Lijst van gelezen teksten met commentaar van Boudewijn Koole 24

Lezen (of juist niet) 24!


Deze pagina bevat een lijst van sinds 2006 gelezen teksten met commentaar

Retour naar overzichtspagina gelezen teksten

Gelezen - sinds 2006-a

Read - since 2006a






Tjeu van den Berk, Het numineuze, Zoetermeer (Meinema) 2005, 300pp.

Magnifieke inleiding op de ervaring van het numineuze, een door de auteur aan Rudolf Otto ontleend begrip, en door de auteur ook omschreven als illuminatie of verlichting. In de eerste hoofdstukken benadert van den Berk deze ervaring vanuit de moderne literatuur en cultuur en geeft een aantal zijns inziens kenmerkende voorbeelden. Deze ervaringen zijn alle buitengewoon aansprekend. Auteurs die aan de orde komen zijn bijvoorbeeld Hella S. Haasse, Harry Mulisch, Godfried Bomans, Cesare Pavese (over de laatste een prachtig hoofdstuk).
Hij gaat dan verder met het zoeken naar een interpretatiekader ervoor. Allereerst geeft de auteur dan de visies weer van de theoloog Rudolf Otto en van de psycholoog Carl Gustav Jung, met daarbij zijn eigen buitengewoon verhelderende commentaar. Over Jung las ik nog niet een tekst die zo helder Jung weergeeft en verheldert vanuit de motieven van Jung in een breder cultureel perspectief. Een nieuwe inleiding in Jungs psychologie in het bestek van twee hoofdstukken (pp. 153-208)! Deze hoofdstukken zijn iets theoretischer maar steeds buitengewoon helder en leesbaar.
Bij de weergave van Jung corrigeert de auteur ook allerlei mogelijke misverstanden en vooroordelen over diens aanpak. In dit verband verwijs ik naar het eerder door mij besproken werk "
Psyche en werkelijkheid: Perspectieven en grenzen van C.G. Jungs visie" van P. van Soest, dat dit uitgebreid en filosofisch onderbouwd doet. Daaruit blijkt enerzijds dezelfde grootheid van Jung die graag tegenstellingen wilde laten rijpen door ze te omvatten en zich te laten ontwikkelen, anderzijds dat hij op sommige punten in theorievorming tekort schoot en wel moest schieten door het enorme bereik van zijn probleemgebieden. Van Soest gaat daarbij nog verder en ontwikkelt ook een visie op hoe sommige van die theoretische problemen wel opgelost zouden kunnen worden, waarbij hij ook Wittgenstein en de boeddhistische filosofie betrekt op een vaak verhelderende en steeds stimulerende manier. In zekere zin komt hij daarbij mijns inziens verder dan Jung, die ook cultuurvergelijking nastreefde maar daarbij toch meer binnen uitsluitend Westerse begripskaders leek te blijven opereren (mijns inziens net als van den Berk).

Van den Berk benadert de numineuze ervaring dus vooral vanuit de moderne tijd en vanuit de moderne Westerse theologische en psychologische traditie. Voordeel daarvan is dat hij ook de moderne vooroordelen - het rationalisme zowel in de wetenschap als in de kerkelijke theologie - tegen deze ervaring behandelt en die laatste ijzersterk verdedigt. Hij laat buitengewoon helder zien dat in de ervaring van het numineuze de werkelijkheid of onderdelen ervan een, voor degene die deze ervaring ondergaat, alles veranderende betekenis krijgen. In hoeverre die betekenis verder reikt dan het moment, en wat die fundamentele verandering inhoudt, is iets waarover Van den Berk weer minder uitweidt, zeker wanneer je daar de vergelijkbare verhalen uit de Oosterse, vooral boeddhistische psychologie naast zet. Wel is duidelijk dat hij de numineuze ervaring zo waardevol en fundamenteel vindt dat zij het waard is dat iedere belemmering ervoor wordt weggenomen, iets waarop hij verderop nog terugkomt.

Ten slotte wijdt van den Berk dan uit over wat hij als kenmerkende eigenschappen van de numineuze ervaring beschouwt: openheid of regressie in positieve zin (1), verbeelding of illusie in positieve zin (2) en volledigheidservaring (3). Een belangrijke constatering is dat het illusionaire karakter van de ervaring - naar traditionele rationele maatstaven gemeten - juist een positieve voorwaarde of karaktertrek is. Iets wat ook in andere boeken van de auteur sterk naar voren komt (en terecht). Ik ben persoonlijk overigens geneigd dit ook werkelijk te noemen, zij het een andere werkelijkheid dan de wetenschappelijke inzover die zich verabsoluteert als het enig ware criterium voor werkelijkheid. Maar van den Berk maakt wel gebruik van filosofische inzichten, zelf is hij geen filosoof maar blijft dicht bij de praktijk van de 'mystagogie' (titel van een eerder boek van de auteur). Waarvan hij hier buitengewoon waardevolle elementen naar voren brengt. Een rijpe vrucht naast en voortkomend uit zijn andere werken (zie behalve diverse andere links in deze bespreking ook mijn bespreking van Het mysterie van de hersenstam) en zijn grote ervaring. Hier integreert hij veel. Zelf heb ik de neiging deze ervaring onder te brengen in een soort filosofie of psychologie van de illuminatie. Voordeel daarvan is de overzichtelijkheid en een duidelijk inzicht in waar je mee bezig bent. Maar op die manier loop je snel uit de pas met de werkelijkheid van de actuele ervaring. Van den Berk lijkt zijn theorie altijd te verweven in een verhaal en verhalen die de bedoeling hebben die ervaring op te wekken, zoals hij schrijft. Dat houdt dus enerzijds in dat hij sterk op de ervaring gericht blijft, wat mij een voordeel lijkt. Aan de andere kant ervaar ik zijn verhalen ook soms als een excursie van de ervaring vandaan, omdat ook hij er niet aan ontkomt toelichtingen, theorieën, illustraties enzovoort te geven van dat waar hij op uit is. Dat levert de kans op van de grote ervaring en het grote inzicht van de auteur kennis te nemen maar leidt ook tot de vele woorden waarop de auteur op p. 299 terloops de aandacht vestigt. Voor degenen die op inzicht uit zijn, zal dit geen grote hinder zijn, integendeel een welkome meiregen. Maar is inzicht gelijk aan een numineuze ervaring? Nee dus (tenzij je dat er in herkent, dan valt het samen!). En er valt dus nog meer te doen … of te laten.

Hoewel dat sterk voor de hand zou liggen, behandelt hij hier niet de - mijns inziens uiterst sterke - overeenkomsten met wat de zogenaamde oosterse culturen, religies, psychologieën en filosofieën over dezelfde ervaringen zeggen. Bijvoorbeeld de boeddhistische psychologie, of die van de Advaita Vedanta, kan hier goed naast gelegd worden. Dan zouden wel allerlei diepergaande problemen aan de orde moeten komen, en die kunnen best subtiel zijn. Zoals de verschillende grondhoudingen die in het Oosten en het Westen aangenomen lijken te worden ten opzichte van het omgaan met begripsmatige en ervaringsmatige tegenstellingen. De kwestie van het niet-dualistisch omgaan met begrippen en ervaringen dus. Daarbij gaat men uit van de dimensie van bovengenoemde derde eigenschap, de volledigheid die alle tegenstellingen omvat, en die ook in het Westen haar belangrijke rol speelt zoals bij Jung waar de auteur ook even op ingaat. Men probeert dan niet om die dimensie in een kader onder te brengen. Maar alleen uitspraken te doen die met de betrekkelijkheid van alle kaders - gezien, gevoeld, ervaren vanuit die dimensie - rekening te houden. Ja dit boek raakt aan veel fundamentele zaken, en is daar evenwichtig op ingegaan. Zij het enkel vanuit onze Westerse context. En dat gebeurt grandioos, zij het dat een aantal verder voerende filosofische en theologische problemen wel evenwichtig aangeraakt worden maar niet uitgewerkt. Speciaal de verhouding tussen de noodzaak om af te wachten en die om de goede voorwaarden te scheppen - dus tussen een vorm van passiviteit en een van activiteit - komt regelmatig aan de orde, tussen de regels door of expliciet. Maar zij vindt nog niet echt een bevredigende 'oplossing' naar mijn gevoel. Misschien vind ik dat zo omdat de auteur wel veel brokstukken levert voor een theorie uit één stuk maar het daarbij laat, om de eerder genoemde reden die in zijn verhalende of evocerende aanpak ligt. Ik blijf die samenhangende heldere theorie kennelijk missen.
Het levert wel prachtige bladzijden op. Bijvoorbeeld waar van den Berk de huidige Nederlandse auteur en essayist Willem-Jan Otten citeert die in enkele voordrachten en publicaties heeft uitgelegd welke ervaringen hem - na een intensieve worsteling - geleid hebben tot zijn bekering tot het katholicisme.
Dit werk getuigt van de grote eruditie van de auteur, van zijn rijpe vertel- en uitlegkunst, en biedt het ene waardevolle inzicht na het andere. In de slotzinnen van de epiloog constateert de auteur dat hij voor iets dat toch niet in woorden uit te drukken valt, wel erg veel woorden gebruikt. Dat geeft inderdaad te denken. In de Zentraditie is het woord helemaal niet allesoverheersend maar kan verlichting even goed uit gedrag blijken als uit een verlichte uitspraak. Toch gaat van den Berk ver in het relativeren van Westerse verabsoluteringen, alleen noemt hij ze niet zo. Dat leggen anderen dan nog eens uit, hoop ik.

Helaas heeft het boek geen register van (auteurs-)namen en behandelde begrippen. Ook verder zijn er wellicht details waarop aanmerkingen gemaakt kunnen worden. Zo citeert de auteur op blz. 158 Jungs uitleg van het religiebegrip (en met krachtige instemming nog een keer op p. 178) waaruit blijkt dat deze het terecht afleidt van het Latijnse religere en de kernbetekenis daarvan: 'zorgvuldig en gewetensvol aanschouwen', zeg maar: zorgvuldige aandacht. Dus niet het Latijnse religare dat terugbinden betekent en dat door de kerkvaders werd gebruikt om het christendom te rechtvaardigen. Namelijk als de godsdienst die terecht de mensen zou terugbinden aan hun oorsprong, wat vooral neerkwam op een verplichting betekent en oplegt: terugbinding in de orde van kerk en maatschappij. Want die oorsprong was de God die door de kerkvaders en de kerkelijke ordening gerepresenteerd werd en waaraan zij de mensen graag zagen gehoorzamen. De oudste kern van het religiebegrip is dus 'aandacht' en niet 'gehoorzame terugbinding aan de oorsprong'. Dit wordt behandeld in bijvoorbeeld E. Benveniste, Indo-European Language and Society (vertaald uit het Frans), Coral Gables (University of Miamiing gerepresenteerd werd waaraan zij de mensen graag z Press) 1973. Maar als Van den Berk dan zelf zijn visie op religie geeft (pp. 274vv.) verdwijnt deze heldere uitleg als 'aandacht' uit het gezicht. De aanpassing aan 'iets' Geheel Anders buiten de mens lijkt dan voorop te staan ook al zegt hij nog zo duidelijk dat het om iets gaat waar de mens al mee verbonden is. Naar de vorm is de numineuze ervaring dan wel illusionair (in positieve zin) en zuiver menselijk. Maar naar de inhoud lijkt zij nog steeds erg op de Godservaring van de traditionele christelijke kerken, die vooral gekenmerkt wordt door het uitgaan uit en relativeren van de menselijke ervaring. Ik zou zelf graag zoeken naar een ervaring die midden in het leven blijft staan, en het gewone anders ziet.
Mijns inziens kun je dit alleen omschrijven als een vorm van je bewust worden van iets dat er altijd al is maar dat de meeste mensen meestal niet 'zien' (ervaren, zich bewust zijn). Het gaat immers, zegt ook de auteur in navolging van Jung, om 'anders' zien. Dit sluit ook aan bij de gedachte dat alles - iedere ervaring, en niet alleen een speciale 'hogere' of 'geestelijke' ervaring - numineus kan blijken voor een mens. Ik noem dit omdat het ook in het Chinese en Japanse boeddhisme speelt: doe je het zelf of wordt het je aangedaan, die verlichtende daad of ervaring? En nog sterker, bijvoorbeeld bij iemand als de Japanse Zenauteur Dogen Kigen (12e eeuw): in de verlichtingservaring is alle tijd, verleden en heden en toekomst, opgenomen. En als ergens iemand verlicht wordt, wordt op dat moment de hele kosmos verlicht.
Of is dit uitlegprobleem meer een spel van woorden dan een echt probleem? Het is ook van belang omdat Van den Berk suggereert dat er een methode zou kunnen zijn om naar die ervaring toe te werken. Het lijkt mij van belang op te merken dat dat nooit een automatisme kan zijn, dus een methode in de zin van de moderne experimentele natuurwetenschappen, maar altijd een 'ruimte maken (of laten!) voor'. Wat opnieuw neerkomt op aandacht (geven en … loslaten). Zoals de auteur overigens ook fijn het onderscheid tussen concentratie en meditatie aangeeft.
Kortom, nog vragen en gesprekspunten te over. Maar dat geeft wel aan hoe vruchtbaar de thematiek is die hier aangesneden is door de auteur. De voorstelling dat de numineuze ervaring of verlichtingservaring een geslaagd 'huwelijk' impliceert van ratio en onbewuste (en andere paren tegenstellingen die hier een rol spelen) acht ik bij voorbeeld uiterst waardevol. Als zodanig komt dit 'huwelijk' al voor in het oudste christendom, en in de voorlopers daarvan, maar ook uitgebreid bij bijvoorbeeld Jacob Boehme, bij Mozart en bij Jung die zijn laatste grote werk daarover Mysterium Coniunctionis noemde. En die voorstelling lijkt mij tevens een vruchtbare basis voor alweer een dialoog met vergelijkbare aspecten van de Oosterse ervaring, speciaal met betrekking tot het hierboven al genoemde non-dualisme.

De door de auteur kwijtgeraakte referentie van het gedicht op de voorlaatste pagina zal die zijn naar het gedicht 'Woorden' van Jacqueline van der Waals, vertaald en herdicht naar het gedicht 'Ich fürchte mich so vor der Menschen Wort' van de jonge Rainer Maria Rilke. Ik zou overigens ook graag weten waar het intrigerende citaat van Wittgenstein dat het motto van de epiloog vormt, precies vandaan komt.
Kortom, dit is een in vele opzichten aanstekelijk boek van Tjeu van den Berk. Althans voor geïnteresseerden in een waardevolle (Westerse) visie op spirituele ervaringen in de (Westerse) wereld. Misschien dat het met wat meer voorbeelden uit andere taalgebieden - ter vervanging van te uitsluitend Nederlandse? - een interessante uitgave voor het Engelse taalgebied is. De taal is zo helder dat het vertaalwerk goed te doen moet zijn.
4 januari 2006

David Servan-Schreiber, Uw BREIN als MEDICIJN: Zelf stress, angst en depressie overwinnen, [vertaling uit het Frans, ]Utrecht / Antwerpen (Kosmos-Z&K) 2005-8e druk (2003-1e), 285 pp.

Zoals dat wel vaker het geval is met de belangrijkste maar simpelste inzichten, vergeten we ze het snelst omdat we er overheen kijken.. Dat zou je ook bijna met dit boek doen, als je het gelezen hebt. Zo vanzelfsprekend komt de inhoud over. Het pijnlijke is dat we de vanzelfsprekendheid ervan misschien wel gemakkelijk inzien op het moment dat we dit boek lezen maar dat dit boek ondertussen wel de vinger legt op een hele zere plek. Namelijk dat onze maatschappij - dus wijzelf - nu juist zo is geworden dat zij aan deze eenvoudige maar fundamentele inzichten en de erbij behorende gedragspatronen voorbijgaat. Die opvattingen zijn onder andere dat we horen te passen in het maatschappelijke systeem van automatisering. Dat we alles horen af te meten naar hoeveel we kunnen produceren en hoeveel we kunnen consumeren, en dat we onze zorg voor ons geestelijke en lichamelijke welbevinden horen te verschuiven naar zogeheten vrijetijdsactiviteiten. Tijd is geld, en dat soort credo's, worden dan overheersend. Emoties komen dan op de tweede of zelfs laatste plaats.
Dit boek is geschreven voor mensen die last hebben gekregen van stress, die angstig zijn geworden, die depressief zijn geraakt. En het biedt precies een aantal methoden waarvan bewezen is dat zij die vervelende 'on-balansen' voorkomen en zelfs opheffen. Even goed of beter dan het gebruik van antidepressiva als Prozac, Lithium, Zyprexa en andere (die niet alleen vervelende bijwerkingen kunnen hebben maar pas goed werken samen met andere therapieën zoals de methoden waarover dit boekje gaat en die los daarvan vaak weinig verbetering brengen; gelukkig geneest de natuur zich zelf vaak). Voor een deel zelfs heel simpele methoden die u gewoon zelf kunt uitvoeren. Er zit daarbij wel een klein addertje onder het gras (waarop ik nog terugkom). Maar deze stelling van de auteur maakt hij zonder meer waar.
De methoden gaan eenvoudig over fundamentele zaken als voeding, lichaamsbeweging, ons hartslagritme natuurlijk houden en ons dag- en nachtritme te bewaken (door een goede overgang te maken). Maar even eenvoudig over niet minder fundamentele zaken als ons innerlijk emotioneel onder controle houden (beschermen, voeden en ruimte geven). Zelfs onze emotionele trauma's helpen oplossen, en ons verbinden met een ruimere kring dan onze directe familie, zodat we zin aan ons leven geven en die emotioneel ervaren. Ik weid hier verder niet over de methoden uit. De auteur beschrijft die helder en aanstekelijk in de verschillende hoofdstukjes van dit buitengewoon leesbare boek. Aan het eind van het boek noemt hij de wetenschappelijke onderzoeken die inderdaad het grote effect bewijzen van de genoemde methoden hebben. En toch gaat het in dit boek over de zaken die fundamenteel zijn in iedere vorm van menselijke zorg en communicatie, ieder ziet meteen dat het hier om basisinzichten gaat die iedereen eigenlijk moet hanteren. Of dat nu in het gezin is, in de medische zorg of de ouderenzorg, in bedrijven, in lokale gemeenschappen of andere sociale verbanden, of gewoon op straat. En anders is het handig om die zaken door dit boek te leren kennen. Of onze kennis ervan op te frissen.
Ik weersta de verleiding om nog meer aan te halen uit het boek, en wijs alleen nog op de samenvatting in hoofdstukje 15. Het boek leest buitengewoon gemakkelijk en plezierig. Nu alleen nog even doen.
In dat laatste zit hem natuurlijk de crux. Er zijn toch in ieder leven wel conflicten, innerlijke en uiterlijke, die stress veroorzaken, voor het eerst of opnieuw trauma's maken of oprakelen, minder goed te genezen ziektes en zelfs de algemene lichamelijke en geestelijke neergang van het ouder worden. De methoden in dit boek garanderen geen onsterfelijkheid of geluk. Maar zij bieden voor elke situatie en elke leeftijd handvaten die buitengewoon goed kunnen helpen om stress, angsten en depressies te voorkomen of beter te kunnen verdragen, zo niet te genezen. Dat is de grote waarde van het betoog van dit boek.
Ook vind ik het leuk om te vermelden dat de auteur assertiviteit omschrijft als 'geweldloze emotionele communicatie'. Hij legt duidelijk uit wat hij daar mee bedoelt. Namelijk communicatie waarin aandacht wordt gegeven aan de wederzijdse emoties, waarin die erkend en gedeeld worden, een intensief proces dat tegelijkertijd niet aan pijn voorbij ziet en toch geweldloos is, weldadig, helend.
Een bezwaar tegen het betoog van dit boek zou kunnen zijn (het genoemde addertje onder het gras) dat het moeilijkste nu net is om niet mee te doen in de “rat-race” die deze maatschappij vaak is. Pas als je daar innerlijk en ook voldoende uiterlijk afstand van weet te nemen, kun je je het veroorloven om ook in die stressende maatschappij allereerst op je eigen welbevinden en de daarvoor benodigde evenwichten te letten. Iets om thuis en op school al mee te beginnen dus, het is gelukkig het natuurlijkste dat ieder mens wil en dat bij ieder mens past en waarvoor zij of hij zich nooit hoeft te schamen. Het zal blijken dat je bijna overal kansen vindt en gelegenheid om de genoemde methoden - behalve enkele waar wat meer hulpmiddelen voor nodig zijn - uit te voeren op een ontspannen althans ontspannende wijze. Zeker ook je manier van communiceren. Gewoon beginnen met de methode die bij je past zal al voldoende doorwerken in een resultaat dat je van te voren niet had kunnen dromen. Maar er kan dus wel wat moed voor nodig zijn! Om het simpel en dichbij onze emoties te houden en daarbij te blijven. De auteur maakt voortdurend praktisch nuttige opmerkingen waar je bijna overheen zou lezen, zo voor de hand liggend zijn ze en zo vaak vergeten we ze.
Sympathiek, aan te bevelen.
5 januari 2006

Jacob Slavenburg, Van Ankh tot Hermes: Met een voorwoord van Paul Kluwer, Deventer (Ankh-Hermes) 2005, 95pp.

Ieder kind en iedere volwassene heeft besef van de oorsprong waaruit zij of hij is voortgekomen, zelfs al is het in de vorm van een verdrongen complex, verstopt onder de ruïnes van wat een harmonieus leven had moeten worden. Ook de niet-menselijke werkelijkheid in de verste staat van entropie of grootste mate van wanorde heeft nog een kans op herleven van een samenhang die meer is dan de som der delen. In optimale vorm zijn dit besef en deze samenhang een bewustzijn van eenheid met alles, met de Oorsprong zelf die niet omschreven kan worden maar die zichtbaar wordt in alles en: door Welke alles bestaat en verandert. En dat zich tevens toont in goedheid, in licht en liefde, in een weldadige straling van creatieve krachten en inzicht, van bewuste groei en verandering met de hele kosmos mee. In dit heel toegankelijk geschreven en aantrekkelijk geïllustreerde 300ste 'Ankertje' van uitgeverij Ankh-Hermes laat de auteur Jacob Slavenburg zien dat het Westen in de Hermetica - een verzameling geschriften die een bepaald inzicht vertegenwoordigen in de transformatie van mensen zoals zij optimaal bedoeld zijn - een traditie bezit die “qua mystieke wijsheid en diepgang zonder meer te vergelijken is met … de Upanishads uit India, de Dhammapada van Boeddha, de Tao Te Tjing van de Chinese mysticus Lao Tse en de wijsheidsleringen van Jezus van Nazareth.” (39)
De Egyptische herkomst van die traditie - via de Griekse mysterie cultussen, het hellenistische hermetisme en de christelijke gnostiek en Hermetica - illustreert de auteur aan een aantal kernachtige hoofdstukjes. Over de betekenis van het ankh-symbool, het symbool van het leven. En van het Leven waaraan wij kunnen deelhebben als ons bewustzijn ervan groeit. Zoals Paul Kluwer in zijn voorwoord schrijft: "Dit heilige Ankh-teken siert de boeken van uitgeverij Ankh-Hermes. Het wil aanduiden dat in deze boeken in een bont palet gezocht wordt naar bewustwording van wat het Leven is. Gezondheid en psychologisch inzicht ... zijn voorwaarden voor het spirituele pad. Dit pad kan op vele manieren ervaren worden: bestudering van (oude) wijsheidsboeken, ...." (7-8) Andere hoofdstukjes gaan over de Egyptische Thot, de grote mensenvriend en mensenbegeleider in dit leven en in het hiernamaals, tevens schenker van het schrift. Over Hermes, de boodschapper van de goden, de Griekse god van de handel en van de dieven die in de Hermetica ook de personificatie van Thot is, met deze samensmelt tot één goddelijke wijsheidsleraar. Ook een hoofdstukje over Asklepios en de samenhang van de geneeskunst van de oudheid met genezing door bewustwording in 'droomscholen', een traditie die in de Hermetica is opgenomen. Natuurlijk ook over de opleving van de Hermetica in de middeleeuwen, met verwijzingen naar de uitlopers ervan tot nu toe, van Paracelsus tot de rozenkruisers en hun uiteenlopende verwanten in de moderne tijd. Slavenburg laat ook goed zien dat vanouds een sterke samenhang bestond met de visie op de natuur en de kosmos, geheel anders dan de 'modern-wetenschappelijke' die de 'magische' kanten van de kosmos en van ons handelen negeert. Voor de hermetici zijn natuur en kosmos levend, want God, mens en kosmos zijn verwant. Daarom gingen geneeskunde, alchemie en magie hand in hand met spirituele bewustwording - en omgekeerd. De kernvisie op God, mens en kosmos van de hermetici komt in deze weinige bladzijden heel helder naar voren. Toch ligt daarop - als intellectuele uitleg - niet de grootste nadruk.
Zoals de auteur enkele malen met nadruk stelt: “De hermetische weg is een ervaringsweg. Intellectueel is het allemaal wel te begrijpen maar dat is slechts één laag. … Hoe dieper de ervaring, hoe groter het verstaan.”(53) Het leven is een kans op bewustwording, dat wil zeggen op verstaan van de werkelijkheid, dat wil zeggen op eenwording met de Oorsprong, met een woord genoemd: God. Uit de eenheid zijn wij in een altijd pijnlijke tweeheid (verschillen en onderscheiden) terechtgekomen en ons leven is de kans op terugkeer naar eenheid, zij het door soms pijnlijke groei van ons bewustzijn en van een aanpassing van ons leven daaraan. Die pijn heeft te maken met ervaring. Ervaring heeft altijd iets van tweeheid, door pijn (speciaal van het leren kennen van onszelf - zie onder) kunnen we ons van onze oorsprong en de weg terug erheen bewust worden en die weg vervolgens gaan. “We zijn ooit uit het paradijs gezet om het paradijs te leren kennen.” (75) De hermetische traditie is volgens de auteur niets anders dan een gestage klop op de deur voor degenen die eraan toe zijn om te horen wat gehoord kan en moet worden, willen zij dat hoge doel bereiken. En om hulp te vinden bij het gaan van die weg. De auteur wijst op de sterke parallel met de niet-tweeheidsgedachten in de Advaita Vedanta, A-dvaita betekent trouwens letterlijk niet-tweeheid. Tegenwoordig wordt de verwantschap tussen Oosterse en Westerse tradities van niet-dualisme of non-dualisme wel vaker opgemerkt en bestudeerd. Wij kunnen daar wellicht van leren, zoals ik
elders heb betoogd.
Hoewel dit boekje dus best in kort bestek heel veel glashelder uitlegt, is het niet die uitleg zelf (of beter: uitsluitend) waar het om gaat. Evenals in zijn andere boeken slaagt de auteur er ook hier in zijn uitleg te illustreren met voorbeeldige citaten. Citaten die in de getoonde samenhang niet alleen veel licht werpen op de beschreven zaken maar hier vooral een direct beroep op de lezeres en lezer doen. Het gaat immers om ervaring en om een wekroep tot bewustwording en tot het gaan van een weg.
De auteur weet natuurlijk heel goed - zoals blijkt uit andere publicaties van zijn hand - dat niet alleen de hermetische weg de eenheidservaring met de Oorsprong op kan leveren. Want een kern van het betoog is juist dat alles uit de Bron vandaan komt en ermee verbonden is, zelfs datgene en diegenen die zich ervan aan het verwijderen zijn. En zeker is veel van datgene wat op het eerste gezicht misschien in andere tradities staat dan de hermetische, voor degene die werkelijk ziet met een geopend oog ook een opstap of verwijzing naar de Bron. We moeten de vinger die naar de maan verwijst niet met de maan verwarren. Ook al zegt de auteur terecht dat er geen instant-verlichting is en dat de verlichting geen truc is (ik neem aan in de zin dat je er zelf niets voor zou hoeven te doen), ik meen dat je wel kunt zeggen dat elk deel van de weg (ook) 'deel' uitmaakt van de verlichting. Verlichting gezien als besef van eenheid met de Bron. Maar ondertussen is ook de vinger die Hermetica heet, in onze Westerse cultuur natuurlijk geen onbelangrijke als je deze maan wilt leren zien.
Trouwens, een ander belangrijk element in de prachtige citaten in dit boekje maken duidelijk dat ook als je inzicht gegroeid is, misschien zelfs tot het hoogste punt, dat het leven daarmee niet ophoudt. “De harmonie tussen lichaam en ziel, die tezamen het menszijn uitmaken, wordt alleen maar bereikt, als de mens vroomheid aan goedheid paart.” (78) De verlossing vindt plaats als de menselijke ziel “de goede strijd er godzaligen gestreden heeft - dat is God kennen en geen mens leed doen …”. (85)
Ik noem eerst nog even twee kleine puntjes van detailkritiek. Wanneer de verhouding van het mannelijke en vrouwelijke aan de orde komt (52-54) verwijst de auteur naar veel klassieke wijsgeren volgens wie uit die twee (kosmische en spirituele) krachtvelden, God-de-Vader en Godin-de-Moeder, de Logos voortkomt (54). Maar is het niet geraden om hier ook Sophia (de Wijsheid zelf!) te noemen, die als vrouwe van God of als echtgenoot van de god Mens een even belangrijke rol vervult als de toch vaak eenzijdig rationele Logos? Tenzij je al deze figuren natuurlijk als samensmeltingen van beide polen uitlegt!
Van Poimandres, de hoofdfiguur van het gelijknamige eerste tractaat van het Corpus Hermeticum, zegt de auteur dat deze “staat voor Geest. Letterlijk: gnosis van God.” (60) [Latere toevoeging: De herkomst van de naam wordt nu algemeen als Egyptisch beschouwd, niet te vertalen met "Herdersman"of "Mensenherder", maar te beschouwen als fonetische vergrieksing van de Egyptische woorden voor 'de kennis van Re (dat is: van de zonnegod)'', wat er op neerkomt dat Hermes zijn kennis niet van zichzelf heeft maar dat deze hem door de hoogste God geopenbaard is. Vgl. R. van den Broek in Hermes Trismegistos, p. 11.]
In de laatste twintig bladzijden behandelt Slavenburg ten slotte aan de hand van de mooiste citaten de groei van de ziel. Eerder signaleerde hij al dat, als je door het werken aan jezelf bewust wordt van wie je bent, je in een toestand komt waarin je niet meer aan jezelf lijdt. (74) Let op: niet alle pijn wordt weggenomen, maar althans die pijn die je zelf mentaal veroorzaakte. Uiteindelijk bereikt de ingewijde Tat, de leerling van Hermes, het bewustzijn van de laatste, namelijk dat hij een is met bewustzijn, dat hij bewustzijn is. “Wie zichzelf kent, kent het Al. … Dat is het meest volmaakte dat bestaat.” (89) “Er is niets waar God niet woont.” (92) Daarvoor is leren “luisteren” naar de stemmen in en om ons, niet alleen met woorden maar ook in alle andere energievormen, volgens Hermes de eerste grote voorwaarde. “Hou je aan de levenswet!” (93) Hoe vaker ik daarover nadenk, hoe meer ik tot de slotsom kom dat dit woorden zijn waar wij versplinterde (Westerse) wereldbewoners van de twintigste en nu eenentwintigste eeuw grote behoefte aan hebben. Waar is ons besef van harmonie gebleven, van verwantschap van alle mensen en het universum? De hermetische weg vormt op dit punt toch minstens een belangrijke uitdaging.
Nogmaals, dat is niet alleen een zaak van woorden of van inzicht. Zoals de auteur aan het begin zegt: “(Gesproken) woorden kunnen ook dualiteit brengen.” (10) Dus misleiding in plaats van eenheid met de Bron. Net als geschreven woorden die er ooit kwamen om het gesproken woord uit te leggen of te ondersteunen. We zijn er niet met woorden alleen, zoals impliciet en expliciet in dit boekje duidelijk wordt gemaakt. We kunnen ieder moment beginnen met luisteren naar de stem van onze eigen ervaring, van onze verwantschap met de Bron. Met 'God' zoals deze in de hermetische geschriften heet. En naar de stemmen van alle wezens en dingen in onze omgeving, dat maakt dit sympathieke Ankertje meer dan duidelijk. Volgens een traditie die ook in onze eigen Westerse voorgeschiedenis, net als in die van alle culturen, haar lessen en aansporingen - dank zij het werk van lerar(ess)en en leerlingen en hun helpers en steunpilaren - heeft achtergelaten voor volgende generaties. Een leeswaardige mijlpaal en behartenswaardige aanwijzing!
10 januari 2006

Hein Stufkens, HET ZEVENVOUDIGE PAD VAN FRANCISCUS VAN ASSISI, Tweede druk, Deventer (Ankh-Hermes) 2001, 151pp.
DE GESCHRIFTEN VAN FRANCISCUS VAN ASSISI, Haarlem (Gottmer) 1987-4e druk, 240pp.
Wie een boeiende inleiding zoekt in de persoon en het werk van Franciscus van Assisi kan zich een groot plezier doen met het boek van Hein Stufkens. Stufkens heeft de idealen van Franciscus, zijn levensweg en optreden, helder samengevat en vertaald naar onze tijd. Daarbij maakt hij gebruik van de teksten van Franciscus en vrijwel alle oude bronnen in de vorm van levensbeschrijvingen, verhalenbundels en dergelijke, en ook nog heel wat boeken over Franciscus uit onze tijd. Daar rijst een boeiend beeld uit op, en Stufkens laat ook goed zien waar onze verwantschap met zijn idealen stuit op de vreemde verschillen tussen onze tijd en die van de Middeleeuwen waarin Franciscus opgroeide en leefde. Zoals de kadaverdiscipline, de asketische afwijzing van het lichaam en meer. De enorme bekendheid van Stufkens met het religieuze denken in en buiten het traditionele christendom, zowel in mystiek als in oosterse religies, het New-Agedenken en andere moderne spirituele stromingen, leidt er daarbij toe dat hij goed de dilemma's en de overeenkomsten uit kan leggen die zo op ons af komen. Hij maakt duidelijk dat die vreemde zaken begrepen moeten worden in hun eigen context. Een spiritualiteit die in opkomst was in een omgeving waar onthechtheid ten opzichte van het leven bepaald niet voorop stond. Waar de pausen, de toenmalige leiders van de christelijke kerk, het op het punt van verraad aan haar spirituele traditie ook nog niet voor iedereen overduidelijk verbruid hadden. En dat die vreemde zaken dan vaak heel menselijk zijn. Althans dat zouden wij nu kunnen vinden, hoe dat in die tijd beleefd werd wordt door Stufkens niet uitgewerkt (wie daarover meer wil lezen, is wellicht zeer gebaat bij het boek van de Franse historicus Jacques Le Goff over Franciscus, in het Engels vertaald als Saint Francis of Assisi, Oxford (Routledge) 2003 - ISBN 0415284732; recent is ook een Duitse vertaling verschenen: Franz von Assisi, Stuttgart (Klett-Cotta) 2006). Een sterk punt vind ik zijn nadruk op het mededogen, speciaal het boeddhistische denken daarover en praktiseren ervan. Dat biedt net iets meer ruimte dan de gangbare of traditionele christelijke categorieën van goed en kwaad - en de fundering daarvan - om in onszelf en de natuur de verwantschap te zien met het goddelijke, ofwel de verbondenheid van alles met elkaar. Ook laat Stufkens goed zien dat de weg van Franciscus volgen niet betekent dat alle beperkingen van ons individuele of collectieve menselijke leven bij voorbaat zijn verdwenen. Het valt op hoe zwaar het leven op sommige momenten is - maar ook hoeveel diepe vreugde er niettemin mogelijk is.
Het zevenvoudig pad dat Stufkens zo in Franciscus' boodschap vindt, vat hij in de volgende woorden samen:

1
Ik buig in liefde en dankbaarheid voor het mysterie
En ik open mijn hart vol mededogen voor al wat leeft.
2
Ik zie alle schepselen als mijn broeders en zusters
En ik draag ze zoals ik zelf gedragen zou willen worden.
3
In overgave vind ik vrede en ongewapend ga ik de weg.
Vrede wens ik vriend en vijand.
4
Niets en niemand eigen ik mij toe;
Ik leef eenvoudig en alles wordt mij geschonken.
5
Ieders dienaar ben ik, niemands slaaf;
Zo geef ik gehoor aan mijn roeping.
6
Belangeloos ga ik om met de mensen,
In ieder groet ik het licht.
7
In vreugde leef ik dit leven,
Om mijn lippen zomaar een glimlach.
Achterin vindt de lezer ook een overzicht van jaartallen en een groot aantal noten met waardevolle verwijzingen naar de literatuur van en over Franciscus. Evenals een pagina met adressen en telefoonnummers van belangrijke instanties, tijdschriften, wandel- en reisorganisaties en dergelijke, zowel in Nederland als in Vlaanderen.

DE GESCHRIFTEN VAN FRANCISCUS VAN ASSISI bevat een uitvoerige goede inleiding op en een prachtige uitgave van alle teksten van Franciscus met waardevolle uitleg waar nodig. Aan het eind vind je een woordenlijst (met de uitleg van enkele begrippen), een naam- en zaakregister, en een register van teksten uit de bijbel.
3 februari 2006

Jacob Slavenburg, Inleiding tot het esoterisch christendom: een verborgen geschiedenis, met noten en register, Deventer (Ankh-Hermes) 2005, 179pp.

Een opmerkelijk gegeven in dit boek wordt gevormd door bladzijde 155. Onder de kop 'Info' wordt vermeld dat er over het esoterische christendom cursussen gegeven worden op de Hogeschool en Instituut voor Geesteswetenschappen (
www.geesteswetenschappen.nl ), afdeling van de Hogeschool van Utrecht, een HBO-opleiding. Op deze afdeling worden sinds september 2005 opleidingen in de westerse esoterie aangeboden. Zowel in bepaalde praktische beroepen als in de theorie en de geschiedenis van de bijbehorende vakken. Op het moment van schrijven van deze bespreking worden ook diverse lezingenseries aangeboden van auteurs die onder andere bekend zijn uit bijvoorbeeld het lezingencircuit van uitgeverij Ankh-Hermes (Deventer) en het Jungiaans Instituut (Nijmegen). De renaissance van de esoterie en van de ontmoeting van spirituele stromingen en godsdiensten die in het Westen vooral de laatste vijf decennia in een stroomversnelling is gekomen, zou daarmee ook op het terrein van het reguliere onderwijs een bredere erkenning en inbedding vinden. Iemand die kennis en praktijkopleiding zoekt op deze gebieden, kan nu 'gewoon' terecht op een HBO-opleiding.
Een grote kans, en een grote verantwoordelijkheid om te zorgen voor een kwalitatief goed en voor een niet te smal aanbod, stel ik me voor. Met kwalitatief goed bedoel ik dat er een goed besef wordt bijgebracht van allerlei psychologische en theoretische en praktische valkuilen, in de context van een goed overzicht van geschiedenis en systemen. En met niet te smal dat men zich niet beperkt tot wat geografisch en traditioneel binnen de Westerse cultuur past, want we leven in één open wereld waarin alle windstreken van elkaar hebben geleerd en nog zullen (moeten) leren.

Veel van de onderwerpen die in dit overzichtelijke, mooi gecomponeerde en heldere boek aan de orde komen, heeft de auteur ook al in eerdere werken aangestipt of uitvoeriger behandeld. Niettemin heeft dit boek een eigen invalshoek, het 'esoterische christendom'. De auteur werkt volgens zijn vaker beproefde stramien. Hij illustreert een aantal onderwerpen door een combinatie van citaten uit de bronteksten en uit de literatuur erover, licht die toe in een verbindende tekst en besluit met een tamelijk uitvoerig notenapparaat voor degenen die de bronnen zelf willen raadplegen of meer informatie en uitleg willen op een bepaald punt of gebied. Ik ervaar dit boek als zeer geslaagd. Het is niet direct een volledig historisch overzicht, daarvoor is het te kort. Maar wel een zeer illustratieve en mijns inziens voor dit moment tamelijk evenwichtige inleiding. Op de achtergrond speelt natuurlijk de vraag van de verhouding met het 'exoterische' christendom, de instituties die vooral sinds de vierde eeuw van onze jaartelling het beeld van 'het' christendom bepaald hebben. Ook daar weidt de auteur - misschien helaas - niet over uit. Een sociologie van het (esoterische) christendom vinden we hier niet, laat staan een analyse van de verhouding van het esoterische tot het exoterische christendom, of van beide in de context van de (Westerse en wereld-)samenleving. De 'Inleiding tot inleiding' van ruim één pagina is beslist mager en nogal vaag; de keuze van de onderwerpen wordt niet verantwoord. De afzonderlijke hoofdstukken daarentegen zijn voor het grootste deel van uitzonderlijke klasse. De auteur is zo goed thuis in de onderwerpen dat hij hier de mooiste en meest verhelderende citaten presenteert en verbindt door treffende en heldere uitleg, beide in een taal en een tekst die de lezer meenemen van het ene inzicht naar het andere. Daarbij worden ingewikkelde zaken eenvoudig begrijpelijk gemaakt. Terwijl het gaat om systemen, talen en voorstellingen uit de meest uiteenlopende taalgebieden, landstreken en perioden van onze geschiedenis, laat de auteur ons helder de grote eenheid zien van het esoterische christendom.
Uit het notenapparaat blijkt hoe goed de auteur thuis is in de literatuur op deze gebieden, ook de recente Nederlandse. Aan de andere zijde blijft natuurlijk ook veel ongenoemd maar dat kan niet anders. De literatuur, zeker ook die via andere talen beschikbaar komt, is bijna niet meer te overzien. Voor een althans encyclopedisch geslaagde poging tot een nieuw wetenschappelijk overzicht zie nu bijvoorbeeld de Dictionary of Gnosis and Western Esotericism.
Jacob Slavenburg kiest er tot nu toe voor om geen systematische stellingen te betrekken maar historisch betrouwbare informatie te verschaffen die door haar inspiratie voor ons waardevol kan zijn en steeds opnieuw kan worden. In dit boek valt echter wel op dat de eenheid van het esoterische christendom, zoals Slavenburg het hier weergeeft, tot uitdrukking komt in een sterk basisthema. Dat is uiteraard de bewustwording van de mens.
Maar ook de weg die deze hierbij gaat, heeft een basisthema, namelijk de terugkeer tot de eenheid of tot het besef van eenheid. Steeds is het zo dat er sprake is van een tegenstelling of besef van tweeheid, bijvoorbeeld tussen goed en kwaad of tussen man en vrouw. Die tegenstelling of dat besef - een ervaring van lijden - blijkt achteraf een voorwaarde te zijn tot bewustwording, namelijk van een aan de tegenstelling of tweeheid ten grondslag liggende eenheid. Waartoe men uiteindelijk dan ook terugkeert. Zowel in het bewustzijn of besef (dat de eenheid de tweeheid omvat) als in werkelijkheid. De inzichten en de niveaus daarvan komen in dit boek evenwichtig aan de orde. Sterker, ze worden opgeroepen, geëvoceerd. Zonder overdrijving of zonder in het isolement te stappen van 'het knusse godje in zichzelf' (154). De uitdaging die ligt in het leiden van een leven vanuit deze inzichten en ervaringen komt in dit boek niet apart aan de orde maar ligt met dit boek mijns inziens helemaal voor ons. Namelijk de verbinding van de immanente 'God' met de 'God' buiten (aanhalingstekens van mij, BK; de auteur schrijft erover op p. 154) en de vele verbindingen met het leven van alledag, waar het leven geleefd en de 'strijd' gestreden en / of losgelaten wordt.

Ik heb me erover verbaasd dat het basisthema van dit boek zo goed een stelling illustreert die ik eerder formuleerde. Het innerlijke christendom biedt openlijk wat het exoterische christendom en de filosofische hoofdstromen van de westerse maatschappij verdrongen hebben, te weten het besef van de eenheid die in tweeheid uiteenvalt en waarnaar wij terug kunnen keren, onder andere gesymboliseerd in de tweeheid van man en vrouw die tot eenheid komen kan. In dit boek permanent bijvoorbeeld via het symbool van het bruidsvertrek, en vele andere.
Of zoals ik elders formuleerde: “Oosterse denkbeelden, vooral Advaita Vedanta, Mahayana Boeddhisme en Taoïsme, oefenen vooral aantrekkingskracht uit in het Westen omdat zij oog hebben voor en ruimte bieden aan inzichten en praktijken die in het Westen door de filosofische en culturele hoofdstroom naar de marge verdrongen zijn: zoals het cyclische of matriarchale (naast het lineaire of patriarchale) denken, de voorstelling van het niets (naast het zijn) als grondaspect van de werkelijkheid, en de eenheid van tegenstellingen ofwel het niet-dualistische denken (naast de logica van het uitsluiten van een derde mogelijkheid buiten “gelijk” / “niet gelijk”) en daarmee verbonden levenswijzen”. Er is dus zeker ook veel reden om de hier samenhangend in het licht gesteld Westerse esoterische denkbeelden te vergelijken (zowel met die van het exoterische christendom als) met de genoemde Oosterse denkbeelden. Mijns inziens kunnen Oost en West veel van elkaars spiritualiteit (die altijd in ontwikkeling is naar onbekende horizonten in de toekomst!) leren. Zeker als het gaat om de verbinding met het leven van alledag, om de verhouding tussen spiritualiteit en maatschappij en om de manier waarop we tegen denkbeelden, symbolen en theoretische (filosofische en theologische maar ook gnostische en esoterische!) systemen aankijken. Zie bijvoorbeeld de manier waarop de Stichting Oost-West-Filosofie hieraan aandacht besteedt, en diverse pagina's en teksten op mijn site. Ook hoe we taal gebruiken en hoe we de valkuil kunnen vermijden om een nieuw verworven inzicht met de definitieve eindfase te verwarren. Of hoe we tegen de tijd aankijken. Tegen de verhouding van verleden en toekomst met ons unieke, steeds vervlietende maar uiterst reële hier en nu. Dat ons volgens Meester Eckhart en Jacob Boehme - ook in dit boek besproken - altijd met God verbindt, als we niet in de weg staan.
3 februari 2006

Willem van Saint-Thierry, De Gulden Brief: Vertaald uit het Latijn, ingeleid en geannoteerd door broeder Guerric Aerden o.c.s.o., cisterciënzer abdij Zundert, [met Inleiding en Bijlagen waaronder Registers van bijbelverwijzingen, persoonsnamen en trefwoorden, en Bibliografie, ]Kampen (Uitgeverij Ten Have) 2005, 199pp.

Dit is een boek dat iedere in spiritualiteit geïnteresseerde lezer veel te bieden heeft, want het staat dicht bij de praktijk van ieder (spiritueel) leven zelf en bevat vele zeldzame inzichten en aanwijzingen van grote waarde.
Uit de uitvoerige en informatieve inleiding blijkt dat de hoofdtekst die hier in het Nederlands voorligt, door Willem van Saint-Thierry in 1144 werd geschreven. Dat deed hij voor een nieuwe vestiging van cisterciënzers, een groep van minstens twaalf monniken onder een abt, komend uit de westelijke Alpen, die zich nu vestigden in de Ardennen, in het woud van Mont-Dieu, zo'n twintig kilometer onder Sedan. Zelf was hij afkomstig uit de omgeving van Luik en een van de grotere intellectuelen van zijn tijd, theoloog, monnik en abt van enkele kloosters. Tijdgenoot en vriend van Bernardus van Clairvaux en sterk door de laatste beïnvloed. De cisterciënzers vormden de voorhoede van een nieuwe spiritualiteit. Komend vanuit de Benedictijnse traditie, de grootste monnikentraditie van Europa, voerden zij opnieuw de traditie in van monniken die wonen in afzonderlijke - zij het bij elkaar gelegen - cellen, met enkele gezamenlijke activiteiten. Hun spiritualiteit is heel praktisch, maar tegelijk zowel diepgaand als doorleefd. In de moderne tijd behoorde Thomas Merton tot de strengere tak van deze orde, evenals de bijna veertig broeders die samen de abdij in Zundert bewonen en waarvan broeder Guerric Aerden de vertaler en annoteerder van deze tekst is. Hij deed dat na het samen met een groep lezen en bestuderen van de tekst.
Willem van Saint-Thierry is bekend vanwege zijn opvatting dat liefde boven kennis gaat. Hij komt tot de uitspraak: “Amor ipse intellectus est”, “de liefde is zelf het bevatten”. Een uitspraak die ik hier niet verder toelicht omdat zijn tekst precies dat is: een toelichting van die uitspraak, niet als zodanig bedoeld maar feitelijk voldoet de tekst ook aan die karakteristiek. Het eigenlijke onderwerp van de tekst is de spirituele ontwikkeling van de mens.
Omdat Willem van Saint-Thierry uit de omgeving van Luik komt, wordt hij wel de eerste mysticus van de lage landen genoemd, iemand waarop we in de lage landen trots kunnen zijn, en zijn mystiek past beslist heel goed in de praktische aard van de bewoners van onze landen. Zonder iets tekort te doen aan de diepgang en aan de kennis van de bijbel en de geschiedenis van theologie en spiritualiteit die er in verwerkt zijn. Een van de enorm boeiende aspecten van de tekst is dat hij stamt uit de tijd voor de scholastieke theologie die een eeuw later ontstond. Er is nog geen invloed van Aristoteles te bekennen die theologie en wetenschappen op een nieuwe manier met elkaar moest verzoenen en die de huidige Rooms-katholieke Kerk nog steeds domineert. Wat opvalt is, dat Willem van Saint-Thierry helemaal staat in de traditie van de Griekse kerkvaders, waar de 'theoosis' ofwel het herstel van het beeld van God in de mens (letterlijk: godwording, vgl. 1 Joh. 3, 2), een belangrijk thema is. Maar wat ik minstens even boeiend vind, is dat de spiritualiteit van de Gulden Brief, waarvan bekend is dat hij eeuwenlang veelgelezen werd en invloed had (overigens mede omdat hij ten onrechte werd toegeschreven aan Bernard van Clairvaux), zeer herkenbare verwantschap vertoont met de spiritualiteit van
Eckhart en zijn leerlingen, van de Moderne Devotie, ook van vele (andere) voorlopers van de Reformatie, en ook van de spirituele bewegingen in Europa in en na de tijd van de Reformatie. Het model dat Willem van Saint-Thierry hanteert in zijn beschrijving van de spirituele weg van de mens tot God, is bij wijze van spreken zelfs nog enigszins herkenbaar in de calvinistische Heilberger Catechismus. En zeker in het piëtisme waartoe vele nu niet meer zo bekende schrijvers als Jacob Boehme en Johann Arndt behoorden, en zelfs in andere stromingen zoals de Rozenkruisersgeschriften van Johann Valentin Andreae die zich eveneens (onder andere, want hun inspiratiebronnen zijn uitgebreider en strekken zich ook uit tot Paracelsus en de spirituele alchemie) lieten inspireren door Weigel, Franck en anderen. Ook de grote Comenius hoort in dit rijtje helemaal thuis.
Directe invloed kort na zijn tijd had Willem van Saint-Thierry ook op Ruusbroec, op Hadewijch, op Beatrijs van Nazareth, zelf verwant aan de spirituele vernieuwingsbeweging waarvan de cisterciënzers ooit de voorhoede vormden. Zij ontwikkelden een mystiek waarin liefde een grote plaats had, en de beelden van bruid en bruidegom. Waarin de hoogste extase in het verlengde lag van de transformatie van ongevormde, verloren mens tot gevormde mens door de liefde van God. Maar waar die beleving gepaard ging met grote nederigheid en soberheid en beschikbaarheid voor de dienst aan anderen (zij het bij velen vanuit de beschermde maar niettemin maatschappelijk gewaardeerde rol van apart levende monniken en nonnen die soms zelfs nooit onder de mensen kwamen maar wel de goederen die zij over hadden, met de mensen deelden).
Ik herken de geest van het Boekje van het Volkomen Leven, van de preken van Tauler, en van vele andere geschriften uit zowel de protestantse als de rooms-katholieke christelijke tradities, in de Gulden Brief terug. Dat kan maar een ding betekenen: we hebben hier een uiterst belangrijke schakel tussen de spiritualiteit van het oude en vroegmiddeleeuwse christendom, met vele zeer herkenbare bijbelverwijzingen en een herkenbare 'theologie' (onder meer de invloed van Johannes Scottus Eriugena is onmiskenbaar), en de latere spiritualiteit van de christelijke Middeleeuwen, van de Reformatie en verder. Aandacht voor het individu dat zich spiritueel ontwikkelt, voor de problemen die het tegenkomt, voor het leven dat geleefd moet worden met de diverse vragen die daar bij horen. Natuurlijk mogen we niet vergeten dat de samenleving er toen anders uitzag dan nu, en is het waardevol ons te realiseren wat ons van die tijd scheidt en onderscheidt. Maar het onderwerp, de toon en de taal van de tekst - de laatste heeft de sporen van christelijke tradities van alle eeuwen daarvoor, en van de christelijke heilige schriften - zijn uitermate kenmerkend voor de geschiedenis van de westerse spiritualiteit, misschien wel tot op heden. Ik heb deze tekst met groeiende verbazing, herkenning en instemming gelezen. Het zouden niet allemaal mijn woorden zijn, en het zullen niet allemaal uw woorden zijn. Maar waar de auteur heen wil is buitengewoon herkenbaar - en dat terwijl hij de taal van onze moderne tijd niet kende! - en uitermate de moeite waard. Zelfs op het punt van de zelfrelativering die in spiritualiteit zo'n waardevol onderdeel kan zijn - zoals het niet-dualisme in oosterse spiritualiteit en in Eckhart - scoort dit werkje heel hoog. Het laat immers alle concepten vallen! Terwijl zij een belangrijke functie hebben en houden. (Maar de liefde in functie heeft de hoogste waarde. En dit wordt schitterend - de lezeres en lezer impliciet meenemend - verwoord.)
Ik verwijs u op dit punt gekomen naar de tekst zelf, die de moeite van het lezen meer dan waard is. Ik kan verwijzen naar de uitvoerige, onmisbare inleiding van pp. 11-32. En daar komt nog iets bij. De vertaler heeft een groot aantal annotaties toegevoegd waarin niet alleen allerlei achtergronden de tekst in vele opzichten nog sterk verduidelijken en in perspectief zetten maar waaruit ook een groot spiritueel inzicht blijkt waarvan we als lezers nu gratis kunnen profiteren. Dat versterkt de betekenis van de tekst in onze moderne context enorm. Dit is werkelijk een zeer actuele tekst, vooral omdat hij put uit onze eigen oude tradities die misschien ondergronds maar in ieder geval invloedrijk in onze cultuur zijn blijven voortleven. En ook het gesprek met andere moderne vormen van spiritualiteit opmerkelijk zullen vergemakkelijken (een gesprek dat op de abdij in Zundert ook zeer actueel gevoerd wordt, net als dat met de moderne leefwereld, in de vorm van de ontmoeting met spiritueel geïnteresseerde bezoekers in allerlei ontmoetingen).
De bibliografie is uitgebreid en nodigt uit tot verdere lezing en studie. De registers zijn uitgebreid, alleen ontbreken in dat van de trefwoorden de verwijzingen naar de annotaties, wat ik een gemis vind want daar is veel waardevols te vinden. Met de vertaling van kluizenaar als 'eenzame' ben ik minder gelukkig, in de vertaling 'eenling' (van monachos of monnik) zou mijns inziens meer uitkomen dat het gaat om iets positiefs, om iemand die weer uit één stuk wordt, die integreert, die heel wordt. Maar ook dat is misschien behelpen. De annotaties van de vertaler helpen trouwens geweldig om de verschillende betekenislagen van de woorden en de erachter liggende gedachtengangen te begrijpen!
Ik beschouw het als een groot voorrecht dat dit boek beschikbaar is gekomen en beveel het iedere in spiritualiteit geïnteresseerde dringend aan.
3 mei 2006


Retour naar overzichtspagina gelezen teksten


Google
"To Serve Divine Wisdom, in Full Awareness of Death and Life
Waiting for Her unmistakable Signs,
Tapping from and Revering the Source of True Healing, the Kingdom of Complete Eternity
Manifesting Always through All Polarities and Changes Here and Now" (Kalliopeia)

Ieder apart wezen compleet en diep één met zijn eeuwige grond, verbonden in één gewaar-zijn


URL: http://www.bk-books.eu/lezen24.html
Version 4 = latest revision of 3 May 2006 (Version 1: 31 October 2005)
© 2006 Boudewijn Koole; copying admitted
in case acknowledgement is provided (at least reference to site: www.bk-books.eu and with link to url (unique resource location or web-address) of the text copied or referred to; if wished so with your valuation)