Lezen (of juist niet) 23!


Deze pagina bevat een lijst van sinds 2005 gelezen teksten met commentaar

Retour naar overzichtspagina gelezen teksten

Gelezen - sinds 2005 - h

Read - since 2005h




[Actuele links die naar deze webpagina verwijzen:

Het Evangelie van Thomas: Uit het Koptisch vertaald en toegelicht door Gilles Quispel, [met een voorwoord van Joost R. Ritman, ]Amsterdam (In de Pelikaan) 2004, 379pp.

Mijn promotor, professor Gilles Quispel, heeft met dit boek een rijke vrucht neergelegd van zijn levenslange studies. Het verscheen in het jaar dat hij 88 werd. Nadien verscheen van hem en zijn leerling professor Hans van Oort nog de Nederlandse vertaling, met inleiding en uitvoerig commentaar, van
De Keulse Mani-Codex die een biografie van Mani en het ontstaan van zijn wereldreligie bevat. Samen bieden deze beide boeken een goudmijn aan verwijzingen over het belang van het Joodse (West-)Aramese christendom en de Syrische of (Oost-)Aramese tak van het christendom die er uit voortkwam. Ook over het Alexandrijnse christendom dat voortkwam uit het Joodse (West-)Aramese. En dat na een stempeling met Alexandrijns enkratisme (het streven naar zelfbeheersing, askese en onthouding van het huwelijk) op zijn beurt ook invloed uitoefende op dat Syrische of (Oost-)Aramese christendom. Ook het Manicheïsme en de Islam ontlenen veel aan het Joodse en Syrische christendom, evenals aan de Joodse en christelijke gnostiek.
In dit boek laat de auteur zien dat het sterk asketische christendom van Alexandrië onder meer via het Evangelie van Thomas sterke invloed uitoefende op het Syrische christendom. Dit Alexandrijnse christendom was ontstaan door zendingsactiviteit vanuit Jeruzalem en beïnvloed door Joodshellenistische esoterie van Joodse gnostici en hermetici. Want het Evangelie van Thomas geeft de woorden van Jezus weer uit een Judeese bron van omstreeks het jaar 40, die zodoende het oudste christelijke geschrift is, en uit een Alexandrijnse bewerking daarvan van voor het jaar 100. Vele woorden komen namelijk in tweevoud voor: in verschillende bewerkingen. Het Alexandrijnse asketisme huldigde het ideaal van de ongehuwde staat. Zij verbond dit met het ideaal van de terugkeer uit het onderscheid van de geslachten (dat tot geboorte en dood leidt) naar de eenheid van de oorsprong in God.
Mijns inziens kunnen we uit het voorkomen van beide bronnen - de Judeese en de Alexandrijnse - in één geschrift, het Evangelie van Thomas, afleiden dat er volgens de redacteur geen tegenspraak tussen beide teksten was maar dat zij qua betekenis in elkaars verlengde lagen. Verder dat als er al onderscheid geacht werd te bestaan tussen de lezers die meer de ene of meer de andere bron zouden waarderen, dit onderscheid niet zo fundamenteel geacht werd dat men de groepen als twee aparte kon of moest beschouwen. Het bleef immers één evangelie, en de groep die het vereerde en las waardeerde kennelijk beide achtergronden zonder grote conflicten, sterker, zag ze in één lijn.
In ieder geval behield de samensteller naast de Alexandrijnse bewerking de Judeese bron. En voor ons betekent dat dat die kennelijk gezag had, en een functie. Het bijzondere is natuurlijk dat het beeld van Jezus en zijn boodschap hier een heel andere kleur krijgt dan door de bril van de heidenschristelijke evangeliën die in het Nieuwe Testament terecht zijn gekomen. Paulus legde de Messias Jezus uit als de verlosser Christus. In navolging van zijn uitleg zijn de woorden van Jezus in de evangeliën van Matteüs en Lukas namelijk gecombineerd met een in dramavorm gegoten verhaal van het leven en optreden van Jezus. Daardoor werd het accent gelegd op een boodschap over Jezus en minder op die van hem. Een boodschap over Jezus die paste in het schema van de verlosser, de “godmens” die in de hellenistische religies grote bekendheid genoot en vereerd werd. Wiens dood een belangrijke rol speelt als offer, en die herrijst. (Zie mijn uitvoerige bespreking van enkele boeken 'Jezus volgens zijn volgelingen in de eerste eeuwen'.)
De bron die Matteüs en Lukas hadden voor de woorden van Jezus was niet de Judeese bron van Thomas maar een andere die Q wordt genoemd (van 'Quelle' ofwel Bron). Het grote verschil tussen de Judeese bron en de evangeliën van Matteüs en Lukas is dat Jezus' lichamelijke dood en opstanding er geen rol in spelen, evenmin als het kruis. En de Judeese bron van Thomas wijst op Jezus als wijsheidsleraar, dat van Q op een groot sociaal bewustzijn, om enkele van de meest in het oog springende zaken hier al te noemen (zie ook mijn lezing over Jezus en Thomas elders op deze site). Voor mij is dit nieuwe beeld van de historische Jezus uit bronnen die kort na zijn dood op schrift zijn gesteld (de Judeese bron van Thomas omstreeks het jaar 40 en Q omstreeks het jaar 50 dus tien respectievelijk twintig jaar na Jezus' dood) dat het aparte aandacht waard is. Elders heb ik al getracht de oorspronkelijke lessen van Jezus te formuleren vanuit de oudste laag van Q, op basis van de reconstructie daarvan door Mack. Het ligt voor de hand dat combinatie met de Judeese bron leidt een nog correcter, nog scherper beeld.

In het Nieuwe Testament dat (daarmee!) de basis werd voor het Griekse en Latijnse christendom, werden dit evangelie en vele andere geschriften uit Joodschristelijke en ook uit gnostische kring niet opgenomen. Het Nieuwe Testament was voornamelijk gebaseerd op de heidenschristelijke stroming die Paulus vanuit Antiochië stichtte. De vier nieuwtestamentische evangeliën zijn geschreven door heidenschristelijke auteurs en bevatten een visie op Jezus die niet strookt met die van het Judeese en later Syrische christendom. In dat laatste spelen lijfelijke dood en opstanding van Jezus aanvankelijk geen enkele rol! (Later wel door invloeden vanuit het Westen.) Dit nieuwste boek van Gilles Quispel bevat een nieuwe visie op Paulus' verhouding tot Apollos en op Paulus' Eerste brief aan de Korinthiërs. Die houdt in dat Paulus zich verzette tegen de zijns inziens te streng asketische en te sterk door het Alexandrijnse denken over de wijsheid beïnvloede optreden van Apollos. En zelfs oppert hij voorzichtig dat Apollos of een sterk op hem lijkende persoon de auteur van de Alexandrijnse bron van het Evangelie van Thomas of van het Evangelie van de Egyptenaren kan zijn, gezien de opvallende overeenkomst in ideeën. Maar dit is slechts een van de vele rijkdommen aan inzicht, suggesties en waardevolle interpretaties in het boek. Het valt niet mee om het boek in een adem uit te lezen want daarvoor is het eenvoudig te rijk aan gegevens, die allemaal verwerkt moeten worden met de nodige concentratie. De auteur schrijft nog steeds even gemakkelijk over Hegel en Shankara (een filosoof uit India uit de eerste eeuwen van onze jaartelling) als over Novalis en Goethe. Over Nederlandse poëzie als over de berijmde psalmen en de gezangen van de Nederlandse kerken. En over de nieuwste literatuur betreffende Syrische en Arabische bronnen als over varianten op de tekst van het Nieuwe Testament en de vele parallellen in Joodse en hellenistische geschriften. Hij wijst op vele parallellen met het Eerste Testament (de Joodse bijbel ofwel het christelijke Oude Testament) en licht de teksten toe vanuit hun directe economische en sociale context. En zo schetst hij een beeld van de historische Jezus en zijn opvattingen dat tot nadenken stemt. Zoveel inzicht bevat het. En niet alleen tot nadenken, er blijkt ook alle aanleiding tot vervolgstudie. Over Jezus en zijn volgelingen en de weg die hun invloed historisch gesproken aflegde. En vooral ook over welke beelden zij daarbij gebruikten en hoe zij hun boodschap vertaalden in nieuwe omgevingen, dan wel hoe hun boodschap werd opgevat en in verschillende omgevingen varieerde.

Het Evangelie van Thomas zoals het nu voor ons ligt, ontstond voor 140 na Christus in Edessa. Behalve de genoemde Judeese bron van woorden van Jezus en de Alexandrijnse bewerking ervan bevatte het waarschijnlijk ook wel enkele invoegingen van de redacteur. Door de vondst van de geschriften van Nag Hammadi is hernieuwde aandacht ontstaan voor de vele Joodse stromingen en geschriften - troonwagenmystiek, wijsheidsliteratuur, gnostiek, hermetisme. Die begonnen in de smeltkroes van het hellenisme al enkele eeuwen voor het begin van onze jaartelling te ontstaan. De latere Joodse en latere christelijke orthodoxieën zijn daar een reactie op en hebben wat ze niet recht in de leer vonden, zoveel mogelijk vernietigd. Maar nu kunnen we de oudste geschriften van bijvoorbeeld het orthodoxe christendom opnieuw lezen in het licht van hun eigenlijke achtergrond en context. En dat levert wel heel veel nieuws op. Bijvoorbeeld over de ontwikkeling van de boodschap van Jezus tot een boodschap over hem waar hij zelf nooit toe heeft opgeroepen! Maar ook over de manier waarop sommige ideeën het wonnen van andere, namelijk door openlijke strijd erover, net als over ethische zaken en over vrijheid van organisatie en opvattingen.
De auteur kent die wereld en is zijn leven lang hartstochtelijk op zoek geweest hoe we achter de historische waarheid kunnen komen zonder te vervallen in oude of nieuwe historische of leerstellige vooroordelen. Wie dit boek leest, zal begrijpen dat het werk van deze pionier nog niet af is. Mijns inziens is het niet alleen mogelijk dichter bij het historische leven van Jezus te komen dan ooit, zoals de auteur aangeeft, maar ook de overeenkomsten en verschillen tussen Jezus' volgelingen in de eerste eeuwen - toen er nog geen “orthodoxe” kerk was! - aan te grijpen als nieuwe inspiratiebronnen. Het materiaal in dit boek - en ook in dat over Mani, hierboven genoemd - is indrukwekkend omdat het laat zien hoe weinig we nog weten en hoeveel we al kunnen weten. Laat staan om te verwerken of rekening mee houden!

Een voordeel van dit boek, speciaal van de wijze van presenteren van gegevens, vind ik dat zo helder wordt dat veel zaken van een andere kant bekeken kunnen worden. Ook zogenaamde vaststaande orthodoxe ideeën. De auteur gunt die aan iedereen, ook zichzelf, maar is een meester in het aangeven van historische verbanden en het doen van suggesties voor mogelijk relevante interpretaties. De uitleg is meestal erg duidelijk. Een nadeel zou kunnen zijn dat de tijd en de cultuur zo ver achter ons liggen en zo verschillend zijn van de onze of van ons standaardbeeld erover dat sommige zaken om meer uitleg blijven vragen. Bijvoorbeeld hoe prettig zou het niet zijn om eens een overzichtelijke geschiedenis van ideeën te krijgen die gebruikt worden (Zoon van de Mens, Wijsheid, en vele andere). Temeer daar de auteur niet schuwt moderne ('socialisme') en antieke begrippen ('zelfbeheersing') op eenzelfde pagina te gebruiken. Of auteurs te citeren die meer dan een millennium na elkaar leefden. Of bronnen te vergelijken die uiterst ver uit elkaar lijken te liggen. Ik ben het met hem eens dat ze inhoudelijk heel dicht bij elkaar kunnen liggen en dat de vergelijking erg verhelderend kan zijn. Maar de spanning tussen historische verduidelijking en persoonlijke uitleg kan wel eens groot zijn. Vergeet dan niet dat de genoemde spanning vaak een beoogde is. Als de lezer er maar toe verleid wordt het onderwerp eens van meerdere kanten te bekijken. De hartstocht waarmee deze buitengewoon gevoelige en erudiete geleerde ons een nieuw beeld van de bronnen van de Westerse spiritualiteit heeft geleverd, kan niet genoeg gewaardeerd worden. Het moet hem buitengewoon goed doen dat de waardering voor zijn ontdekkingen na vele decennia van ontkenning in Nederland ook grote vormen aanneemt. Al mag die in kerkelijke, theologische en academische kringen nog wel iets groter zijn voor een pionier in de wetenschap van wereldformaat. Want daar worden de historische werkelijkheden nog al te graag genegeerd of onder tafel geschoven, omdat zij (laat men het toch gewoon en eerlijk toegeven, dan weten de ongeleerde gelovigen tenminste dat ze in historische zin niet voor de gek gehouden worden) een te grote verandering voor bestaande posities impliceren. Posities die nog gebaseerd zijn op de status quo die in de vierde eeuw gevestigd werd toen het algemeen-kerkelijke christendom zichzelf tot de norm constitueerde, onder bescherming van keizer Constantijn de Grote. We wisten dat al eeuwen. Maar tegenwoordig staan er geen enorme belangen meer op het spel die het zouden rechtvaardigen om de historische waarheid bedekt te houden.
Heel vreemd overigens om te moeten ontdekken dat wat we het Nieuwe Testament noemen pas enkele eeuwen na het begin van onze jaartelling ontstaan is. Namelijk als instrument van kerkleiders in een bepaald taalgebied en van een bepaalde stroming. En dat het niet de enige tekst van spirituele betekenis in het oudste christendom was. Mede dank zij Gilles Quispel - naast velen met wie hij samenwerkte en die van hem leerden - weten velen weer waar ze ook het spirituele voedsel en de inspiratie kunnen vinden die door het algemeen-kerkelijke christendom onder tafel was gewerkt. Sterker, dat kan nu zelf ook weer terugkeren naar die bronnen, en de eigen traditie ermee vergelijken. Dat kan niet anders dan een verrijking zijn wanneer men de eigen traditie of de nieuw ontdekte in elkaars licht waardeert. Men kan opnieuw een keuze maken, zelfs dat. De vele thema's waarover Quispel in dit boek zijn licht laat schijnen kan ik hier niet allemaal opnoemen, maar ik doe hem zeker geen onrecht als ik nog eens het thema van de androgynie noem - waar hij zijn commentaar op laat uitlopen - dat in die eerste eeuwen een belangrijke rol speelde. Evenals later op diverse wijzen in de geschiedenis van het christendom. Ik kan daarbij voor meer informatie ook verwijzen naar de dissertatie die ik onder zijn leiding over dit thema schreef.
Ook voor wetenschappers zijn daarbij nog grote taken weggelegd, ik denk speciaal aan de geschiedenis van het Joodse christendom die nog niet geschreven is zoals de auteur opmerkt. Dat geldt ook voor de nieuwe verbanden ervan met andere vormen van toenmalig christendom, waaronder het Syrisch-asketische, het Alexandrijns-asketische, het gnostische, het algemeen-kerkelijke waaruit de westerse kerken ontstaan zijn, het (christelijke!) Manicheïsme, en de Islam. Ook met het talmoedische en latere Jodendom zijn er verbanden. Wat mij betreft in besef van beperktheid die ieder menselijk streven eigen is en in respect en waardering voor andere spirituele bronnen met wie we ons verwant kunnen voelen (want dat zijn we). Een andere manier om de universele waarheid of waarheden te leren kennen en erkennen dan via onze eigen beperktheden (die de kennis en waardering van andere tradities niet uit- maar insluit) is er mijns inziens niet. En oorlog is er al genoeg dus die kunnen we er beter ook niet voor voeren. Welk spiritueel doel kan daar mee gediend zijn zonder zichzelf te ondergraven?

Het boek wordt ingeleid door de veelzeggende warme tekst van Joost R. Ritman, uitgesproken bij de presentatie. Joost Ritman werkte met velen intensief samen om projecten als deze te steunen en van de grond te krijgen. Deze uitgave is er het zoveelste prachtige voorbeeld van. Er verschenen al meerdere drukken van.
Een uitgave in het Engels verdient mijns inziens aanbeveling, mits goed vertaald. In zijn inleiding vertelt de auteur dat achteraf nog materiaal van hem zelf aangedragen werd dat hij niet meer verwerkt heeft. Maar wellicht kan hij dat nog doen voor een definitieve uitgave. Want het zou wel eens kunnen gaan om verbanden die maar weinigen gezien hebben zoals relaties met het Eerste Testament of de economische en sociale context van die dagen.

Dit is een boek niet alleen om over te schrijven maar om te lezen en te herlezen. Snel aan de gang zou ik zeggen. Ik wens u er veel plezier mee.
17 November 2005

Steven Nadler, Spinoza: Vertaling Frans van Zetten, [Met toelichting bij de geraadpleegde bronnen, noten, literatuurlijst, woordenlijst en register, ]Amsterdam (Olympus) 2005-3e druk (2001), 535pp.

Velen zijn de afgelopen eeuwen gefascineerd door de gedachten die Spinoza neerlegde in zijn filosofische geschriften waarvan de Ethica het hoofdwerk vormt. Om schijnbaar of kennelijk nogal uiteenlopende redenen want dit gold zowel voor critici van de dominerende maatschappijvisies bijvoorbeeld vele marxisten als voor filosofische liefhebbers van mystiek. Dat er voor de eerste groep redenen zijn is wel duidelijk uit de positie van Spinoza's systeem ten opzichte van het dominerende filosofisch-theologische denken dat geloof en wetenschap in elkaars verlengde zag, met uiteindelijk de theologie als hoogste waarheid ook voor de wetenschappen. Net als Descartes wilde Spinoza de wetenschappen en het verstand bevrijden van deze overheersing door wat zij zagen als irrationele waarheden. Descartes scheidde de werelden van geloof en reden daarom, net als die van geest en lichaam, en verklaarde de rede van toepassing op lichaam en natuur. Spinoza ging nog een stap verder en beweert dat God en de natuur - die hij op het hoogste niveau met elkaar vereenzelvigt - beide volstrekt aan de wetten van de ratio beantwoorden. Het hoogste goed is bij Spinoza de hoogste vorm van kennis. Dat is die kennis die de rationele verbanden tussen alles intuïtief snapt en die samengaat met een gedrag gekenmerkt door onderschikking van de passies aan de rede, aan de soberheid en de berusting, aan het innerlijke evenwicht. Een gedrag dat tevens gericht is op het verkrijgen van die hoogste kennis, door het gebruik van de ratio en alle vormen van kennis. Zodat de individuele mens zich de best mogelijke voorstellingen organiseert, en daarnaar leeft. Voor sommigen was Spinoza een pantheïst, iemand voor wie de natuur en de kosmos geheel samenvielen met God. De vraag was natuurlijk in beide gevallen wat Spinoza nu eigenlijk bedoelde. Wat betekent natuur? Wat God? En hoe 'functioneren' zij?
Tot nu toe viel het mij altijd op dat de emotie die ik in de mystiek tegenkwam als tegenhanger van de ratio, bij Spinoza leek te zijn verbonden met de wereld van het intellect en van de hoogste kennis als tegenhanger van de passies. In de mystiek werd de ratio tot voorstadium en hulpmiddel, bij Spinoza de passies. Ik nam deze biografie van Spinoza daarom met een zekere spanning ter hand. Zou ik hier antwoorden op mijn vragen krijgen? En begrijpen wat ik van Spinoza werkelijk kan leren?

Dit boek is een fantastisch mooie en heldere inleiding in leven en denken van Spinoza. De eerste twee hoofdstukken zijn een lange maar boeiende aanloop. Zij behandelen de voorgeschiedenis van de Portugese en Spaanse joden - sefardiem - in Amsterdam, ballingen dus die gevlucht waren voor de inquisitie of de dreiging ervan. Vaak waren zij al marranen, dus christen geworden naar de buitenkant, maar toch hun joodse cultuur nog enigszins voortzettend, desnoods in het geheim. Meest rijke kooplieden. Juist in de tijd dat Spinoza leefde kwamen er joodse vluchtelingen uit Oost-Europa - asjkenaziem - naar Amsterdam die meestal arm waren wat tot de nodige spanningen aanleiding gaf.
De volgende hoofdstukken schetsen het leven van de sefardische Joden in Amsterdam, hun onderlinge verhoudingen en de zaken die er speelden, hun plaats in de Amsterdamse stadsgemeenschap en hun relatie met de regenten die Amsterdam bestuurden. In de Gouden Eeuw van de Republiek der Nederlanden van de handel met de Oost en de West en ook die van de schilder Rembrandt van Rijn en de toneelschrijver Joost van den Vondel. Ook de eeuw van de conflicten in het Nederlandse calvinisme tussen de gematigde (vrijzinnige) en de orthodoxe (gereformeerde) gelovigen. Van de conflicten in de politiek tussen de republikeins gezinden en de prinsgezinden en van de conflicten aan de universiteiten tussen de traditionele aristotelianen en de moderne cartesianen. Een tijd van ongehoorde bloei van de cultuur, van de wetenschap en van de min of meer vrije drukpers, al was die vrijheid vaak oogluikend toegestaan en vaak bedreigd door de orthodoxe, prinsgezinde of aristoteliaanse partijen. En het kan niet ontkend worden dat ook de op cultureel gebied vrijheidslievender andere partijen vaak van dezelfde machtsmiddelen gebruik maakten. Maar toch. Een tijd ook dat de werken van
Jacob Boehme in Amsterdam gedrukt werden, na eerst in Nederlandse vertaling uitgegeven te zijn. En dat mensen als Johann Amos Comenius in Amsterdam welkom waren. Trouwens, uit het boek wordt duidelijk dat ondanks allerlei spanningen en gevechten om de macht in heel Europa een drukke uitwisseling was tussen diplomaten, geleerden en vaak ook kunstenaars die elkaar op de hoogte hielden van hun nieuwste ontwikkelingen. Spinoza deed daar nadrukkelijk aan mee, en voerde een uitgebreide correspondentie evenals dat hij vele bezoekers ontving.
Deze volgende hoofdstukken schetsen ook het leven van Spinoza in die context. Hoewel opgevallen als uitzonderlijk begaafd kind en leerling, bleef hij gewoon meedoen aan het joodse leven in de hoofdstad. Hij zette ook samen met zijn broer omstreeks zijn twintigste jaar de zaak van hun overleden vader voort. Wel mogen we aannemen dat hij toen al diverse contacten met niet-joodse vrienden had over onderwerpen die hun gezamenlijke interesse hadden. Maar het viel niet op. En dan is er plotseling de verbanning van Spinoza uit de synagoge. Spinoza heeft ongetwijfeld op een moment met woorden afstand genomen van wat hij later als bijgeloof omschrijft en als uiterlijke religieuze vormen. Vormen die naar hij later toelicht misschien geschikt zijn voor de ethische opvoeding van de mensen die zich er door aangesproken voeken. Maar die niet verward moeten worden met de hoogste kennis die de mens kan vinden, de intellectuele kennis van God, die de wetenschappelijke kennis van de natuur mede omvat. De leiding van de joodse gemeente heeft dat goed begrepen. Het zou een aantasting van hun gezag betekenen als zij dit niet weerspraken. En om aan hun calvinistische omgeving te laten zien dat zij het eigen huis goed op orde hielden, zetten zij de bewoordingen van Spinoza's ban (cherem) zwaar aan. Spinoza zou nog jaren in Amsterdam wonen maar later naar Rijnsburg bij Leiden en uiteindelijk naar Voorschoten en Den Haag verhuizen. Nadler acht het niet waarschijnlijk dat Spinoza nog een tijd apart in Ouderkerk woonde in zijn Amsterdamse jaren. In Amsterdam bouwde hij een kring van zeer goede vrienden op, deels samenvallend met de kringen van meer alternatieve en vrijzinnige cultuurbeoefenaars, denkers en religieuze zoekers die toen in Amsterdam opbloeiden, zij het meer onofficieel dan bevorderd door de calvinistische predikanten. Echter meestal wel openlijk en zeker oogluikend toegestaan door de wereldlijke overheid die de waarde van culturele bloei inzag.

Binnen deze context - later uitgebreid met de correspondentie van Spinoza in binnen- en buitenland en met wat er naar we uit allerlei bronnen kunnen reconstrueren van zijn diverse mondelinge contacten - brengt de auteur dan het werk van Spinoza ter sprake. Steeds, reeds als tiener, is Spinoza ook actief in het doorgeven van kennis, dus in het onderwijs, zowel in de joodse gemeente als later in de diverse kringen waaraan hij deelneemt en waarin hij vaak een van de centrale figuren is. Als hij spreekt hangen de mensen aan zijn lippen. Want hij is opvallend aangenaam, beheerst en ingetogen, en tegelijk zijn zijn gedachten buitengewoon innemend, aansprekend en welluidend. Vaak vragen hoorders hem zaken voor hen op schrift te stellen zodat zij die kunnen bespreken en bestuderen, vaak gaat hij daar - zij het op een wel doordachte wijze - op in. Spinoza was uiterst voorzichtig met publiceren, in een tijd dat de censuur nog functioneerde, niet alleen in de joodse gemeente in Amsterdam maar ook aan de universiteiten, en overal. En Spinoza was zich wel bewust, en na verloop van tijd iedereen die zijn naam kende, dat hij bepaald zeer kritische ideeën had over godsdienst, wijsbegeerte en wetenschap en over de inrichting van de staat.

Toch moeten we de ontwikkelingsgang van Spinoza's denken afleiden uit bronnen die op zichzelf niet altijd direct uitsluitsel bieden. Er zijn verklaringen van mensen die met hem spraken of met hem correspondeerden (maar begrepen zij hem?). Er zijn restanten van correspondenties, er zijn publicaties van Spinoza over zijdelingse onderwerpen, zoals een weergave van de filosofie van Descartes of een zelf ontworpen grammatica van het Hebreeuws. En dan zijn twee grote hoofdwerken de Ethica en het Theologisch-politieke tractaat met nog wat kleinere werken die erop vooruitlopen of die het uitwerken. Maar de persoon is toch vooral verborgen - ook in het werk - en die willen we goed kennen om de motieven - van dat werk - goed te kunnen vatten. Spinoza legde nadruk op rationeel gedrag, op beheersing van de passies, als tegenhanger van het bijgeloof dat hij wilde bestrijden. En zij die hem kenden waren onder de indruk zowel van zijn rust en kalmte, en aangenaam temperament, als van de reusachtige kwaliteit die zijn denken en intellect aan hen te zien gaf. Maar waar is de dichter in de mens Spinoza? Waar liggen zijn hartstochten? Kunnen we het systeem van de Ethica alleen rationeel opvatten of mogen we er ook de misschien wel hartstochtelijke motieven van Spinoza in lezen? En zoja het laatste, hoe verhouden zich ratio en emotie van onszelf dan - en in de verdere werkelijkheid, bij onze medemensen en nog verder - en hoe ver kunnen we er mee komen in welke omstandigheden? Ik zou Spinoza wel eens psychologisch en filosofisch tegelijk willen kunnen lezen, bijvoorbeeld zoals je met behulp van de boeddhistische psychologie ook de Westerse filosofie en theologie kunt lezen, en dan soms tot opmerkelijke inzichten komt. Dat is iets wat je van een biografie als deze moeilijk kunt verwachten.

Wat de auteur wel doet, is op basis van zeer verspreide gegevens een samenhangend beeld reconstrueren van Spinoza's leven en denken, zoals neergelegd in zijn schriftelijke werken en in zijn ontmoetingen en correspondenties. Uit het boek wordt duidelijk dat er zeer verspreide bronnen zijn die niet altijd even gemakkelijk te hanteren zijn omdat ze zelf weer zo'n complexe context hebben. En bovendien wordt er af en toe weer iets nieuws gevonden. Er is dan ook veel discussie geweest over de meest waarschijnlijke gangen van zaken, samenhangen en uitleggingen. Het beeld dat uit deze biografie naar voren komt, is echter evenwichtig, beamen ook vele recensenten. De auteur durft zelf keuzes te maken, en weet die naadloos in zijn verhaal in te passen op zo'n manier dat het verhaal de uitleg biedt. Het boek leest dus als een trein terwijl je iedere bewering zelf kunt nagaan met behulp van de bronvermeldingen. Het geschetste totaalbeeld komt echter buitengewoon betrouwbaar over. Zo lees je ook nog eens iets over - een ongelooflijk centrale periode in - je eigen vaderlandse geschiedenis!

Al doende geeft de auteur ook buitengewoon begrijpelijke overzichten van de inhoud van de voornaamste werken van Spinoza, dus ook van zijn voornaamste gedachten en de samenhang en ontwikkeling ervan in de loop van zijn leven. Waarbij ook blijkt welke invloeden van buiten er een zekere rol gespeeld kunnen hebben. De voornaamste denkbeelden van Spinoza komen daarbij helder ter sprake. In verband met de verhouding van God en de natuur of met de rol van de passies. Maar ook zijn visie op de bijbel, op godsdiensten, op de belangrijkste staatsvormen waarvan de democratie zijns inziens de beste is, en vele, vele andere. Vaak geïllustreerd met verhelderende en prachtige citaten, soms ook buitengewoon mooie uit de correspondentie. Dus een prachtig, leerzaam, uiterst leesbaar boek. Een heel goede inleiding bovendien, met zeer waardevolle literatuuropgave.

Wat het boek niet biedt, is een overzicht van hoe Spinoza de geschiedenis van de filosofie vóór hem - en andere vroegere auteurs die hij las - verwerkte, of hoe zijn eigen systeem helemaal precies in elkaar zit, wat de eigenaardigheden zijn van zijn methode en de begrippen die hij gebruikt. En evenmin hoe het werk van Spinoza is ontvangen in de eeuwen na hem, door filosofen en anderen, welke interpretaties het heeft gekregen en welke invloed het gehad heeft op welke gebieden. Want ook na het lezen van dit prachtige boek dat tevens een heel goede inleiding in het denken van Spinoza is, blijf ik nog met heel wat vragen zitten. Zoals deze laatste, en die welke ik al eerder heb aangegeven. Als de verwerking van zijn voorgeschiedenis en doorwerking opgenomen zou zijn, zou het beeld van Spinoza er zeker door verdiept worden. Ik heb begrepen dat de opkomst van het verlichtingsdenken zo sterk door Spinoza is beïnvloed dat kerken en theologen soms van 'spinozisme' spraken. Wat schreven ze wel en wat niet terecht aan hem toe? Sommige vragen op het gebied van de metafysica, de psychologie en de staatkunde die Spinoza impliciet of expliciet aan de orde stelde, zijn in de eeuwen na hem uitvoerig door anderen behandeld. Wat zijn de vragen die na de Kantiaanse revolutie en de ontwikkelingen van de negentiende en de twintigste eeuw nog steeds of opnieuw relevant zijn? Of dat in één boek dat ook nog biografie moet zijn, te doen is moet ik open laten. Ik sta er voor open als iemand mij kan verwijzen naar boeken die hierover goede informatie en/of inleiding bieden. Want Spinoza is zo verschillend van Descartes, ook in het door hem gebruikte begrippenstelsel en systeem, dat we wellicht op het spoor kunnen komen van onuitgesproken impliciete vermoedens van Spinoza - of naar aanleiding van Spinoza's uiterst beknopte gebruik van sommige begrippen. Begrippen die achteraf gezien hetzij in hun context hetzij in een door ons helderder aan te geven context tot belangrijke interpretaties kunnen leiden. Niet alleen van wat Spinoza wel of niet echt heeft vermoed gezien de context van die begrippen. Maar ook met het oog op nieuwe perspectieven waartoe Spinoza in nuce aanleiding heeft gegeven, zij het dat ze pas later helder gezien en geformuleerd worden. Het spreekt voor zichzelf dat daarbij zorgvuldig gewaakt zou moeten worden voor het voortijdig spannen van aan Spinoza toegeschreven ideeën voor een of ander karretje dat Spinoza niet zou willen trekken. Dat lijkt mij een uitdaging gezien de 'kortheid' die Spinoza's systeem hanteert in de begrippen en de systematiek waarin hij de werkelijkheid meent te kunnen omvatten.
Door deze 'biografie' is Spinoza echter onmiskenbaar voor mij gaan leven als een raadselachtige persoon van ongemeen grote begaafdheid. Een persoon die vanuit een zeker gegoede maar toch in menig opzicht bekrompen sterk godsdienstig bepaalde joodse gemeenschap groeide in intellectueel opzicht. En ook in de ontmoeting met vele vooral niet-joodse tijdgenoten en niet minder met de hele geschiedenis van het Westen. Zijn bibliotheek omvatte zo'n 150 boeken maar hij heeft er ongetwijfeld meer gelezen en verwerkt, en niet zo maar. Hij deed wetenschappelijk onderzoek in de wiskunde en de optometrie, was thuis in zulke verschillende talen als het Hebreeuws, Portugees en Spaans, en Latijn, en een erkend slijper van kwaliteitslenzen. Aan het slijpen was hij waarschijnlijk uit wetenschappelijke interesse begonnen. Hij leefde sober als kamerhuurder bij notabelen, deels van zijn slijpwerk en deels van de ondersteuning door welgestelde vrienden. Spinoza leefde in dezelfde tijd als Descartes en reageerde deels op dezelfde problemen maar zijn antwoorden zijn zo origineel van formulering en van inhoud dat we nog steeds op zoek kunnen naar wat er aan waardevols voor ons in zit. Of dat nu de psychologie van emoties, de voor- en nadelen van democratie of aristocratie, of de betekenis van godsdiensten betreft.
Een heel bijzondere verschijning, deze Nederlandse wereldburger, geboren in 1632 in Amsterdam uit (Spaans-)Portugese joodse ouders die zelf immigranten waren. Spinoza was dus een 'tweede-generatie'-Nederlander. Hij stierf in 1677 op 21 februari in Den Haag. Zijn leven was gekenmerkt door de ontdekking van de mogelijkheden van het intellect van mensen, de vreugde van het gebruik ervan, en de weergave van die mogelijkheden en dat gebruik in zijn geschreven werken. Wat hem betrof, was de grootste vreugde voor de mens die van de intuïtieve kennis van God dat is tevens van de natuur, de amor Dei intellectualis. Hij stond daarbij op het standpunt dat altijd eerst gezocht diende te worden naar en gebruik diende te worden gemaakt van rationele verklaringen van de werkelijkheid en van de best mogelijke voorstellingen die die opleverden. Eerder dan van traditionele mythen of religieuze symbolen, al ontkende hij de opvoedende werking daarvan niet. Zij leveren echter geen rationele kennis volgens hem. Ook onze passies dienen aan het intellect ondergeschikt te zijn als het om kennis gaat, en ons niet zo te overheersen dat we van ons intellect te weinig gebruik maken. In tegenstelling tot Descartes wiens werk hij in een aantal opzichten voortzette, maakte hij geen scheiding tussen geest en lichaam maar zocht naar hun eenheid en verband. Met inzichten die vanwege hun originaliteit nog steeds aandacht vragen. Spinoza wijst er op dat we overal patronen in kunnen ontwaren, ook in zaken die vaak aan bovennatuurlijke invloeden worden toegeschreven, en dat die patronen met het intellect te volgen zijn. Dit geldt geest en lichaam, godsdienst en maatschappij. In zijn systeem van de filosofie wijst hij God en de natuur, de mensen en de politieke en maatschappelijke orde, de rol van de godsdiensten en de staatsinstellingen een rationele plaats toe. En vervolgens beklemtoont hij de vrijheid van denken en spreken voor ieder individu. Ik ervaar het als indrukwekkend dat Spinoza 'als uit het niets' inzichten kreeg en formuleerde die anderen zich later soms alleen met veel (meer) moeite eigen hebben kunnen maken omdat zij nog verstrikt zaten in systemen en patronen waarin voor die voor de hand liggende van Spinoza maar weinig ruimte was. Tegelijk vraag ik me af waar voor Spinoza de grenzen van het verstand eigenlijk lagen, de 'amor Dei intellectualis' is immers niet met het verstand in strijd maar is er hoogste vorm ervan toch meer, want ook een staat van het lichaam en de natuur. Het verstand alleen komt er ook vaak niet. Overschatte Spinoza het verstand zoals sommigen hem waarschijnlijk graag aanwrijven? Of zitten er juist in de wijze waarop Spinoza de verbanden tussen verstand en passies, verstand en lichaam, verstand en natuur legde allerlei impliciete of zelfs expliciete inzichten of verwijzingen daarnaar verborgen waar we nog heel zinvol op verder zouden kunnen borduren om nieuwe of grotere inzichten te ontwikkelen? Ook hier spreekt het vanzelf dat we niet te gauw Spinoza zaken in de mond mogen leggen, wel kunnen we uitproberen of er in zijn spoor door ons verder gegaan kan worden. Waarbij we dan achteraf nog eens goed moeten kijken of je - 'redelijkerwijs' (!) - kunt zeggen dat die verdere weg inderdaad in het verlengde van zijn spoor ligt.
Ik vermeld bij wijze van voorbeeld graag de bespreking door W.N.A. Klever van een enthousiast en diepgaand boek van de Italiaan Toni Negri in NRC Handelsblad van 24 december 1983 over Spinoza's visie op de verhouding tussen individuele en collectieve belangenbehartiging in de staat. Klever merkt ook op dat Negri dit boek in de gevangenis schreef waar hij terecht gekomen was omdat hij een van de inspiratiebronnen geweest zou zijn voor de Rode Brigades, een gegeven waarop Klever op die plaats verder niet kan ingaan. De interessante vraag is natuurlijk of er daarbij ook een verband met de interpretatie van Spinoza bestaat, en welke dan. En of Negri Spinoza misschien eenzijdig heeft uitgelegd of toegepast. Vervolgens wat we daarvan kunnen leren. Dit is maar één voorbeeld van de velen die Spinoza in onze tijd weet te inspireren. Zijn middelen lijken op het oog misschien beperkt, zijn taalgebruik simpel, maar achter die rimpelloze oppervlakte schuilt een diepgang en een originaliteit die zich tot nu toe kennelijk met de hele geschiedenis meten kan. Al moeten we natuurlijk nooit onze eigen opvattingen en die van Spinoza zomaar mengen maar altijd onze standpunten baseren op grondige afweging van argumenten en onderzoek - ook naar de hele context van de voorgeschiedenis, de context en de receptie van Spinoza's denken - om tot de beste voorstelling van zaken te komen.
[Latere toevoeging:] Een boeiende bespreking van drie nieuwe uitgaven over Spinoza, waaronder een van de hand van Nadler, is te vinden in NRC Handelsblad van 3 oktober 2008, pp. 1-2 van de Boeken-bijlage, van de hand van Michiel Leezenberg.
11 december 2005 / 5 januari 2009

Taulers weg naar binnen: Bloemlezing uit de preken van Johannes Tauler, 1300-1361: Samengesteld en van een inleiding voorzien door Peter Huijs, Haarlem (Rozekruis Pers) 2005, 93pp.

Eerder besprak ik de vertaling door C.O. Jellema van teksten van
Eckhart, Suso en Tauler. Die van Tauler spraken mij toen het minste aan. Bij de voorliggende uitgave is dat heel anders. De nieuwe bloemlezing uit Taulers preken heeft een diepe indruk op me gemaakt. Dit is herkenbaar de schakel tussen de mystiek van Eckhart en die van onder andere de Reformatie enkele eeuwen later, zie ook mijn bespreking van Het Boekje van het volkomen leven (later bekend als de Theologia Deutsch). Dit is ook voor een deel de taal van de vroomheid uit de wereld van mijn jeugd: een uitloper van het protestantse piëtisme. Zonde en genade, in samenhang met strijd en geborgenheid van individu en gemeenschap, stonden daar centraal. Taulers spiritualiteit heeft trouwens ook doorgewerkt in de latere spiritualiteit van de rooms-katholieke orden. Ik neem aan dat hij vooral voor monniken en nonnen van de reguliere rooms-katholieke orden preekte, misschien soms ook met toelating van of alleen voor leken.
Zijn boodschap vat ik kort samen. Richt je op je innerlijk en erken je fouten en je "nietigheid" tegenover God. Wanneer je helemaal leeg bent en dat volhoudt, zal God in je plaats nemen, en zich met zijn beeld in jou verbinden zodat het weer gaat leven. Dat zal een feest van herkenning zijn, van liefde en vreugde. Leer jezelf zowel in je stille beschouwelijkheid als in je concrete werkzaamheden helemaal loslaten en geconcentreerd richten op God en zijn eer, en de eenheid met Hem zal je - uiteindelijk - gegeven worden. Zijn geest zal in jou woning nemen en jouw leven sturen zodat je dienstbaar bent, boven wat je verstand en je zinnen vermogen te bedenken en te ervaren. Daartoe is het vereist dat je je innerlijk en zoveel mogelijk ook uiterlijk "losmaakt" van de wereld en zijn bewoners, je medemensen. Je onafhankelijkheid is een onopgeefbare voorwaarde. Voor je medemensen dien je overigens minstens evenveel respect te hebben als voor jezelf, en even goed te zorgen. Maar je innerlijke omvorming hoef je niet aan hen op te offeren. Die valt met jouw verbondenheid met en dienstbaarheid aan hen te combineren. Tegelijk is je innerlijke omvorming zonder de laatste ook niet af. Zoals in het persbericht van de uitgever over dit boek zo helder staat omschreven: "(Wat) de innerlijke vernieuwing van de mens nabij brengt, is een levenshouding die de juiste voorwaarden realiseert en volhoudt". Zoals Eckhart zei: "Als wij 'niets worden', moet God wel komen om de leegte te vullen." Die levenshouding van 'niets worden' omvat het opgeven van onze eigenwil, ons ego, ten dienste van wat het moment van ons vraagt, steeds opnieuw. Om ons door Gods wil te laten vullen is voldoende dat wij er steeds op uit zijn ons zo open mogelijk te houden voor wat zich ieder moment aandient als gave aan ons of als mogelijkheid om dienstbaar te zijn of als oefening om uit te houden. Dat kan alleen als we tegelijk onafhankelijk en los van ons ego, van anderen en van de wereld zijn. En bereid zijn ons te oefenen in steeds nieuwe kennis van onszelf en van anderen en de wereld.
Tauler was een directe leerling van Eckhart maar ook van een 'godsvriend' die op zijn weg kwam toen hij al ouder was. Die laatste was veel jonger dan Tauler maar innerlijk veel meer ervaren. Hij instrueerde en begeleidde Tauler zo dat een diepe crisis die deze op zijn vijftigste doormaakte, hem erg veranderde en hem veel nederigheid, liefde en inzicht bracht. Dit leidde ertoe dat hij eerst aarzelde over nieuw optreden naar buiten maar uiteindelijk tot een nieuwe preekactiviteit leidde. Zijn preken maakten grote indruk, ook nog eeuwenlang nadat zij op schrift gesteld waren.
Ik ontleen een deel van deze gegevens aan de buitengewoon informatieve inleiding die Peter Huijs aan deze bloemlezing vooraf laat gaan. Terzijde zij opgemerkt dat de aan het eind van de inleiding opgegeven literatuur beperkt is. Is dit alles waar Huijs zich op baseert? Waarom noemt hij hier bijvoorbeeld ook niet Burke en Berry die hij wel aanhaalt op blz. 25? Ook de omschrijving van de wel genoemde literatuur had iets uitvoeriger gekund. Wat zijn de kwaliteiten van genoemde boeken? Het helpt altijd zo wanneer je - door een geannoteerde literatuurverwijzing, ook al is die altijd enigszins subjectief en misschien wel juist omdat die dat altijd is - als lezer niet alles zelf opnieuw hoeft uit te vinden!
We komen Tauler in deze prachtige inleiding tegen als een soms bruut karakter die kennelijk nogal wat mensen afstootte. De tere inhoud van zijn preken vormt daarmee een opmerkelijk contrast. Deze ruwe bolster had kennelijk een tere binnenkant. Die heeft hij uiteindelijk echter sterk ontwikkeld. En wij met zijn toehoorders kunnen daarin delen. De toon van zijn spreken verraadt zijn karakter soms nog. Zo bijvoorbeeld als hij zijn hoorders aanspoort om toch vooral geen steken te laten vallen. Enig dwanggedrag was hem misschien niet vreemd. Maar het gevoel en het inzicht in de ontwikkeling daarvan gaan daar verre bovenuit, iets wat steeds weer naar voren komt. Hij spreekt duidelijk uit eigen ervaring, ook bijvoorbeeld als hij het erover heeft dat je wel veertig of vijftig jaar kunt worden voor je enig inzicht begint te ontwikkelen of voordat het doorbreekt. Dat maakt een en ander des te menselijker en herkenbaarder.
Hiermee is lang niet alles over de inhoud van deze prachtige bloemlezing gezegd. Het verschil met de door Jellema vertaalde teksten zit hem onder andere in het feit dat Huijs voor het merendeel uit andere preken put. Misschien dat Jellema vooral op de overeenkomst met de taal van Eckhart heeft gemikt? Bij Huijs staat de 'bekering' of omvorming van de mens door de aanraking met God duidelijk centraal. Bovendien heeft hij de gekozen en vertaalde teksten gerubriceerd naar enkele thema's. Dat leidt in ieder geval tot een duidelijk ritme, al lopen de thema's ook wel door elkaar heen. De mooiste citaten uit alle vertaalde stukken heeft Huijs bovendien verspreid door het boek apart in de kantlijn herhaald, en ook dat werkt goed. Zoals Huijs in een 'Woord vooraf' zegt: naarmate je Taulers 'parels' beter leert kennen, worden ze je steeds vertrouwder en dierbaarder. En Tauler een waardevolle vriend al voelde je misschien eerst afstand tot hem.
Een technisch verschil met de vertaling van Jellema is dat in dit boekje geen complete preken zijn afgedrukt maar samenvattingen eruit, zoals gezegd naar thema. Inderdaad valt op dat de stukken afgerond zijn. Ik heb niet de indruk dat Huijs er inhoudelijk heel erg veel aan gesleuteld heeft, anders zou ik dat nader hebben willen onderzoeken. Het resultaat is in ieder geval opmerkelijk, de teksten zijn zeer indringend en spreken recht tot het hart. Ik beschouw dit boekje als een grote aanwinst voor de spirituele literatuur. Hier is een stuk goud van hoog karaat opgedolven en genietbaar gemaakt. Daarvoor betuig ik de auteur, die hier kennelijk zo verwant mee en in thuis is, mijn welgemeende respect. Ik beveel het boek met nadruk aan. De spiritualiteit van Jezus van Nazareth waar men zich meestal op beroept (zie ook mijn lezing 'Jezus en Thomas'), was mogelijk iets minder zwaarmoedig en iets speelser dan het later is opgevat in sommige 'ernstige' Europees-christelijke kringen maar zeker even 'grondig' omvormend. Hoewel ook Tauler met nadruk zwaarmoedige stemmingen en gedachten als in dit proces schadelijk en onbruikbaar terugwijst. Zoals Tauler zegt: zelfs de paus heeft over dit proces niets te zeggen. Want hier ontmoeten mens en God elkaar onmiddellijk, in elkaars grond. Zoals Jacob Boehme en vele andere leerlingen in deze traditie met vreugde hebben betuigd. Bij de rozenkruisersgeschriften uit dezelfde tijd (van de hand van Johann Valentin Andreae, mede geïnspireerd door zijn vrienden) staat de leraar van Tauler, de 'godsvriend', model voor Christiaan Rozenkruis, schrijft Huijs. En de eeuwen door heeft het niet ontbroken aan mensen die door deze inspiratie geraakt werden, zie bijvoorbeeld De roep van het Rozenkruis: Vier eeuwen levende traditie. Maar natuurlijk ook vele anderen, zoals in genoemde piëtistische traditie en in de spiritualiteit van sommige rooms-katholieke ordes en leken. Ik zou graag eens een studie vinden van de samenhang tussen deze traditie van 'vroomheid' of spiritualiteit en de persoonlijke karaktervorming in de loop der eeuwen. Zoals bekend is er bijvoorbeeld een christelijke traditie van vroom masochisme (daarover verscheen ooit een dissertatie van Klapwijk die ik overigens nog niet gelezen heb). Maar er valt wellicht meer te vinden, zoals de dominante vormen van en de variaties in persoonlijkheidsvorming en karaktervorming in deze tradities. En ook zou ik nog iets helderder willen krijgen wat de verhouding is tussen de vroomheid van deze tradities en hun maatschappelijke rol en inzet. Zoals anderen dat gedaan hebben voor de middeleeuwse christelijke orden in verhouding tot de opvattingen en de positie van de parochiale kerkelijke organisatie, bijvoorbeeld de sociologe Silber.
Wat Jezus betreft zij nog opgemerkt dat deze er niet op uit geweest lijkt te zijn om voor langere tijd een nieuwe vorm van virtuoze beoefening van spiritualiteit te vestigen. Zoals je die in tradities van monniken en nonnen aantreft in alle culturen. Jezus lijkt veel meer op de directe en spoedige verwerkelijking van het Koninkrijk van God gericht te zijn geweest. Dat hield ongetwijfeld een spiritueel leven van gewone mensen in de omgeving van Jezus in. En daarin speelde de omkering die Johannes de Doper ook al preekte, een grote rol in. Van lijden en onbewust leven naar bevrijding en het feestelijk vieren daarvan, zowel spiritueel als sociaal. Niet door gewapende revolutie maar door het ontwaken voor de werkelijkheid van het Koninkrijk. Het blijft intrigerend te zien hoe lang en in hoeveel vormen zijn inspiratie levend is gebleven tot in onze tijd. Voor Jezus begon de ommekeer met alles innerlijk los te laten, en vanzelfsprekend dan vaak ook uiterlijk. Zodat er ruimte komt voor het nieuwe en het wezenlijke, en alle ballast overboord kan. Daar is Tauler ongetwijfeld ook van overtuigd.
Wat lijkt de essentie van deze Westerse traditie in het spoor van Jezus toch op de vergelijkbare tradities in andere religies, zoals het boeddhisme. De manieren waarop mensen in het leven vast komen te zitten, zien er op detailniveau in verschillende culturen en verschillende tijden verschillend uit. Maar de wijsheid en het inzicht dat het van groot belang is om niet vast te zitten maar ruimte te vinden voor spiritualiteit en solidariteit is overal terug te vinden. De voorbeelden uit het verleden blijven beschikbaar voor ons om ons te helpen ook die weg te gaan in de vormen te vinden die in onze tijd en omgeving passen. Wordt voorbijgangers ten opzichte van zaken waar je aan kunt hechten, zei Jezus, maar nodig ieder uit tot het feestmaal van het koninkrijk van God die er in mee wil doen. Wordt 'zwervers' om het Koninkrijk Gods te onthullen aan steeds nieuwe mensen.
11 december 2005

André Abeling, Het Groene Woordenboek, Den Haag (SDU Uitgevers) 2005 [Eerste editie 2002, tweede editie 2005], 895pp.

Deze bewonderenswaardige uitgave is een combinatie van twee eerdere uitgaven. Dat waren 'het Groene Boekje' dat in zijn telkens nieuwste editie van vrijwel alle woorden de nieuwste spelling bevatte, en de Grote Prisma Nederlands. Vooropgesteld zij dat de nieuwe uitgave bijzonder prettig in de hand ligt, niet te zwaar is en toch prettig open neergelegd kan worden. En dat voor een werk van 895 pp.! De letter is niet groot maar de bladspiegel is prettig en de tekst is prettig leesbaar, niet te druk en toch met goede onderscheiding van verschillende elementen, altijd weer een typografisch kunststuk waar de vormgever eer mee in legt.
Ook in de naam - niet Woordenlijst van de Nederlandse taal of 'het Groene Boekje' maar Het Groene Woordenboek - klinkt al door dat dit een stevige inhoud heeft. Dezelfde compleetheid als de woordenlijst, met dezelfde actuele spelling maar: met vele extra's. En die zijn nu net van de grootste waarde voor een taalgebruiker in onze tijd. Het gaat om (ik citeer de 'Aanwijzingen voor het gebruik'): “Bijzondere aandacht is besteed aan de … zakelijke samenhang van de woorden. Zo worden in het artikel 'paard' kenmerkende zelfstandige naamwoorden (hengst, merrie, veulen; achterhand, manen, gangen enz.), werkwoorden (briesen, hinneken, steigeren, roskammen enz.) en bijvoeglijke naamwoorden (afgejakkerd, aftands, bereden enz.) genoemd; onder het trefwoord 'magneet' vindt men: min- en pluspool, anker (armatuur), flux, krachtveld. … Spreekwoorden en vaste uitdrukkingen zijn telkens onder één trefwoord behandeld. Een ver doorgevoerd systeem van verwijzingen maakt zulke verbindingen verder toegankelijk. Zo vindt men in het artikel 'absoluut': * zie ook gehoor, meerderheid, muziek, nulpunt, werkwoord.” (p. VII).
Uit de voorbeelden wordt duidelijk genoeg dat hier een van de grote voordelen zichtbaar van wat het digitale tijdperk op taalgebied op gaat leveren. Namelijk zicht op de frequentie waarmee woorden in elkaars nabijheid voorkomen, en daarmee op een beter inzicht in en een betere toegang tot de verschillende betekeniscomplexen die woorden en combinaties van woorden in het gebruik hebben. Vroeger vond je toevallig wel eens een uitdrukking als je die kwijt was, door te zoeken bij een specifiek woord uit die uitdrukking. Maar dat leverde dan lang niet altijd een treffer op omdat het meestal maar op één plaats gebeurde. Nu is de kans daarop verveelvoudigd omdat systematisch voor de verwijzingen is gezorgd. En zeker in een tijd waarin taal sterk verandert onder druk van culturele veranderingen en sterke invloeden van andere talen, is die hulp van grote waarde om ons eigen taaleigen te blijven houden. Ook als we iets even kwijt zijn kunnen we het nu snel terugvinden. Dat lijkt mij buitengewoon waardevol.
Deze uitgave is dus heel speciaal en ik beveel haar sterk aan. Geschikt voor ieder die én de nieuwste spelling wil kunnen naslaan én die 'even' op zoek is naar de betekenis van een woord of naar de juiste wijze van gebruik ervan, of naar een uitdrukking of spreekwoord waar dat woord in voorkomt. Een grote stap vooruit. Mag op geen bureau ontbreken van wie regelmatig Nederlandse teksten schrijft.
11 december 2005

Anthony de Mello, De weg van Stilte, Amsterdam (Samsara Uitgeverij) 2005 (oorspr. Spaans 1992), 191pp.

In dit boek spreekt iemand van wie je kunt zeggen dat hij echt uit ervaring spreekt. En wel spirituele ervaring, gegroeid inzicht, levende verlichting en vrijheid en universele liefde. Ik kan eigenlijk niet veel over dit boek zeggen, daarvoor gist het nog teveel in me. Het is op zich goed mogelijk in een paar zinnen aan te geven wat hij in dit boek vertelt. Het is mijns inziens zijn persoonlijke inleiding in de spirituele weg. Maar dat is een indruk waarbij ik een voorbehoud moet maken omdat dit nog maar het tweede boek is dat ik van hem lees, het andere was
Handvol water. Wat ik zonder voorbehoud kan zeggen, is dat Anthony de Mello mij diep raakt met vrijwel alles wat hij hier schrijft. Niet alleen omdat hij erg van binnen uit schrijft maar ook omdat het buitengewoon op mij van toepassing lijkt. Dat komt ook wel door zijn gebruik van oude christelijke en oosterse tradities maar vooral door zijn boodschap dat je het als wandelaar op de spirituele weg alleen van 'jezelf' kunt hebben en van niemand anders. Dit in tegenstelling tot allen die zeggen dat je hen moet volgen of hun regels. Hij maakt dit ook glashelder, en wel zo dat alle waardevols dat je eerder ontdekt had of eigenlijk wel wist, past in of overeenkomt met wat hij zegt. Hij formuleert het bovendien sterk. Maar het belangrijkste is dat het een verpletterend ware indruk maakt: hier heb je wat aan. Dit is het. Toegegeven, het lijkt op de oude boodschap van de christelijke mystiek en de christelijke vroomheid: het licht is ook in jou. Het punt is natuurlijk dat het zo is: het Koninkrijk van God is (ook) in ieder mens. En omdat we veel kunnen begrijpen maar alleen onze eigen ervaring kunnen leven, gaat het om het beleven en verwerkelijken van die grote ontdekking. Zeg dus maar dat het boek erover gaat wat die inhoudt. De ontdekking dat wij in onze kern volledig vrij zijn, volledig liefde zijn en volledig gereed zijn om de ons geschonken talenten en eigenschappen - zintuigen, een lichaam, kennis, ervaring - te gebruiken op een wijze die met die kern van licht overeenstemt. Door helemaal mee te gaan met de werkelijkheid die we alleen nu steeds opnieuw kunnen beleven, in voortdurende verandering. Zonder beheerst te worden door het verleden, of al vast te zitten aan een toekomst. Want verleden en toekomst zitten vast aan de bron van ons actuele leven, waar we altijd van kunnen drinken. Wat zouden we anders moeten?
Voor mij een sterk en indrukwekkend boek, dat ik anderen van harte aanbeveel. Misschien dat bij anderen andere inspiratie beter past. Dat zou best kunnen. En ook voor mij zal er best ook nog meer inspiratie te vinden zijn. Maar dit is het beste boek dat mij sinds jaren overkomen is. Waarom zou je / u het ook niet eens proberen? Na een begin dat me eerst wat afstandelijk voorkwam, duikt de auteur midden in de zaken. Dan volgen een groot aantal hoofdstukjes met titels als 'Vrede', 'Geluk', 'Echt leven', 'Bevrijding', 'Je gevoelens uiten' enzovoort. Een interessant aspect van het boek is dat het vol boeiende verhalen staat en vooral vol boeiende oefeningen. Die zijn er allemaal op gericht om ons denken te veranderen, onze manier van zien, onze vooroordelen. Dus om ons te bevrijden.
De schrijver maakt daarbij duidelijk dat vooral de minder prettige ervaringen ons veel kunnen leren - in de eerste plaats over onszelf. En over de bronnen van ons eventuele lijden, om een ander woord voor ons ongenoegen te noemen. Ook maakt hij - zodoende - veel duidelijk over wat 'meditatie' is, en spiritualiteit. Ik zal de neiging weerstaan om veel te citeren uit dit boek, maar er staan werkelijk veel uitspraken in die de moeite van het overdenken meer dan waard zijn. “Als je niet geniet van het leven, is er iets heel erg mis met je.” (187) “Perfecte liefde verdrijft alle angst, want liefde verlangt en eist niets; ze marchandeert niet en ze oordeelt niet. Liefde is er gewoon, altijd en overal; het enige wat ze doet is waarnemen en in actie komen.” (190v.) “Hoe meer je van anderen houdt, hoe meer je zonder hen kunt. Hoe meer je van anderen houdt, hoe meer je mét hen kunt.” (191)
En zo gaat het maar door, over gebed (begrip, aandacht, de bereidheid om te zien) en spiritualiteit (wakker worden). (99) “Echt geluk heeft geen oorzaak.” …Wat kun je doen om gelukkig te zijn? Niets!” (95) “Als we dat willen, dan kunnen we onmiddellijk gelukkig zijn want geluk ligt in het moment zelf. Maar gelukkiger willen zijn dan je al bent of dan andere mensen, is het beste bewijs dat je ongelukkig bent. Geluk is namelijk niet te vergelijken. Een dergelijk verlangen in is niet te realiseren. We kunnen alleen maar gelukkig zijn zoals we zijn; de mate waarin anderen gelukkig zijn valt niet te meten.” (188)
De enige weg naar bevrijding loopt via het kijken naar onszelf en het loslaten van onze vooroordelen, en van de angsten en het gedrag die uit die vooroordelen - door anderen aan ons geleerd of door onszelf bedacht - voortvloeien. De enige die daar echt iets aan kan doen, ben jezelf. Maar dan ook echt. Daar wordt het niet altijd prettiger van, maar wel ontspannen, helder en gelukkig. Omdat je in de leegte van jezelf universele liefde vindt, de vreugde die door de wereld stroomt.

Als interessante bijkomstigheid merk ik nog op dat de Congregatie voor de Geloofsleer van de Rooms-Katholieke Kerk in 1998 (11 jaar na het overlijden van Anthony de Mello, van wie een interessante biografie op Internet is verschenen van de hand van zijn broer) een veroordeling van diverse opvattingen van de Mello heeft gepubliceerd. Waarmee zij wil zeggen dat Pater de Mello - een erkend lid van de Societas Jesu, de Jezuïetenorde - in de loop van zijn leven steeds minder de opvattingen weerspiegelde die passen binnen de rooms-katholieke opvatting over God, Jezus en de weg tot verlossing. Het is voor mij vooral een interessant - hoewel kort, namelijk uit anderhalve pagina bestaand - document omdat het deze opvattingen wel hoogst gevaarlijk noemt, maar niet zegt waarom. Met andere woorden, het gaat om een afgrenzing tegen opvattingen die de macht van de kerk kunnen aantasten (iets dat ook met zoveel woorden als verfoeilijk wordt aangeduid). Net overigens - de Mello is daar inderdaad gelukkig heel duidelijk in - als alle andere religieuze instituten die gehoorzaamheid boven eigen ervaring en vrijheid stellen, en dat niet via een vrijwillige keuze maar via het beheer van de waarheid die zij in pacht hebben respectievelijk menen te hebben. Jammer voor die instituten zou ik zeggen maar ik geloof dat Jezus er precies zo over dacht. Uiteraard zonder tot slechtheid op te roepen. Nee het gaat hier inderdaad om iets fundamenteels, zeker als je spiritueel wilt groeien ofwel wakker worden, zoals de Mello het noemt. Wat meent zo'n congregatie - indertijd onder leiding van de nu paus geworden kardinaal Joseph Ratzinger - met dit overigens heel heldere en prachtig genietbare kruidenierswerk te bewerkstelligen? Haar mening zij haar gegund maar is zo'n veroordeling nu een bewijs van of ondersteuning voor spirituele vrijheid? Kennelijk had de Mello iets belangrijks te vertellen, dat maak ik er uit op.
Andere publicaties van de Mello - meest in het Engels en andere talen - zijn gemakkelijk via Internet op te sporen. Uitgeverij Samsara publiceerde in Nederlandse vertaling van hem ook het boek Bewustzijn.
17 januari 2006





Retour naar overzichtspagina gelezen teksten


Google
"To Serve Divine Wisdom, in Full Awareness of Death and Life
Waiting for Her unmistakable Signs,
Tapping from and Revering the Source of True Healing, the Kingdom of Complete Eternity
Manifesting Always through All Polarities and Changes Here and Now" (Kalliopeia)

Ieder apart wezen compleet en diep één met zijn eeuwige grond, verbonden in één gewaar-zijn


URL: http://www.bk-books.eu/lezen23.html
Version 5 = latest revision of 5 January 2009 (Version 1: 31 October 2005)
© 2005-2009 Boudewijn Koole; copying admitted
in case acknowledgement is provided (at least reference to site: www.bk-books.eu and with link to url (unique resource location or web-address) of the text copied or referred to; if wished so with your valuation)