Uw BREIN als MEDICIJN: Zelf stress, angst en depressie overwinnen, [vertaling uit het Frans, ]Utrecht / Antwerpen (Kosmos-Z&K) 2005-8e druk (2003-1e), 285 pp.
Jacob Slavenburg,
Van Ankh tot Hermes: Met een voorwoord van Paul Kluwer, Deventer (Ankh-Hermes) 2005, 95pp.
De Gulden Brief: Vertaald uit het Latijn, ingeleid en geannoteerd door broeder Guerric Aerden o.c.s.o., cisterciënzer abdij Zundert, [met Inleiding en Bijlagen waaronder Registers van bijbelverwijzingen, persoonsnamen en trefwoorden, en Bibliografie, ]Kampen (Uitgeverij Ten Have) 2005, 199pp.
Van den Berk benadert de numineuze ervaring dus vooral vanuit de moderne tijd en vanuit de moderne Westerse theologische en psychologische traditie. Voordeel daarvan is dat hij ook de moderne vooroordelen - het rationalisme zowel in de wetenschap als in de kerkelijke theologie - tegen deze ervaring behandelt en die laatste ijzersterk verdedigt. Hij laat buitengewoon helder zien dat in de ervaring van het numineuze de werkelijkheid of onderdelen ervan een, voor degene die deze ervaring ondergaat, alles veranderende betekenis krijgen. In hoeverre die betekenis verder reikt dan het moment, en wat die fundamentele verandering inhoudt, is iets waarover Van den Berk weer minder uitweidt, zeker wanneer je daar de vergelijkbare verhalen uit de Oosterse, vooral boeddhistische psychologie naast zet. Wel is duidelijk dat hij de numineuze ervaring zo waardevol en fundamenteel vindt dat zij het waard is dat iedere belemmering ervoor wordt weggenomen, iets waarop hij verderop nog terugkomt.
Ten slotte wijdt van den Berk dan uit over wat hij als kenmerkende eigenschappen van de numineuze ervaring beschouwt: openheid of regressie in positieve zin (1), verbeelding of illusie in positieve zin (2) en volledigheidservaring (3). Een belangrijke constatering is dat het illusionaire karakter van de ervaring - naar traditionele rationele maatstaven gemeten - juist een positieve voorwaarde of karaktertrek is. Iets wat ook in andere boeken van de auteur sterk naar voren komt (en terecht). Ik ben persoonlijk overigens geneigd dit ook werkelijk te noemen, zij het een andere werkelijkheid dan de wetenschappelijke inzover die zich verabsoluteert als het enig ware criterium voor werkelijkheid. Maar van den Berk maakt wel gebruik van filosofische inzichten, zelf is hij geen filosoof maar blijft dicht bij de praktijk van de 'mystagogie' (titel van een eerder boek van de auteur). Waarvan hij hier buitengewoon waardevolle elementen naar voren brengt. Een rijpe vrucht naast en voortkomend uit zijn andere werken (zie behalve diverse andere links in deze bespreking ook mijn bespreking van Het mysterie van de hersenstam) en zijn grote ervaring. Hier integreert hij veel. Zelf heb ik de neiging deze ervaring onder te brengen in een soort filosofie of psychologie van de illuminatie. Voordeel daarvan is de overzichtelijkheid en een duidelijk inzicht in waar je mee bezig bent. Maar op die manier loop je snel uit de pas met de werkelijkheid van de actuele ervaring. Van den Berk lijkt zijn theorie altijd te verweven in een verhaal en verhalen die de bedoeling hebben die ervaring op te wekken, zoals hij schrijft. Dat houdt dus enerzijds in dat hij sterk op de ervaring gericht blijft, wat mij een voordeel lijkt. Aan de andere kant ervaar ik zijn verhalen ook soms als een excursie van de ervaring vandaan, omdat ook hij er niet aan ontkomt toelichtingen, theorieën, illustraties enzovoort te geven van dat waar hij op uit is. Dat levert de kans op van de grote ervaring en het grote inzicht van de auteur kennis te nemen maar leidt ook tot de vele woorden waarop de auteur op p. 299 terloops de aandacht vestigt. Voor degenen die op inzicht uit zijn, zal dit geen grote hinder zijn, integendeel een welkome meiregen. Maar is inzicht gelijk aan een numineuze ervaring? Nee dus (tenzij je dat er in herkent, dan valt het samen!). En er valt dus nog meer te doen … of te laten.
Hoewel dat sterk voor de hand zou liggen, behandelt hij hier niet de - mijns inziens uiterst sterke - overeenkomsten met wat de zogenaamde oosterse culturen, religies, psychologieën en filosofieën over dezelfde ervaringen zeggen. Bijvoorbeeld de boeddhistische psychologie, of die van de Advaita Vedanta, kan hier goed naast gelegd worden. Dan zouden wel allerlei diepergaande problemen aan de orde moeten komen, en die kunnen best subtiel zijn. Zoals de verschillende grondhoudingen die in het Oosten en het Westen aangenomen lijken te worden ten opzichte van het omgaan met begripsmatige en ervaringsmatige tegenstellingen. De kwestie van het niet-dualistisch omgaan met begrippen en ervaringen dus. Daarbij gaat men uit van de dimensie van bovengenoemde derde eigenschap, de volledigheid die alle tegenstellingen omvat, en die ook in het Westen haar belangrijke rol speelt zoals bij Jung waar de auteur ook even op ingaat. Men probeert dan niet om die dimensie in een kader onder te brengen. Maar alleen uitspraken te doen die met de betrekkelijkheid van alle kaders - gezien, gevoeld, ervaren vanuit die dimensie - rekening te houden. Ja dit boek raakt aan veel fundamentele zaken, en is daar evenwichtig op ingegaan. Zij het enkel vanuit onze Westerse context. En dat gebeurt grandioos, zij het dat een aantal verder voerende filosofische en theologische problemen wel evenwichtig aangeraakt worden maar niet uitgewerkt. Speciaal de verhouding tussen de noodzaak om af te wachten en die om de goede voorwaarden te scheppen - dus tussen een vorm van passiviteit en een van activiteit - komt regelmatig aan de orde, tussen de regels door of expliciet. Maar zij vindt nog niet echt een bevredigende 'oplossing' naar mijn gevoel. Misschien vind ik dat zo omdat de auteur wel veel brokstukken levert voor een theorie uit één stuk maar het daarbij laat, om de eerder genoemde reden die in zijn verhalende of evocerende aanpak ligt. Ik blijf die samenhangende heldere theorie kennelijk missen.
Het levert wel prachtige bladzijden op. Bijvoorbeeld waar van den Berk de huidige Nederlandse auteur en essayist Willem-Jan Otten citeert die in enkele voordrachten en publicaties heeft uitgelegd welke ervaringen hem - na een intensieve worsteling - geleid hebben tot zijn bekering tot het katholicisme.
Dit werk getuigt van de grote eruditie van de auteur, van zijn rijpe vertel- en uitlegkunst, en biedt het ene waardevolle inzicht na het andere. In de slotzinnen van de epiloog constateert de auteur dat hij voor iets dat toch niet in woorden uit te drukken valt, wel erg veel woorden gebruikt. Dat geeft inderdaad te denken. In de Zentraditie is het woord helemaal niet allesoverheersend maar kan verlichting even goed uit gedrag blijken als uit een verlichte uitspraak. Toch gaat van den Berk ver in het relativeren van Westerse verabsoluteringen, alleen noemt hij ze niet zo. Dat leggen anderen dan nog eens uit, hoop ik.
Helaas heeft het boek geen register van (auteurs-)namen en behandelde begrippen. Ook verder zijn er wellicht details waarop aanmerkingen gemaakt kunnen worden. Zo citeert de auteur op blz. 158 Jungs uitleg van het religiebegrip (en met krachtige instemming nog een keer op p. 178) waaruit blijkt dat deze het terecht afleidt van het Latijnse religere en de kernbetekenis daarvan: 'zorgvuldig en gewetensvol aanschouwen', zeg maar: zorgvuldige aandacht. Dus niet het Latijnse religare dat terugbinden betekent en dat door de kerkvaders werd gebruikt om het christendom te rechtvaardigen. Namelijk als de godsdienst die terecht de mensen zou terugbinden aan hun oorsprong, wat vooral neerkwam op een verplichting betekent en oplegt: terugbinding in de orde van kerk en maatschappij. Want die oorsprong was de God die door de kerkvaders en de kerkelijke ordening gerepresenteerd werd en waaraan zij de mensen graag zagen gehoorzamen. De oudste kern van het religiebegrip is dus 'aandacht' en niet 'gehoorzame terugbinding aan de oorsprong'. Dit wordt behandeld in bijvoorbeeld E. Benveniste, Indo-European Language and Society (vertaald uit het Frans), Coral Gables (University of Miamiing gerepresenteerd werd waaraan zij de mensen graag z Press) 1973. Maar als Van den Berk dan zelf zijn visie op religie geeft (pp. 274vv.) verdwijnt deze heldere uitleg als 'aandacht' uit het gezicht. De aanpassing aan 'iets' Geheel Anders buiten de mens lijkt dan voorop te staan ook al zegt hij nog zo duidelijk dat het om iets gaat waar de mens al mee verbonden is. Naar de vorm is de numineuze ervaring dan wel illusionair (in positieve zin) en zuiver menselijk. Maar naar de inhoud lijkt zij nog steeds erg op de Godservaring van de traditionele christelijke kerken, die vooral gekenmerkt wordt door het uitgaan uit en relativeren van de menselijke ervaring. Ik zou zelf graag zoeken naar een ervaring die midden in het leven blijft staan, en het gewone anders ziet.
Mijns inziens kun je dit alleen omschrijven als een vorm van je bewust worden van iets dat er altijd al is maar dat de meeste mensen meestal niet 'zien' (ervaren, zich bewust zijn). Het gaat immers, zegt ook de auteur in navolging van Jung, om 'anders' zien. Dit sluit ook aan bij de gedachte dat alles - iedere ervaring, en niet alleen een speciale 'hogere' of 'geestelijke' ervaring - numineus kan blijken voor een mens. Ik noem dit omdat het ook in het Chinese en Japanse boeddhisme speelt: doe je het zelf of wordt het je aangedaan, die verlichtende daad of ervaring? En nog sterker, bijvoorbeeld bij iemand als de Japanse Zenauteur Dogen Kigen (12e eeuw): in de verlichtingservaring is alle tijd, verleden en heden en toekomst, opgenomen. En als ergens iemand verlicht wordt, wordt op dat moment de hele kosmos verlicht.
Of is dit uitlegprobleem meer een spel van woorden dan een echt probleem? Het is ook van belang omdat Van den Berk suggereert dat er een methode zou kunnen zijn om naar die ervaring toe te werken. Het lijkt mij van belang op te merken dat dat nooit een automatisme kan zijn, dus een methode in de zin van de moderne experimentele natuurwetenschappen, maar altijd een 'ruimte maken (of laten!) voor'. Wat opnieuw neerkomt op aandacht (geven en … loslaten). Zoals de auteur overigens ook fijn het onderscheid tussen concentratie en meditatie aangeeft.
Kortom, nog vragen en gesprekspunten te over. Maar dat geeft wel aan hoe vruchtbaar de thematiek is die hier aangesneden is door de auteur.
De voorstelling dat de numineuze ervaring of verlichtingservaring een geslaagd 'huwelijk' impliceert van ratio en onbewuste (en andere paren tegenstellingen die hier een rol spelen) acht ik bij voorbeeld uiterst waardevol. Als zodanig komt dit 'huwelijk' al voor in het oudste christendom, en in de voorlopers daarvan, maar ook uitgebreid bij bijvoorbeeld Jacob Boehme, bij Mozart en bij Jung die zijn laatste grote werk daarover Mysterium Coniunctionis noemde. En die voorstelling lijkt mij tevens een vruchtbare basis voor alweer een dialoog met vergelijkbare aspecten van de Oosterse ervaring, speciaal met betrekking tot het hierboven al genoemde non-dualisme.
De door de auteur kwijtgeraakte referentie van het gedicht op de voorlaatste pagina zal die zijn naar het gedicht 'Woorden' van Jacqueline van der Waals, vertaald en herdicht naar het gedicht 'Ich fürchte mich so vor der Menschen Wort' van de jonge Rainer Maria Rilke. Ik zou overigens ook graag weten waar het intrigerende citaat van Wittgenstein dat het motto van de epiloog vormt, precies vandaan komt.
Kortom, dit is een in vele opzichten aanstekelijk boek van Tjeu van den Berk. Althans voor geïnteresseerden in een waardevolle (Westerse) visie op spirituele ervaringen in de (Westerse) wereld. Misschien dat het met wat meer voorbeelden uit andere taalgebieden - ter vervanging van te uitsluitend Nederlandse? - een interessante uitgave voor het Engelse taalgebied is. De taal is zo helder dat het vertaalwerk goed te doen moet zijn.
4 januari 2006
Een opmerkelijk gegeven in dit boek wordt gevormd door bladzijde 155. Onder de kop 'Info' wordt vermeld dat er over het esoterische christendom cursussen gegeven worden op de Hogeschool en Instituut voor Geesteswetenschappen ( www.geesteswetenschappen.nl ), afdeling van de Hogeschool van Utrecht, een HBO-opleiding. Op deze afdeling worden sinds september 2005 opleidingen in de westerse esoterie aangeboden. Zowel in bepaalde praktische beroepen als in de theorie en de geschiedenis van de bijbehorende vakken. Op het moment van schrijven van deze bespreking worden ook diverse lezingenseries aangeboden van auteurs die onder andere bekend zijn uit bijvoorbeeld het lezingencircuit van uitgeverij Ankh-Hermes (Deventer) en het Jungiaans Instituut (Nijmegen). De renaissance van de esoterie en van de ontmoeting van spirituele stromingen en godsdiensten die in het Westen vooral de laatste vijf decennia in een stroomversnelling is gekomen, zou daarmee ook op het terrein van het reguliere onderwijs een bredere erkenning en inbedding vinden. Iemand die kennis en praktijkopleiding zoekt op deze gebieden, kan nu 'gewoon' terecht op een HBO-opleiding.
Een grote kans, en een grote verantwoordelijkheid om te zorgen voor een kwalitatief goed en voor een niet te smal aanbod, stel ik me voor. Met kwalitatief goed bedoel ik dat er een goed besef wordt bijgebracht van allerlei psychologische en theoretische en praktische valkuilen, in de context van een goed overzicht van geschiedenis en systemen. En met niet te smal dat men zich niet beperkt tot wat geografisch en traditioneel binnen de Westerse cultuur past, want we leven in één open wereld waarin alle windstreken van elkaar hebben geleerd en nog zullen (moeten) leren.
Veel van de onderwerpen die in dit overzichtelijke, mooi gecomponeerde en heldere boek aan de orde komen, heeft de auteur ook al in eerdere werken aangestipt of uitvoeriger behandeld. Niettemin heeft dit boek een eigen invalshoek, het 'esoterische christendom'. De auteur werkt volgens zijn vaker beproefde stramien. Hij illustreert een aantal onderwerpen door een combinatie van citaten uit de bronteksten en uit de literatuur erover, licht die toe in een verbindende tekst en besluit met een tamelijk uitvoerig notenapparaat voor degenen die de bronnen zelf willen raadplegen of meer informatie en uitleg willen op een bepaald punt of gebied. Ik ervaar dit boek als zeer geslaagd. Het is niet direct een volledig historisch overzicht, daarvoor is het te kort. Maar wel een zeer illustratieve en mijns inziens voor dit moment tamelijk evenwichtige inleiding. Op de achtergrond speelt natuurlijk de vraag van de verhouding met het 'exoterische' christendom, de instituties die vooral sinds de vierde eeuw van onze jaartelling het beeld van 'het' christendom bepaald hebben. Ook daar weidt de auteur - misschien helaas - niet over uit. Een sociologie van het (esoterische) christendom vinden we hier niet, laat staan een analyse van de verhouding van het esoterische tot het exoterische christendom, of van beide in de context van de (Westerse en wereld-)samenleving. De 'Inleiding tot inleiding' van ruim één pagina is beslist mager en nogal vaag; de keuze van de onderwerpen wordt niet verantwoord. De afzonderlijke hoofdstukken daarentegen zijn voor het grootste deel van uitzonderlijke klasse. De auteur is zo goed thuis in de onderwerpen dat hij hier de mooiste en meest verhelderende citaten presenteert en verbindt door treffende en heldere uitleg, beide in een taal en een tekst die de lezer meenemen van het ene inzicht naar het andere. Daarbij worden ingewikkelde zaken eenvoudig begrijpelijk gemaakt. Terwijl het gaat om systemen, talen en voorstellingen uit de meest uiteenlopende taalgebieden, landstreken en perioden van onze geschiedenis, laat de auteur ons helder de grote eenheid zien van het esoterische christendom.
Uit het notenapparaat blijkt hoe goed de auteur thuis is in de literatuur op deze gebieden, ook de recente Nederlandse. Aan de andere zijde blijft natuurlijk ook veel ongenoemd maar dat kan niet anders. De literatuur, zeker ook die via andere talen beschikbaar komt, is bijna niet meer te overzien. Voor een althans encyclopedisch geslaagde poging tot een nieuw wetenschappelijk overzicht zie nu bijvoorbeeld de Dictionary of Gnosis and Western Esotericism.
Jacob Slavenburg kiest er tot nu toe voor om geen systematische stellingen te betrekken maar historisch betrouwbare informatie te verschaffen die door haar inspiratie voor ons waardevol kan zijn en steeds opnieuw kan worden. In dit boek valt echter wel op dat de eenheid van het esoterische christendom, zoals Slavenburg het hier weergeeft, tot uitdrukking komt in een sterk basisthema. Dat is uiteraard de bewustwording van de mens.
Maar ook de weg die deze hierbij gaat, heeft een basisthema, namelijk de terugkeer tot de eenheid of tot het besef van eenheid. Steeds is het zo dat er sprake is van een tegenstelling of besef van tweeheid, bijvoorbeeld tussen goed en kwaad of tussen man en vrouw. Die tegenstelling of dat besef - een ervaring van lijden - blijkt achteraf een voorwaarde te zijn tot bewustwording, namelijk van een aan de tegenstelling of tweeheid ten grondslag liggende eenheid. Waartoe men uiteindelijk dan ook terugkeert. Zowel in het bewustzijn of besef (dat de eenheid de tweeheid omvat) als in werkelijkheid. De inzichten en de niveaus daarvan komen in dit boek evenwichtig aan de orde. Sterker, ze worden opgeroepen, geëvoceerd. Zonder overdrijving of zonder in het isolement te stappen van 'het knusse godje in zichzelf' (154). De uitdaging die ligt in het leiden van een leven vanuit deze inzichten en ervaringen komt in dit boek niet apart aan de orde maar ligt met dit boek mijns inziens helemaal voor ons. Namelijk de verbinding van de immanente 'God' met de 'God' buiten (aanhalingstekens van mij, BK; de auteur schrijft erover op p. 154) en de vele verbindingen met het leven van alledag, waar het leven geleefd en de 'strijd' gestreden en / of losgelaten wordt.
Ik heb me erover verbaasd dat het basisthema van dit boek zo goed een stelling illustreert die ik eerder formuleerde. Het innerlijke christendom biedt openlijk wat het exoterische christendom en de filosofische hoofdstromen van de westerse maatschappij verdrongen hebben, te weten het besef van de eenheid die in tweeheid uiteenvalt en waarnaar wij terug kunnen keren, onder andere gesymboliseerd in de tweeheid van man en vrouw die tot eenheid komen kan. In dit boek permanent bijvoorbeeld via het symbool van het bruidsvertrek, en vele andere.
Of zoals ik elders formuleerde: “Oosterse denkbeelden, vooral Advaita Vedanta, Mahayana Boeddhisme en Taoïsme, oefenen vooral aantrekkingskracht uit in het Westen omdat zij oog hebben voor en ruimte bieden aan inzichten en praktijken die in het Westen door de filosofische en culturele hoofdstroom naar de marge verdrongen zijn: zoals het cyclische of matriarchale (naast het lineaire of patriarchale) denken, de voorstelling van het niets (naast het zijn) als grondaspect van de werkelijkheid, en de eenheid van tegenstellingen ofwel het niet-dualistische denken (naast de logica van het uitsluiten van een derde mogelijkheid buiten “gelijk” / “niet gelijk”) en daarmee verbonden levenswijzen”. Er is dus zeker ook veel reden om de hier samenhangend in het licht gesteld Westerse esoterische denkbeelden te vergelijken (zowel met die van het exoterische christendom als) met de genoemde Oosterse denkbeelden. Mijns inziens kunnen Oost en West veel van elkaars spiritualiteit (die altijd in ontwikkeling is naar onbekende horizonten in de toekomst!) leren. Zeker als het gaat om de verbinding met het leven van alledag, om de verhouding tussen spiritualiteit en maatschappij en om de manier waarop we tegen denkbeelden, symbolen en theoretische (filosofische en theologische maar ook gnostische en esoterische!) systemen aankijken. Zie bijvoorbeeld de manier waarop de Stichting Oost-West-Filosofie hieraan aandacht besteedt, en diverse pagina's en teksten op mijn site. Ook hoe we taal gebruiken en hoe we de valkuil kunnen vermijden om een nieuw verworven inzicht met de definitieve eindfase te verwarren. Of hoe we tegen de tijd aankijken. Tegen de verhouding van verleden en toekomst met ons unieke, steeds vervlietende maar uiterst reële hier en nu. Dat ons volgens Meester Eckhart en Jacob Boehme - ook in dit boek besproken - altijd met God verbindt, als we niet in de weg staan.
3 februari 2006