet-Joodse invloeden verwijs ik terug naar mijn 'Samenvatting vooraf'. Er zijn nog heel veel mogelijkheden om ons beeld scherper te stellen en het zal zeker niet bij deze boeken blijven. Ondertussen is het leven zelf de grootste opgave, hier en nu, in wat ik soms ervaar als een chaotische tijd. Waarin materiële en spirituele vragen, politieke en culturele, allemaal tegelijk om aandacht vragen. Terugkijkend ervaren hoe mensen uit de eerste eeuwen op zulke of andere omstandigheden reageerden, kan interessant en inspirerend zijn. Misschien zelfs richtinggevend. Ik stel me voor dat het daarbij van belang is niet alleen het welzijn goed in de gaten houden van mezelf en de mijnen. Maar evenzeer dat van degenen met wie wij verder in deze wereld leven en die mij wellicht nodig hebben - of ik hen. Het een sluit het andere juist in, dat is voor mij zeker.
31 oktober 2005