Lijst van gelezen teksten met commentaar van Boudewijn Koole 25

Lezen (of juist niet) 25!


Deze pagina bevat een lijst van sinds 2006 gelezen teksten met commentaar.

Retour naar overzichtspagina gelezen teksten

Gelezen - sinds 2006-b

Read - since 2006b






Darrin M. McMahon, Geluk: Een geschiedenis, Vertaling Corrie van den Berg en Carola Kloos, Amsterdam (De Bezige Bij) 2005, 527pp.
Mirko Frýba,
The Art of Happiness: Teachings of Buddhist Psychology, Foreword by Claudio Naranjo, [met eindnoten, register van technische boeddhistische termen, en toelichting van de basisbegrippen, ]Boston & Shaftesbury (Shambhala) 1989, 301pp.

Dit werk van McMahon biedt zoveel inzicht en is zo gemakkelijk leesbaar dat het verplichte kost zou moeten zijn voor iedere leraar of lerares, voor iedereen die anderen lesgeeft of begeleidt. Zeker voor leerlingen en studenten in alle vakken die niet per se wis- of natuurkundig zijn. Zo'n belangrijke basis biedt dit werk voor een algemeen inzicht in onze (Westerse) geschiedenis en in algemeen menselijke en sociale vraagstukken. Politiek, geloof, psychologie, wetenschap, het westerse denken, het komt allemaal aan de orde, en je leert er heel veel uit over hoe in onze geschiedenis naar geluk is gestreefd, met geluk is omgesprongen en erover is gedacht. Inclusief de soms niet erg gelukkige effecten daarvan. Dat is buitengewoon leerzaam want die ideeën horen en lezen wij nog dagelijks via de media. Waar ze vandaan komen is in dit boek zelfs vermakelijk want intrigerend opgeschreven. Maar nu eerst een andere invalshoek.

Onlangs las ik een werkelijk prachtig boekje dat ik iedereen sterk aanbeveel. Op bijna de allerlaatste pagina stond de volgende tekst (midden in een rij 'Ideeën' om tot ontwaken te komen):

"Als we dat echt willen dan kunnen we onmiddellijk gelukkig zijn, want geluk ligt in het moment zelf. Maar gelukkiger willen zijn dan je al bent of gelukkiger willen zijn dan andere mensen, is het beste bewijs dat je ongelukkig bent. Geluk is namelijk niet te vergelijken. Een dergelijk verlangen is niet te realiseren. We kunnen alleen maar gelukkig zijn zoals we zijn; de mate waarin anderen gelukkig zijn valt niet te meten." (Anthony de Mello, De weg van stilte, p. 188; onderstreping van mij, BK)

Merkwaardig genoeg komt McMahon in zijn briljante geschiedenis van het (Westerse) geluk aan het eind uit op dezelfde thematiek. Zijn geschiedenis - die de door hem uitvoerig beschreven geschiedenis is van het geluk voor ons Westerlingen en in onze Westerse cultuur - loopt uit op de moderne pogingen om de rusteloze jacht naar het haalbare geluk uit te breiden tot de ondersteuning door psychofarmaca (antidepressiva bijvoorbeeld, naast drugs) en door herstel of compensatie van genetische defecten. En hij concludeert dat bij ieder middel dat we uitvinden om ons geluk te verbeteren, de horizon van het geluk zich ook weer verder van ons lijkt te verwijderen. Gelukkig (…) vat hij ook een aantal alternatieven samen van de moderne aanpak. Voor de oude Grieken was de vraag naar het geluk de vraag naar het goede leven. En voor het christendom was het het geloof in en de hoop op het eeuwige leven. Want voorafgaand aan de tijd van de 'Verlichting' - de culturele hoofdstroming die het Westen vooral vanaf de achttiende eeuw heeft overspoeld en die ons denken over het geluk het verst gestuurd heeft in de richting dat het geluk haalbaar zou kunnen zijn - stond ook iets anders in het middelpunt: namelijk dat we het raadsel van het geluk niet volledig kennen en, zolang we stervelingen zijn, nooit (volledig) zullen kennen. Misschien komt dat besef nu weer naar voren - na een twintigste eeuw vol mislukkingen en verschrikkingen.

Er is echter als je goed oplet een groot verschil tussen de uitkomst van McMahon en die van De Mello. Het antwoord op de vraag naar het eigen geluk kan een individu volgens de laatste alleen zelf geven. Wellicht zal McMahon dit niet ontkennen maar hij zegt het ook niet met zoveel woorden, hoogstens dat het onderzoek naar geluk subjectieve antwoorden oplevert. En zeker trekt hij niet de conclusie uit dit gegeven. Die conclusie is dat we voor ons individuele geluk waarschijnlijk niet meer nodig hebben dan wat we op een bepaald moment zijn en hebben. Met onze beperkte individuele kennis, ons beperkte individuele lichaam, in onze unieke individuele situatie, een situatie die bovendien steeds verandert. We hoeven de hele geschiedenis van het geluk dus niet te kennen om zelf gelukkig te zijn, gelukkig maar!

Tegelijk wijzen zowel De Mello als McMahon (de laatste uiteraard het gedetailleerdst) er op dat wij net als bij vele andere situaties waarin wij kunnen verkeren, ook ten aanzien van het geluk bijna vanzelf gebruik maken van allerlei voorstellingen die we van anderen hebben overgenomen of gehoord. Van onze ouders of vrienden en vriendinnen, of van onze voorbeelden. Het is daarom helemaal zo gek niet om die voorstellingen eens op een rij te zetten en met elkaar te vergelijken. Daaruit kunnen we een hoop leren over die voorstellingen - en over onze cultuur en onszelf.

Want om eenvoudig bij jezelf te kunnen blijven is het niet onwenselijk goed op de hoogte te zijn van de complexe voorstellingen waarin je je kunt verstrikken, zodat je van jezelf wegdrijft en je ervaring inkleurt naar die voorstelling. De kennis van de complexe voorstellingen en van de verstrikking erin kunnen je dan helpen een en ander te ontwarren en weer bij jezelf te komen, in de eenvoud van je eigen unieke individuele ervaring. Dat is de leerschool van de Abhidhamma, de leer van het vroege boeddhisme, die Mirko Frýba behandelt in zijn boek The Art of Happiness. “Being happy is simple; however, the ways and means of achieving happiness have to be sufficiently multifaceted to accommodate people whose initial condition is complicated. (xii)” Gelukkig leren zijn is dus in ieder geval niet het geluk verwarren met de complexe zaken waarin we ons verstrikt mogen hebben! En dus is kennis van die laatste misschien buitengewoon zinvol. Dan heeft McMahon ons een grote dienst bewezen. Want hij vertelt er heel veel wetenswaardigs over. Ongelooflijk veel inzicht voor wie de moeite wil nemen. Overzicht over de hele geschiedenis van het Westen, zowel qua ideeën als qua politiek, zowel qua moraal als qua religie. En de moderne tegenhangers of vermommingen ervan … in de vorm van psychologische, sociale of andere heilsleren en hun praktijken.

McMahons boek is niet alleen briljant omdat het gebaseerd is op een buitengewoon knappe selectie van studiemateriaal of de samenhangen tussen de denkbeelden uit verschillende perioden van de Westerse geschiedenis laat zien. Het is ook een wonder van didactisch afgewogen presentatie, waarbij de moeilijkste zaken door een eenvoudige anekdote zo helder ingevlochten worden in het verhaal dat je dacht dat je ze altijd al had vermoed. Meer dan welk overzicht over de geschiedenis van de filosofie van het Westen - want dat is dit impliciet ook - legt het verbindingen met het leven van de personen die de ideeën voortbrachten of erdoor beďnvloed werden, en met de maatschappelijke en politieke, vaak ook de culturele ontwikkelingen waarin zij ontstonden of functioneerden. Misschien veronderstelt het boek veel vertrouwen van die lezers en lezeressen voor wie veel van het materiaal nieuw is. Tegen hen kan ik zeggen dat zij zich niet ongerust hoeven te maken. Wat McMahon aan feitelijke informatie geeft, is hoogst betrouwbaar en qua interpretaties meestal precies in de roos. Natuurlijk zijn op onderdelen altijd subtiele discussies te voeren over bepaalde interpretaties - ik zal hieronder een paar zaken noemen die ik nogal mis in dit boek - en die gaan dan vast wel verder dan de inzichten die McMahon weergeeft. Maar de laatste vormen er een betrouwbare basis voor, als overzichtswerk dat rondom het thema geluk is opgebouwd. Een bewonderende kanttekening bij het laatste: door geluk als thema te kiezen kan McMahon de oudere, vooral de klassieke voorchristelijke wortels van het denken over geluk in één perspectief laten zien met de christelijke vormgeving ervan evenals met de moderne variatie op beide waarin we terechtgekomen zijn, mischien wel verdwaald zijn! Ook dat is een grote prestatie, waarbij McMahon er steeds in geslaagd is evenwicht te bewaren tussen de uiteenlopende invalshoeken van psychologische verwerking door individuen, het maken van filosofische en theologische leersystemen, en het aangeven van dilemma's, verborgen tegenstellingen, open eindes en dergelijke. Zodat hij aan het eind inderdaad tot een toespitsing kan komen die ik boven al aanduidde, en hier niet verder zal samenvatten. Hij laat veel voor en aan de lezer en lezeres over op dat punt. Misschien te veel?

Voordat ik aangeef wat ik toch mis in dit buitengewoon rijke boek geef ik kort aan wat er allemaal in te vinden is. De schrijver behandelt Socrates, Plato en Aristoteles evenals de Epicureeërs en de Stoa, gaat via de Romeinse geluksgodin Felicitas en de christelijke martelaren over naar de theologen Augustinus, Luther en Calvijn en de mystieke leer van Boëthius, Johannes Eriugena, Pseudo-Dionysius de Areopagiet, die de grondslag vormde van de grote bloei van de christelijke mystiek. We zijn dan verschoven van perspectief. Van de nadruk op wat het leven het waard maakt om geleefd te worden, namelijk de deugd en de eerbaarheid, zijn we overgestapt op de hoop op het eeuwige leven in het hiernamaals en de aanschouwing van de goddelijke zaligheid. Weliswaar ook van iets dat slechts voor weinigen te bereiken is omdat zij de tijd hebben er aandacht aan te besteden, naar iets dat voor alle mensen bereikbaar is die 'geloven'. Pas bij de theoloog Thomas van Aquino wordt de platonische erfenis in het christendom dan weer gecorrigeerd met de aristotelische, die ook aandacht aan het leven op aarde schenkt, zodat Thomas enerzijds aandacht kan schenken aan de goddelijke en anderzijds aan de aardse werkelijkheid. In de Renaissance komen alle thema's opnieuw aan de orde in een nieuwe mengeling van bewondering voor de menselijke mogelijkheden en het uitproberen daarvan, bij Pico della Mirandola en andere Italianen, tot bij Noorderlingen als de latere Erasmus als voorbeeld van het nieuwe humanisme, de combinatie van kennis van het oude met aandacht voor de wetenschap van teksten en cultuur. Maar ook bij vele, vele andere kunstenaars en letterkundigen en politici. Een prachtige excurs maakt de schrijver over de speciale aandacht voor de melancholie die in deze optimistische tijd ontstaat!
Vooral via de Reformatie bereiken de veranderingen ook het gewone volk. Tegelijk ontstaan er nieuwe impulsen voor de filosofie en de wetenschappen die zich losmaken uit het oude theologische kader. En dan gaat de auteur de denkers langs die de grondslagen voor het moderne denken over geluk legden zoals Locke en Hobbes. In de achttiende eeuw groeide sterk het geloof dat de wetenschappen het geluk zouden doen toenemen door maatschappelijke vooruitgang. Bentham beschrijft hoe het grootste geluk voor het grootste aantal maatgevend kan worden en De La Mettrie omschrijft hoe de mens een machine is die indien goed bediend, goede resultaten in de richting van het genot zal opleveren. Allerlei consequenties werden uitgedacht in allerlei richtingen. Casanova, De Sade komen we tegen. Rousseau voelt dat we het natuurlijke kunnen verliezen. En Kant zegt heel duidelijk dat de rede en het geluk juist niet altijd samengaan: deugdzaamheid is soms pijnlijk, en mensen die zich goed voelen, zijn soms slecht. De Franse Revolutie zal het allemaal uitproberen en aantonen. Wat de schrijver prachtig illustreert aan de 'burger' Lequinio, die namens de revolutionaire Jacobijnen het geloof in de revolutie gaat preken in Franse dorpen en stadjes: zijn preek van de kansel in het stadje Rochefort is bewaard en pleit voor het geloof in de bereikbaarheid van het geluk als iedereen zich schaart achter dat geloof!
Via Napoleon, de Duitse dichter Heine en vele Engelstalige dichters en de Duitse filosoof Arthur Schopenhauer komen we terecht in de Romantiek en het scepticisme van de negentiende eeuw. We kijken hoe 'the pursuit of happiness' een recht werd bij het juridisch funderen van de Amerikaanse Verenigde Staten, via het werk van Benjamin Franklin en Thomas Jefferson. De Engelse Verlichtingsdenkers worden besproken zoals David Hume en Adam Smith. Terwijl de Fransman De Tocqueville het Amerikaanse optimisme corrigeert door te wijzen op de vreemde melancholie die hij in Amerika aantreft, alsof een bereikt resultaat nooit het punt mag zijn waarin gerust wordt, al is het maar kort. De geschriften van John Stuart Mill blijken vervolgens veel van de zich ontwikkelende dilemma's in kaart en tot een synthese te brengen. Vrijheid gaat boven geluk. Maar hij voelt ook dat hij er met een rationele benadering alleen niet komt. Dan lijk je je ziel te zijn verloren, vooral aan de commercie die de boventoon voert. Een probleem dat later centraal stond in de studies van de socioloog Max Weber die onder andere over samenhang tussen de geest van het kapitalisme en de protestantse ethiek schreef.
Engelsen als Carlyle en Duitsers als Hegel gingen verder op het spoor van de maakbaarheid van het geluk, evenals de utopische socialisten die de auteur buitengewoon interessant beschrijft. In Marx en Engels komen we vervolgens het wetenschappelijke socialisme tegen, dat de basis voor het communisme als politieke stroming werd. Het raadsel van de geschiedenis leek opgeheven. De arbeid werd het instrument voor ons geluk …
Allengs ontwikkelden zich nieuwe vragen over de beste wijze om geluk te vinden, die pasten bij moderne vraagstellingen. Darwin ging de evolutie na, Freud vestigde de aandacht op de rol van het onbewuste. Nietzsche ontmaskerde de illusies die vele perspectieven herbergden. En tegelijk gaven ze allen ook weer nieuwe mogelijkheden aan om het geluk te zoeken en te vinden. Zoals we nu de moderne geluksindustrie kennen, van therapieën tot de belevingsindustrie. Maar zijn we niet de zin aan het verliezen voor wat er werkelijk toe doet? Wordt niet alles gereduceerd tot pret en vermaak, tot 'je goed voelen en meer is er niet'? Worden we werkelijk gelukkig door van de ene naar de andere beleving te reizen, of is er een diepere laag die we ons kunnen realiseren en waarop we onze aandacht beter zouden kunnen richten - iets wat in de klassieke oudheid per slot van rekening ook al gesuggereerd werd. Als we het raadsel van het bestaan niet omvatten kunnen zolang we stervelingen zijn, wat is dan geluk - vraagt de schrijver zich ten slotte af. En heeft het streven naar geluk nu vooral geluk gebracht of ook nogal vaak het tegendeel? Wat betekent dat dan?
Met deze samenvatting heb ik zelfs bij benadering de rijkdom aan thema's uit dit boek (helaas ontbreekt een zakenregister zodat die rijkdom daar niet aan af is te lezen) niet aangeduid. Een personenregister aan het eind vergemakkelijkt het terugvinden van sommige ideeën en samenhangen. De auteur laat de vragen over het geluk die aan de orde komen, en de antwoorden die erop gegeven worden, gelukkig nu en dan terugkomen zodat duidelijk wordt hoe verschillend en veelvormig maar ook hoe vergelijkbaar sommige zijn. Een echte inhoudelijke synthese wordt in dit boek niet gegeven en ook niet nagestreefd, het is in de eerste plaats 'een geschiedenis' zoals de ondertitel aangeeft. Dat is misschien ook het tekort dat je eraan kunt aanwijzen.

Zelf mis ik in de eerste plaats de andere geschiedenissen van het geluk die ook op deze aarde hebben plaatsgevonden. De Westerse cultuur is voor ons en in onze ogen op dit moment misschien de belangrijkste cultuur, dat is niet altijd zo geweest (en zal mogelijk niet altijd zo zijn). Zo besteedt McMahon geen of weinig aandacht aan de culturen die aan de opkomst van de Griekse filosofie voorafgingen, en heeft daardoor ook weinig aandacht voor de nogal verschillende opvattingen over mannen en vrouwen wat betreft hun karakter en rol in de samenleving, over mannelijke en vrouwelijke goden, en over mannelijke en vrouwelijke aspecten van en in de cultuur. De Griekse filosofie en de patriarchale godsdiensten komen bij MacMahon zo maar uit de lucht vallen. Dat is niet echt historisch. Er is heel wat meer over te zeggen. En zo is zijn perspectief op Socrates, Plato en Aristoteles misschien wat al te vanzelfsprekend en te simpel, al is het een helder en toch leerzaam verhaal. Verder kunnen we in ieder geval in onze tijd toch moeilijk de ogen gesloten kunnen houden voor niet-Westerse culturen en hun geschiedenissen. Die hebben ons onmiskenbaar op allerlei gebieden veel gebracht (alleen al een bepaalde mate van rijkdom, maar ook van vele andere materiële en geestelijke zaken). En dat geldt vermoedelijk ook wel als mogelijkheid op het gebied van het denken over en streven naar geluk, zoals McMahon in zijn werk overigens signaleert als hij vele titels van boekjes over geluk aanhaalt om de belevingsindustrie te illustreren.
Vooral mis ik het niet-dualistische Oosterse denken. Dat zegt dat je geluk niet kunt denken zonder het tegendeel ervan, laten we het verdriet noemen. Zoals je goed en kwaad ook niet zonder elkaar kunt denken. Zelfs wordt gezegd, ik wees er hierboven al op, dat er een punt of ruimte van niet-oordelen bestaat waar geen onderscheid (meer) gemaakt wordt. We kunnen ook ervaren zonder namen te geven misschien? Hoe is dat?! Het verwarrende is dat dat door velen 'de weg naar geluk' genoemd wordt, het 'echte' geluk dan. Het is duidelijk dat dat net zo risicovol is als al die beloftevolle leerstellingen in onze eigen traditie die met een hoofdletter de mooiste waarheden en werkelijkheden menen te kennen en te kunnen beloven. Toch steekt er een (belangrijke!) kern van waarheid in. Die ik op deze website al vaker heb aangeduid, en daarom hier onbesproken laat. Dat element ontbreekt in de benadering van McMahon helemaal. Hij staat gewoon in de lijn van een lineaire geschiedenisopvatting, waarin we op weg zijn van een ver verleden naar een verre toekomst, en niet te veel uitspraken kunnen doen over wat we als de kern van het nu ervaren. Hij praat over het nu niet graag in absolute termen, hoogstens op de manier van een aantal vragen die hij erbij stelt.et een hoofdletter de mooiste waarheden en werkelijkheden menen te kennen en te kunnen beloven.cheid meer gemaakt wordt.e t Dat is zijn goed recht maar mist hij op die manier niet iets erg wezenlijks, een andere kijk dan onze gangbare, en een niet minder leefbare wellicht? Ik kom er toch nog heel kort op terug, zie onder bij het citaat van Shunryu Suzuki. In ieder geval bevat McMahons werk zeker geen (eigen of nieuwe) synthese van of voor een nieuw denken over geluk, iets wat op zich bij de Westerse traditie die hij beschrijft, best had kunnen passen. Evenmin als McMahon de historische alternatieven voor - en deels ook binnen - die traditie aan de orde stelt. Ik mis ze node. Of is hij hierin toch moderner dan hij op het eerste gezicht laat zien, en wil hij ook de mogelijkheid voor heel radicale culturele vernieuwingen niet helemaal afsluiten? Het neemt allemaal niet weg dat hij de innerlijke tegenstellingen en de grote hoogtepunten in de Westerse hoofdtradities schitterend over het voetlicht brengt. Maar volgende fases van inzicht en handelen zijn niet alleen denkbaar maar ook niet bepaald zinloos, lijkt me. Zowel voor ieder van ons Westerlingen (en wereldburgers) apart als voor ons samen inclusief de spraakmakende politieke en culturele leiders.
Want ik ben ervan overtuigd dat we er de komende jaren met een verklaring in grondrechten voor wereldburgers dat ze allemaal recht hebben om “geluk na te jagen” (waarmee niemand het oneens zal zijn hoop ik) alleen niet komen. De gevaren van onevenwichtigheden door globalisering brengen evenveel kansen met zich mee als omgekeerd. Maar deze gelegenheden vragen om verziende en moedige politici en burgers die tijdelijke voordelen durven opofferen voor langdurige. Die de kansen zien en grijpen durven, en niet wachten tot het mogelijke slechte weer van eventuele werkelijke of zelfs slechts denkbare gevaren voorbij zal zijn.

Een ander punt wat ik mis is een evenwichtige beschrijving van de eerste eeuwen van het christendom. Weliswaar geeft de auteur duidelijk aan dat het christendom Joodse wortels heeft maar hoe die zich dan verder tot de klassieke Griekse en Romeinse zijn gaan verhouden, laat hij verder buiten beschouwing. Waarmee hij zich een hoop problemen bespaart want dat is nu eenmaal van oudsher een centrale problematiek in het christendom (en tussen jodendom en christendom, om de islam nog maar niet te noemen want die hoort helemaal in dit rijtje thuis zoals we, gedwongen door de krantenkoppen, de komende jaren nog beter zullen gaan beseffen). Als hij, om een voorbeeld te noemen, Eriugena behandelt en dan niet het thema van de androgyne (man-en-vrouw-ineen) eerste mens meeneemt die tot tweeheid vervalt maar weer tot eenheid kan komen in de verlossing, mist hij toch een belangrijk stuk van wat in de Westerse traditie toch al onderbelicht geraakt is. Deze thematiek van de androgynie (ook wel gynandrie), maar vooral die van de eenheid en de tweeheid, is immers zowel in de belangrijke christelijke gnostiek van de eerste eeuwen als bij vele latere christelijke stromingen - zij het niet altijd de meest luidruchtigste en machtigste - van grote invloed geweest. Iets wat de lezer overigens uitgebreid op en via deze website kan terugvinden. Dit punt van kritiek is door persoonlijke voorkeur of kennis bepaald. Maar daarom niet minder terecht. McMahon beperkt zich - niet onbegrijpelijk, maar het blijft een beperking - helemaal tot wat hij als de hoofdlijnen van de Westerse cultuur beschouwt.

Het Oosten heeft de levenskunst - die niet samenvalt met gelukkig zijn maar daar toch een belangrijke plaats aan toekent - even hoog in het vaandel staan als de Westerse. De niet-dualistische variant ervan vinden we in de Advaita Vedanta, het taoďsme en in Zen. Ook deze komen in deze website aan de orde (zie hieronder over Philip Renard, Non-dualisme). Ik vat ze hier symbolisch samen in een citaat dat uit de context van een heel hoofdstuk gelicht is maar voldoende aansluit bij het bovenstaande om genoeg verwarring te stichten of te denken te geven (of aandacht te vestigen op wat aan het denken voorafgaat of het overstijgt!). Het is van Shunryu Suzuki die het non-dualisme aan Amerikanen probeerde uit te leggen met woorden en toen onder meer tot de volgende terloopse uitspraak kwam: “Geluk is verdriet, verdriet is geluk.” (Zen-begin, p. 160) Terwijl het Westen vaak ideeën op de hoogste plaats stelt (daar kun je zo heerlijk rationeel mee omgaan), vestigt het Oosten graag de aandacht op het overstijgen van ideeën (zonder ideeën als zodanig af te wijzen). Wij 'begrijpen' daar in het Westen vaak maar weinig van. Of zijn we onze eigen Westerse tradities op dit punt uit het oog verloren? Wie leerden in onze geschiedenis dat het leven een spirituele 'weg' omvatte die via het dagelijkse leven liep en verder ging dan wat ons verstand ons te kennen gaf?

Maakt het genoemde boek The Art of Happiness van Mirko Frýba dit non-dualisme inzichtelijk en 'toepasbaar'? Het boek is bedoeld als hulpmiddel bij therapieën in het Westen, en bij alle vormen van gedragsoefening waarbij het opengaan van de geest als belangrijk wordt gezien, van de kunsten tot de psychotherapie. Waar baseert het zich op? De auteur is een Tsjechische psycholoog-therapeut, leerling van de Duitse Theravada-monnik en -geleerde Nyanaponika Thera, die bekend staat om enkele gedegen studies waaronder 'The Heart of Buddhist Mindfulness', een (niet door mij gelezen) toelichting op de Vipassana-meditatie, de basismeditatie van het boeddhisme. Frýba schrijft innemend, enigszins intellectueel, maar wel met de praktijk als onderwerp en kennelijk vanuit uitgebreide ervaringskennis. Hij spreekt de lezer direct op zijn eigen ervaringen aan, wat mij sterk voorkomt. Het is de Engelse vertaling van een boek met een minder ronkende titel 'Anleitung zum Glücklichsein'. Het gaat dus wel degelijk over gelukkig zijn en geluk. In het boeddhisme ligt de nadruk echter toch vooral op het in rekening brengen van zelfkennis bij het leven in de wereld. Door jezelf te kennen leer je welke kwaliteiten je op welke momenten kunt inzetten, in plaats van af te gaan op wat anderen je voorhouden als het meest effectieve (vaak meer voor hen dan voor jou!). Hoe je jezelf leert kennen en waaruit die zelfkennis kan bestaan is het onderwerp van dit boek, dat ik verder nog niet helemaal heb doorgewerkt. Ik noem het hier als voorbeeld van de vele boeken uit het zelfhulp-circuit die de laatste decennia zijn verschenen en die vaak Oosterse en Westerse psychologie en therapie met elkaar verbinden. Terwijl de auteur zich verwant voelt met de New-Agebeweging, legt hij helder uit dat dat goede redenen kan hebben, mits niet oppervlakkig uitgewerkt. Hij is dan ook goed thuis in de Westerse therapeutische theorieën. Maar ook in de boeddhistische, om precies te zijn de Abhidharma, de psychologische systematiek van het Theravada-boeddhisme. En hij integreert een en ander met heldere nadruk op het belang van de lichamelijke verankering van bewustzijnsgroei. Een uiterst fundamenteel punt dat hij niet ten onrechte centraal stelt. Daar moet ik het hier bij laten. Zijn boek heeft hij nog een keer herschreven en in 1995 bij dezelfde uitgever gepubliceerd met de nieuwe titel 'The Practice of Happiness'. Relevant daaraan is dat de belofte in de titel van zijn eerdere boek verschuift van de nadruk op geluk dat bereikt zal worden naar geluk dat met oefening gepaard gaat. Ook al ging het in de eerdere titel al om een 'art' dus om een kunde, Frýba en zijn uitgever vonden het kennelijk belangrijk om deze oefening, deze kunde, niet als een moeiteloze heilsweg aan te prijzen maar als een dagelijkse oefening die als weg zelf het doel omvat. Frýba besteedt veel aandacht aan concreten aanwijzingen en oefeneningen die ik zelf niet heb kunnen uitproberen. Het boek lijkt me in ieder geval een middel om met de boeddhistische psychologie kennis te maken. Het past in hetzelfde rijtje als bijvoorbeeld Zen Therapy van David Brazier, al is dat toch ook een heel ander boek.
Is dit nu een bijdrage aan het geluk waar de Westerse cultuur al 3000 jaar of meer (als je het oude Egypte en het oude Israel en de rest van het Midden-Oosten erin meeneemt) naar streeft? Niet als je het alleen als de kortste, automatische en kosteloze route naar het definitieve en blijvende geluk ziet. Maar de ermee verbonden verwijzing naar de boeddhistische psychologie en de grondslagen daarvan - die met de 'leegheid van het subject' ook het relativeren van het oordeel en van iedere tegenstelling omvat - is zeker een vruchtbare grond voor verdere culturele ontwikkelingen ook van het Westen. Wat mij wel van het hart moet, is dat daar zeker tegenwoordig wel duidelijk bij gezegd mag worden dat het daarbij niet alleen om het psychische welbevinden gaat maar om het hele leven, inclusief dat van het lichaam, de natuur, de andere mensen en onze hele wereldsamenleving, van geest en van materie. Maar daarover noemde ik al andere relevante literatuur.

Ik sluit af met een eigen poging om iets over geluk of mijn verwachting ervan te zeggen: “Geluk is er als je rustend in dit moment ervan kunt genieten en vertrouwen op wat komt, bereid om dat nieuwe moment tegemoet te treden, zonder grote verwachtingen en naar vermogen voorbereid en met in je herinnering onbewust de lessen van het verleden beschikbaar voor momenten waarop ze nodig zouden zijn, zonder nog het diepste verschil te weten tussen de uiterst verdrietige ervaring dat je onverhoopt het geluk kwijt bent maar dat accepteert en de uiterst vreugdevolle ervaring dat onverwacht klein of groot geluk je ten deelt valt zonder dat je eraan hecht.”
Ik ben het met De Mello (zie boven) eens: 'Geluk is niet te vergelijken'.
10 maart 2006

Rita Beintema, Jnana yoga in de praktijk: - een weg naar vrijheid -, Amsterdam (samsara)2005, 140pp.

Uit dit boekje spreekt veel ervaring. Er is veel onderzoek en praktijk van yoga in verwerkt. Maar ook heel veel levenservaring, deels opgedaan in het lesgeven aan uiteenlopende leerlingen. Er komen een aantal prachtige oefeningen in het boekje voor. Ik voel me zelf aangesproken door de nadi shudi (ook nadi shodana genoemd), een ademhalingsoefening. De ademhaling geschiedt daarbij zo hoog mogelijk in de neus, in en uit via de neusgaten afwisselend, met een sterk vitaliserend en een sterk rustgevend aspect (62-65). Dit is een oefening die beter alleen volgens de gegeven aanwijzingen uitgevoerd kan worden: de impact kan erg groot zijn. De hier beschreven yoga staat in de traditie van het niet-dualisme van de Advaita Vedanta (zie onder: de publicaties van Tiemersma en Renard). De integere, op ontwaken gerichte geest van dit boekje komt in veel opzichten overeen met die welke ik ken uit de Zentraditie.
23 maart 2006

Douwe Tiemersma, Naar de Openheid, Gouda (Uitgeverij Advaita Centrum) 2003, [Tweede druk, ]104 pp. (1983-1e) 23 maart 2006

Opmerkelijk helder boekje, met korte teksten en heel korte gedichtjes en een paar simpele illustraties. Via verschillende invalshoeken nodigt de auteur de lezer uit zich voor te stellen dat ons bewustzijn verbonden is met het absolute Zelf, daarin is ingebed en daarmee één is. En dat alles wat we ons bewust zijn, de inhoud ervan, ja alle mogelijke inhouden dus de 'hele' werkelijkheid, eveneens in die alleromvattendste openheid is ingebed. Zodat van de kant van die openheid gezien uiteindelijk niet meer gesproken kan worden van de openheid want er 'is' alleen maar openheid. Subtiel maar helder legt de auteur uit wat ons van dit besef afhoudt en hoe we dat los kunnen laten. Ontspanning en bewust leven spelen daarin een grote rol. Dat is niet alleen maar een gemakkelijke weg, het betekent soms ook indringend de waarheid over jezelf te moeten leren inzien, inclusief eventuele minder prettige patronen die we ter bescherming van onszelf opgebouwd hebben, en die onder meer uit uitvluchten en angsten kunnen bestaan. Het buiten werking stellen daarvan is geen pretje. Hoewel uiteindelijk uitermate bevredigend en bevrijdend. De bevrijding bestaat ook in het wegvallen van alles wat ons scheidt van de eenheid van alles.
De vraag zou kunnen zijn wat dit in de praktijk voor verschil maakt, waar dit in de praktijk op neer komt, in het dagelijkse leven toe leidt. Ik lees het liever niet als uitsluitend een metafysisch systeem waarin we de wereld voor ons bevattingsvermogen begrijpelijk maken maar als een buitengewoon aansprekende uitnodiging tot het gaan van wegen naar openheid. Het boekje zegt duidelijk dat in de uiteindelijke openheid alle systemen 'wegvallen' (namelijk inzover men zich te uitsluitend met hen identificeert). Maar het laat het de suggestie dat het (vooral) om een metafysisch systeem zou gaan (zoals zo'n systeem lang in de westerse traditie werd opgevat) misschien nog ietsje te veel open. Waarom wordt deze 'kennis' in een school of traditie onderwezen? De auteur legt in het boekje ook uit hoe de yoga van de kennis en de yoga van de liefde elkaar aanvullen. Wie de weg van de openheid volgt, wordt er geen 'aanhanger' van - al is zij of hij dat natuurlijk per definitie ook een beetje - maar (vanzelf en vanzelfsprekend, heb ik begrepen, zij het niet zonder groei in zelfkennis en confrontatie met de moeilijkheden van het leven) steeds meer een open en liefdevol persoon, voor zichzelf en de wezens en dingen om hem heen. Zelfs kun je zeggen dat dit boekje in heel kort bestek de belangrijkste elementen van de Indiase religieuze tradities (behalve het boeddhisme) noemt en behandelt. Zo bij voorbeeld in het hoofdstukje 'Spel' (47-49). Het is voor een bepaalde groep lezers, in ieder geval voor mij, zeker aansprekend. Zonde dat ik het meer dan twintig jaar ongelezen had gelaten, ik baseer dit commentaar op mijn uitgave van de eerste druk. En de auteur staat er nog steeds achter, wat blijkt uit het feit dat het na twintig jaar ongewijzigd opnieuw gepubliceerd kon worden, en tevens in het Engels vertaald.
De auteur heeft in de voorbije jaren in stilte heel wat opgebouwd. Zijn werk heeft geresulteerd in een actieve school voor yoga en voor studie en in nieuwe publicaties, waaronder recente van hemzelf en van leerlingen. Zie de website
www.advaitacentrum.nl/index.html met uitgebreide en heldere informatie hierover. Opmerkelijk en verheugend hoewel uiteraard helemaal niet onverwacht, is dat het thema non-dualisme, waar ik op deze website al verschillende malen aandacht voor heb gevraagd, een centraal thema is voor en in deze kring! Het non-dualisme speciaal in de late Veda-literatuur van India, de Upanishads, en bij de grote Indiase filosoof Shankara dan met name. En bij verschillende leraren uit deze traditie die in de negentiende en twintigste eeuw een nieuwe bloei vertoonde, zoals Ramakrishna, Ramana Maharsji en Nisargadatta.
In verschillende opzichten waarschijnlijk ook leerzaam voor wie op andere manieren met non-dualistische denkwijzen in aanraking is gekomen, zoals via Zen, via andere denkbeelden of tradities uit het Oosten of zelfs uit sommige denkbeelden en opvattingen uit de Westerse geschiedenis. Of ermee in aanraking is gekomen via moderne varianten, die op veel plaatsen aandacht krijgen zoals ieder op Internet kan vinden. Bijvoorbeeld door “non-dualism” of “nondualism” in te tikken in een zoekmachine. Er gaan hele websites over!
Dan kan het waardevol zijn een historisch overzicht en systematisch inzicht te hebben van eerder uitgewerkte mogelijkheden. Alvorens een eigen perspectief te ontwikkelen.
23 maart 2006

Philip Renard, Non-dualisme: De directe bevrijdingsweg, Cothen (Felix Uitgeverij) 2005, 333pp.
Shunryu Suzuki, Niets is zo, Deventer, Ankh-Hermes, 2002

Ik kan het nog niet geloven! Hier is een boek van een Nederlandse auteur die in heldere taal - en dat wil bij dit onderwerp wat zeggen! - uitlegt waarom de traditie van non-dualisme zo belangrijk is. En meer, veel meer. Tot nu toe kende ik de auteur voornamelijk - ik wist niet dat hij inmiddels meer vertalingen op zijn naam had staan - van zijn in 1985 bij uitgeverij Karnak verschenen vertaling van het Evangelie van Philippus die mij trof door een treffende intuďtie voor en knappe weergave in woorden van de gnostische spiritualiteit die in dit Evangelie zo treffend naar voren komt.
Met de traditie van non-dualisme wordt - in mijn eigen woorden - bedoeld de leer van de identiteit van het relatieve en het absolute alsmede van de volledige verwerkelijking van het absolute in het relatieve, ieder moment opnieuw (ik zal verderop aanduiden waarom het non-dualisme zo relevant is). Kort samengevat: wat onderscheiden kan worden, is in de grond toch één. Het absolute is de grond van alles maar kan niet door ons als object worden waargenomen, niet als vast te leggen los feit. Het is tegelijk wel (als - impliciete! - mogelijkheidsvoorwaarde van alle mogelijke verschijnselen) en niet (niet als - expliciet! - 'losstaand' object) waar te nemen: de waarnemer neemt altijd tegelijk 'zichzelf als een relatieve met het absolute samenvallend' waar in dit geval. We moeten wel concluderen dat we er alleen één mee kunnen zijn: ons kleine bewustzijn verbonden met, uitgaand van, uitdrukking gevend aan het grote Bewustzijn, of ook het Niets zo u wilt. Deze traditie is vooral tot uitdrukking gebracht, als waardevolle praktische levensleer en levenspraktijk, vanaf het vroege Mahayana Boeddhisme, in de Advaita Vedanta (zich baserend op de niet-boeddhistische Upanishads - de kroon op de Indiase Veda's - die het non-dualisme niet expliciet maar wel in nuce bevatten, maar beďnvloed door het genoemde boeddhisme), en in de latere Mahayana-boeddhistische tradities van Ch'an (Zen) en Dzogchen, respectievelijk Chinees (Japans) en Tibetaans; ten slotte ook in meer recente uitlopers van deze tradities. Maar dat wil niet zeggen dat het non-dualisme een typisch Oosters verschijnsel is, of alleen tot deze tradities beperkt is gebleven. Het non-dualisme - letterlijk: de traditie van niet-tweeheid - heeft vooral in genoemde tradities een meer expliciete theoretische aandacht gekregen, en tot een ononderbroken traditie van leraren en leerlingen geleid. Maar het niet-dualistische besef komen we net zo goed in alle andere culturen tegen, ook in het Westen.

Het non-dualisme is belangrijk als de verwoording - in Oosterse terminologie - van een universeel inzicht, en een fantastisch waardevolle tegenhanger van fundamentalisme van welke soort dan ook. Het vormt een verwerking van de ervaring dat we zowel onderscheiden zijn van (alle) 'andere' verschijnselen als ermee verbonden, en probeert iets uit te drukken over de wijze waarop dat onderscheid en die verbondenheid zijn gebaseerd of waar ze in bestaan. Het inzicht is dat ieder moment opnieuw door ons als individuen een net gelegd wordt over de werkelijkheid: zodra we waarnemen (steeds weer opnieuw), hebben we bewust en onbewust maatstaven in werking gesteld die de dingen die we zien, “inkaderen” in voor ons begrijpelijke vormen. Dat net, die vormen, die kaders geven ons een interpretatie van de werkelijkheid waar we wat mee kunnen, anders zou het te vormeloos voor ons blijven, te ongrijpbaar. Er is een directe samenhang tussen onze taal en die kaders: door de dingen te benoemen blijken ze de betekenis te krijgen waarmee of waarbinnen wij ze kunnen hanteren. Onze taal hangt op haar beurt weer nauw samen met onze cultuur, de gewoontes van onze groep, van onze taal- en leefgemeenschap. Toch is er ook de ervaring dat we van het ene taalspel, de ene leefwereld, over kunnen stappen naar de andere, die met elkaar kunnen vergelijken en ze verder ontwikkelen vanuit steeds nieuwe perspectieven. Het aantal mogelijke interpretaties is (theoretisch) oneindig. Non-dualisme vestigt de aandacht op het feit dat alle verschillende 'taalwerelden' of 'netten die ons bewustzijn over de werkelijkheid legt' kennelijk een universele mogelijkheid veronderstellen die iedere nieuwe 'wereld' of iedere nieuwe 'bewustzijnsvorm' dan wel het overstappen van de ene naar de andere mogelijk maakt. Daarbij vraagt het zich af wat het zelf is van ons mensen, en denkt na over wat je van die universele grond die alles mogelijk maakt (door de een het universele Zelf of Bewustzijn genoemd en door de ander het Niets of de Grond van alles) zou kunnen zeggen - of is dat onmogelijk? Wat is werkelijk, wat is schijn?
Non-dualisme heeft daarbij tegelijk aandacht voor vooronderstellingen die - bewust of onbewust - gehanteerd worden en voor taal en praktische gedragingen en culturele gewoonten die daarmee precies samenhangen. Het is daarom een begrijpelijke tegenhanger van fundamentalisme (tenzij je het op zijn beurt als een dogma gaat opvatten!). En daarom aantrekkelijk voor allen die gevangen hebben gezeten in dogmatische gevangenissen van welke aard dan ook, psychisch, fysiek, spiritueel. En ook erg geschikt als hulpmiddel in (of ter voorbereiding van) gesprekken tussen verschillende culturen en religies, of tussen mensen met verschillende achtergronden. Non-dualisme staat overigens niet een relativisme voor, het heeft alleen wel een scherp oog voor wat betrekkelijk is in onze vooronderstellingen, maar zonder die bij voorbaat te veroordelen. Non-dualisme biedt ruimte om de dingen goed te leren zien, maar het vestigt ook aandacht op de praktische kant van dat zien, en op de in ons gedrag en alle andere praktische verschijnselen verborgen patronen met al hun consequenties. Hoewel in dit boek de Oosterse verwoording centraal staat - die is het best ontwikkeld - wil dat niet zeggen dat het inzicht niet ook elders voorkomt. Ook in het Westen zijn vele voorbeelden aan te halen van aandacht voor bijvoorbeeld polariteit en evenwicht, voor de grenzen van de taal in verband met de patronen van gedrag en cultuur, enzovoort. Ook in de sfeer van godsdienst, filosofie en psychologie en kunst en letteren. Maar in het Westen heeft dit niet geleid tot een ontwikkelde traditie of tradities, al moeten we de diverse onderstromen in de Westerse cultuur niet onderschatten die intuďtief besef hadden voor het feit dat er meer 'waarheden' mogelijk zijn, en voor de wijze waarop zij dat uitdrukten, zij het vaak meer impliciet dan expliciet. Het Westen is toch vaak gekenmerkt door wat fundamentalistischer stromingen dan het Oosten, vermoed ik. Al blijft dit altijd een kwestie van hoe er mee wordt omgegaan. Zogenaamde fundamentalisten kunnen heel ethisch handelen, en zogenaamde non-dualisten of open mensen kunnen enorme egoďsten blijken.

De auteur is zoals hij in de inleiding vertelt, zelf een lange weg gegaan om zich in deze theorie en deze praktijk te scholen, vooral bij leraren in de Advaita Vedanta traditie, of daardoor geďnspireerd. Maar hij heeft dat zo diepgaand gedaan dat hij in dit boek veel meer doet dan de mogelijkheid vertellen die voor hem is opengegaan. Hij omschrijft diepgaand wat de kern van deze tradities en deze opvattingen is, hoe ze misverstaan kunnen worden en wat ze niet zijn. En spreidt daarbij een diepgaande kennis van de menselijke psyche ten toon, en van de manier waarop wij onszelf met woorden voor het lapje kunnen houden. Met andere woorden dat het in deze traditie uiteindelijk om de praktijk gaat. Ook dat het er vooral om gaat, op te houden met zoeken omdat het Uiteindelijke al gegeven is in de ervaring die ons van moment tot moment wordt aangereikt. Het gaat er dus ook om niets tussen de werkelijkheid en onze ervaring in te stoppen, geen vooroordelen, geen concepten, geen onwrikbare doeleinden. Maar vooral 100 % een zijn met onze Grond en met wat Zich aandient, te weten (in) alle zaken die ons veranderlijke bestaan van moment tot moment vullen.
In de eerste twee delen van zijn boek geeft hij voor wie hier nog niet goed van op de hoogte waren, maar ook voor degenen die dachten dat ze er al heel wat van wisten, een buitengewoon mooi overzicht van de hierboven al genoemde tradities. Hun overeenkomsten, hun verschillen enzovoort. Daarbij maakt de auteur gebruik van vele goede recente literatuur. Die hij dus allemaal gelezen, verwerkt en nu ook voor anderen inzichtelijk gemaakt heeft! Hij behandelt ook vele praktische en theoretische vragen die bij vele lezers en lezeressen wellicht al waren opgekomen, en die de afgelopen decennia, maar ook nog recent, zijn gerezen over de theorie en de praktijk van deze Oosterse religies, en onvermijdelijk deels ook over de verhouding van Oosterse en Westerse cultuur, zover we die al voortschrijdend in de geschiedenis nog verder blijven onderscheiden (en dat in het verleden op basis van meer beperkte kennis al onderscheidden).
Ook behandelt hij in een korter derde deel de bekendwording in het Westen van genoemde Oosterse tradities.
Nogmaals, wat de auteur hier biedt, is nog in geen enkel werk zo goed gedaan, nergens ter wereld, zo ver mij bekend althans en dat zegt mogelijk niet zo veel als ik zou willen. Inhoudelijk is het enige vergelijkbare - ook door de auteur verwerkt - het boek van David Loy,
Non-duality, dat de thematiek filosofisch uitwerkt en dieper op de schijnbare aporieën let die in halfslachtig non-dualisme voorkomen, maar die in het volledige non-dualisme in het juiste perspectief komen te staan.

De eerste twee delen, tot en met bladzijde 162, acht ik van een zeer hoog niveau. Zowel spiritueel, vanwege de zuiverheid van benadering, als vanwege de erin neergelegde reflectieve verwerking. De auteur is geen vakfilosoof in de academische betekenis (zeer geoefend in een nauw omschreven gebied van academische filosofie en toch ook op de hoogte van de verschillende mogelijkheden en scholen van filosoferen) maar zijn analyses zijn steeds grondig en verhelderend, ook van taalgebruik, en bieden meer diepgang en subtiliteit bij dit onderwerp dan je bij veel geoefende (academische) vakfilosofen zult vinden. Er zullen in de toekomst ongetwijfeld vele nieuwe filosofische studies mogelijk zijn op de in de in dit boek beschreven terreinen, bijvoorbeeld taalanalytisch. Maar wat de auteur hier aan inzichten op een rijtje zet, geeft blijk van diepgaande verwerking van het belangrijkste materiaal, en wat nog meer is, het biedt aanknopingspunten aan de geschoolde en niet-geschoolde lezer. Ik moet wel zeggen dat het boek van Renard niet een "page-turner" is voor wie niet al een beetje in deze tradities of in Oosterse levensbeschouwing geďnteresseerd zijn. Het is anderzijds ook goed opgebouwd en niet al te moeilijk.
Dit boek is een prestatie van de eerste orde, zonder meer van wereldklasse, zeer informatief, zeer overzichtelijk, evenwichtig in de verhouding van theorie en praktijk. Het boek verdient mijns inziens onmiddellijk een vertaling in het Engels, zij het dat het tweede en derde deel dan wellicht in een kleiner lettertype als aanhangsel gedrukt zouden kunnen worden.

Juist omdat het gaat om het opdoen van ervaringen die inzicht verruimend en stimulerend zijn voor het leven, dus met het oog op de praktijk, is het vierde deel van het boek over 'de geleidelijke integratie van het directe' interessant. Daarin komen nog specifieker de eigen kwaliteiten en inzichten van de auteur als praktische leraar naar voren. Ook dit deel maakt de indruk rechtstreeks uit eigen ervaring voort te komen, zover ik vergelijkbare ervaringsmogelijkheden heb verkend. Een oordeel geven over de auteur als praktisch leraar valt buiten mijn competentie, dunkt me, al lijkt me een interessante vraag of het laatste deel van zijn boek en zijn werk als praktisch leraar voldoen aan de "vijf kenmerken ofwel criteria" (hij noemt ook ergens de mogelijkheid van een zesde) die de auteur zelf in de eerste delen als essentieel naar voren brengt. Maar het begint met luisteren, luisteren, en blijven luisteren, vermoed ik … Niet alleen naar leraren uiteraard, net zo lang tot we mede dank zij hen naar "alles" (hebben leren) luisteren.
Nederland, gefeliciteerd met zo'n fantastisch boek en zo'n inzichtrijke leraar!

Voordat ik afsluit met enkele verwijzingen en vragen over seksualiteit, vermeld ik ook het waardevolle notenapparaat alsmede de lijsten met uitstekende primaire en secundaire literatuur. Er zijn daarbij heel wat boeken die ik nog niet gelezen heb, maar ik wijs ook graag op een auteur die een prachtig voorbeeld (in dit geval uit de Zen-traditie) is van iemand die spreekt vanuit een non-dualistisch omgaan met bewustzijn, taal en werkelijkheid, namelijk de twintigste-eeuwse Shunryu Suzuki van wie ik enkele boeken al op deze site (zie de literatuurlijst Zen en Oosters en Westers denken) noemde, en hier voeg ik daar graag zijn Nederlandse uitgave Niets is zo (Deventer, Ankh-Hermes, 2002) toe waarin de lezingen uit zijn laatste jaren zijn verzameld. Om een aanbeveling van de uitgever te citeren: "Suzuki's woorden lijken niet van buiten te komen maar maken de stem in jezelf wakker." Instemming!

Enkele verwijzingen en vragen in verband met seksualiteit, naar aanleiding van de tekst van Renard.

Natuurlijk gaat het om de praktijk en om hoe het nu met deze tradities en met het non-dualisme als zodanig, juist ook hier in het Westen, en nog specifieker in Europa (van Oeral tot Atlantische Oceaan) en Middellandse-Zeegebied verder gaat. Ik noteer dat de auteur in de inleidende tekst op zijn website (eveneens goed geschreven, informatief en evenwichtig van inhoud en benadering) seksualiteit en seksuele energieën als oefengebied niet uit de weg gaat, eerder nadrukkelijke aandacht geeft. Dat is in het Westen niet zo gebruikelijk en valt daarom op. Misschien kan ik ook zeggen dat het Westen zich daarmee tekort doet. Feit is overigens dat het Westen - zacht uitgedrukt - moeite heeft gehad met een plaats geven aan seksualiteit (speciaal los van het belang van fysieke voortplanting). Denk alleen maar aan Westerse geestelijken (overigens niet de enigen in de wereld) die helaas regelmatig het nieuws halen vanwege grensoverschrijdingen "in functie", waarbij bovendien meestal vrouwen en kinderen slachtoffer zijn. En derhalve is het belangrijk dat iemand het eens anders benadert. Ik citeer het volgende gedeelte uit genoemde inleiding:

"
Integratie, ook in het seksuele


Wat hiervoor beschreven werd over het tweede niveau komt in feite neer op de noodzaak tot integratie. Een van de gebieden waar integratie misschien wel het meest nodig is is seksualiteit, de verhouding tussen de beide geslachten.
Waarom het meest nodig? Omdat er waarschijnlijk geen kracht is die meer klevend of hechtend is dan de seksuele, of liever gezegd de seksueel-emotionele, het hele gebied waarin wij ons emotioneel en lichamelijk toevertrouwen aan een ander persoon. Dit toevertrouwen, in welke mate dit ook maar wordt aangedurfd, gebeurt vanuit de behoefte om een einde te maken aan een diep gevoel van iets te missen, van eenzaamheid en pijn. Bij dit toevertrouwen, met alle kwetsbaarheid die dit met zich meebrengt, kun je het meest intense genot beleven, maar ook de diepste psychische pijn. Juist de combinatie van genot en pijn maakt dat het seksueel-emotionele zo’n bindende factor vormt; het is misschien wel de grootste obstructiemogelijkheid voor bevrijding. Vandaar dat in veel tradities totale onthouding van seksualiteit aangeraden of zelfs voorgeschreven wordt.
De drie genoemde non-dualistische tradities, Advaita, Dzogchen en Zen, schrijven niet perse celibaat voor, maar ze zijn geen van drie bepaald uitgesproken over de seksuele kant van het bestaan (en als ze het wel zijn, is dit vaak in negatieve zin). Dit heeft tot gevolg dat juist waar de identificatie met de persoon het sterkst is, op de kwetsbaarste plek, waar je met lichaam en psyche geraakt kan worden door een ander persoon en waar je je kinderlijke patronen van afhankelijkheid en machtsdrift kan tegenkomen, de aanwijzingen ontbreken om ook hier Besef te hebben van Non-dualiteit, van je wezenlijke natuur.
Om deze reden wordt er bij de persoonlijke begeleiding in de stichting wel aandacht gegeven aan het seksueel-emotionele, om in ieder geval de mogelijkheid te bieden dat een oprechte blik geschonken wordt aan iets dat geneigd is in het verborgene een eigen leven te leiden. Als persoon ervaar je jezelf altijd als ‘man’ of als ‘vrouw’: altijd is dit het uitgangspunt bij de dualistische identificatie met het lichaam. Dit kan niet genegeerd worden. Het man- of vrouw-zijn moet ten volle omarmd worden, en verbonden met waarheid en liefde.
De seksuele ontmoeting is op zich niet een hindernis voor vrijheid; alleen het denken en fantaseren maakt dat deze iets onzuivers kan zijn, iets dat mogelijk met macht en leugen gepaard gaat, waardoor vrijheid bedekt blijft. Vandaar de noodzaak om in de intieme ontmoeting alle gedachten en emoties over te geven aan de Allerhoogste Levenskracht, zodat ze gezuiverd kunnen worden.
Zo kun je terugkeren naar werkelijke onschuld. Dan hoeft er niets meer bedekt of verborgen te blijven, en straalt ook hier het natuurlijke dat je bent. Dan kan er een bereidheid optreden, of zelfs een enthousiasme, om alle geneigdheden aan te kijken, ook in de gebieden die privé zijn en vaak nog aan het eigen oog onttrokken."

Dit lijkt mij van groot belang. Wel vraag ik me - zonder enige praktische pretentie te hebben op dit voor mij voornamelijk uit de Westerse context bekende gebied - ten eerste af hoe dan rekening gehouden wordt niet alleen met individuele aspecten, maar ook met culturele. Met andere woorden, seksualiteit is nu eenmaal iets wat in iedere cultuur met voor die cultuur specifieke gewoontes, opvattingen, rituelen, taboes enzovoort omgeven is. Bovendien is de relatie tussen seksualiteit en (non-)dualisme bepaald niet onbelangrijk, als we het Westen met het Oosten vergelijken (zie mijn lezing 'Verlichting en het niet-dualistisch omgaan met tegenstellingen'). Simpel gezegd: seksualiteit is in veel culturen een ideologisch minder zwaarbeladen - zij het niet met minder, maar met andere zorg en specifieke aandacht en regels omgeven - onderwerp dan in het christendom, en minder in onwrikbare regels gefixeerde praktijk dan in de islam of het jodendom (om ons tot deze drie godsdiensten te beperken, want ik vermoed dat dit geldt voor de meeste godsdiensten naar hun fundamentalistische kant bekeken). Over de geschiedenis van de seksualiteit, zeker als het gaat om eenzijdige klemtonen bijvoorbeeld in het Westen terwijl er meerdere accenten en evenwichten mogelijk zijn (zie onder andere de in mijn Voorbij het Patriarchaat aangeduide problemen), valt net zo'n uitgebreid boek te schrijven als over die van het non-dualisme en dualisme op andere gebieden.
Bekend is ook dat seksueel misbruik of een dubbele moraal (ook) in het Westen grote vormen heeft aangenomen, niet het minst onder geestelijken, en ook onder Westerse leerlingen van twintigste-eeuwse leraren met Oosterse inspiraties zijn gevallen bekend dat dit tot problemen heeft geleid. Verantwoordelijkheden die aan seksuele relaties vast zitten hebben nu eenmaal per (culturele of maatschappelijke of persoonlijke) definitie een mogelijke impact die (eventueel veel!) groter is dan de individuele verantwoordelijkheid kan dragen - het hangt natuurlijk af van de betekenissen die eraan gehecht en de praktische implicaties die ermee verbonden kunnen zijn. Hoe wordt gekeken naar seksualiteit in relatie tot het eventuele resultaat (de vruchten) ervan, kinderen, of juist los daarvan? Wat zijn spirituele en materiële aspecten en mogelijke vruchten in beide gevallen, en hoe verhouden zich die tot elkaar? Hoe worden deze zonodig sociaal van enige waarborgen voorzien? Zijn dit punten die in de bedoelde oefeningen 'meegenomen' zijn? Zoja, hoe, en zonee, met welke gevolgen?

En - als tweede punt - wanneer de auteur in diezelfde inleiding met nadruk als doel van zijn stichting aangeeft het voorkomen van sektarisme in welke vorm dan ook, lijkt het me belangrijk dat dit niet alleen opgevat wordt als betrekking hebbend op inhoudelijke leerstellingen maar ook op de vaak onbewust optredende onderscheiden die men al gauw in groepen maakt tussen binnen- en buitenstaanders en en de uiterlijke vormen die men daar ongemerkt aan geeft: taalgebruik, soorten kleding, de eigen vrijheden of taboes hoger achten dan die van anderen, enzovoort. De stap van seksualiteit als ideologisch zwaarbeladen onderwerp of als in onwrikbare regels gefixeerde praktijk naar speerpunt van bewustwording zal bijvoorbeeld voor veel christenen en joden - en Westerlingen in het algemeen en islamieten - nogal groot en dus zorgvuldig moeten zijn! Over non-dualisme gesproken!
Ik wijs er aanvullend nog op dat juist de laatste decennia duidelijk is geworden dat in het oudste christendom, dus nog voorafgaand aan de dominantie van de kerkelijke vorm ervan sinds de vierde eeuw, de houding ten opzichte van seksualiteit flink in discussie is geweest, zie bij voorbeeld het in zijn eindredactie asketische Thomas-evangelie dat terugkeer naar de onschuld (ook bij Renard een belangrijk thema!) bepleit en het - aan Renard bekende! - Evangelie van Philippus (dat seksualiteit juist als polariteit waardeert, zij het als lagere afspiegeling van hogere spirituele eenwording). (Een heel leesbaar en waardevol boek dat op veel verwante zaken ingaat, is - zie mijn recensie via de link - Jezus & Maria Magdalena van Lisette Thooft.)
Een ander cultureel verschil tussen Oost en West is het verschil in maatschappelijke verankering van spiritualiteit, die is in het Westen veel meer bepaald door de actuele maatschappelijk-politieke rol van de godsdienst (zie mijn bespreking van een boek van Silberer.) Zover Duintjer (zie onder) terecht vraagt naar de maatschappelijke aandacht van de Advaita-traditie, zal een bewuste stellingname van de auteur op dit punt wellicht ook een behulpzame verduidelijking kunnen geven.
23 maart 2006 / 26 maart 2007

Douwe Tiemersma (red.), Bruno Nagel, Otto Duintjer, Advaita Vedanta: De vraag naar het zelf-zijn: Symposium 2000, 127pp.

Dit boekje is het mooi uitgegeven verslag van een symposium uit 2000. Nagel legt de basis met een inleiding in de geschiedenis van de aan de Advaita Vedanta ten grondslag liggende tradities en geschriften en ideeën. Tiemersma licht de actuele betekenis van de traditie toe en Duintjer zet een aantal kritische kanttekeningen erbij: kun je wel spreken van een absolute staat van bewustzijn zoals dat hier vaak gebeurt, is de rol van de goeroe wel goed doordacht of zijn er vragen bij te stellen, en is men in deze traditie toch niet erg ongeďnteresseerd in een optimaal verloop van het aardse leven? Het boekje bevat een weergave van enkele basisteksten, en noten bij de lezingen alsmede interessante punten uit de discussie na afloop van de lezingen. Het symposium trok zoveel belangstelling en was zo geslaagd dat er inmiddels meerdere symposia met vervolgonderwerpen zijn gehouden waarvan de verslagen in boekvorm genoemd zijn op de
site hierboven genoemd in de bespreking van Tiemersma's Naar de openheid. Op die site - net als in het hierboven besproken boek van Renard - ook veel informatie over basisteksten, vertalingen, en verdere al dan niet inleidende literatuur.
23 maart 2006

Harish Johari, LEELA: Spel der kennis, Amsterdam (Karnak) 1979,[ inclusief spelbord,] 174pp.

Ik noem dit boek hier alleen omdat het een illustratie is van de op p. 49 in het besproken boek
Naar de openheid van Douwe Tiemersma genoemde opvatting van de werkelijkheid als een spel, lîlâ of (hier vanuit het Engels:) leela. De mens, speler van het spel, doorloopt de oneindige mogelijkheden van de werkelijkheid die hier samengevat zijn in getalsmatige en ruimtelijke ordening, ook in verband met de chakra's, energie-centra in ons lichaam. Dit doorlopen kan zowel via het spel gesimuleerd worden als via het lezen van de met de verschillende vakken op het bord coresponderende hoofdstukken van het boek. Deze geven verschillende fases weer, en hebben spirituele thema's tot onderwerp. Zo blijkt ook hier weer hoeveel er in Nederland al enkele decennia geleden werd opgepikt en uitgegeven van wat de Indiase religieuze tradities te bieden zouden kunnen hebben, en dat ook nu in een duidelijk(er) perspectief blijkt te passen.
23 maart 2006

Ria Kloppenborg, Helga Tromp, Jeroen Vellekoop, Anne van Voorthuizen (red.), De Bhagavadgita: Sanskriet tekst met vertaling, noten en inleiding, Utrecht (Faculteit der Godgeleerdheid, Universiteit Utrecht) 1997, (Utrechtse Theologische Reeks 35), 143pp.

Ik noem dit boekje hier omdat het mogelijk weinig bekendheid geniet, een erg informatieve en toch korte inleiding (met literatuuropgave) van Anne van Voorthuizen biedt over de oorsprong van de tekst en over de verschillende manieren waarop deze in de Indiase geschiedenis is uitgelegd en tot een standaardvoorbeeld van een hindoeďstische tekst is geworden. Ik neem aan dat vertaling en noten waardevol zijn naast de andere Nederlandse uitgaven van dezelfde tekst. Het is de neerslag van een project van docent en studenten dat onder de ongetwijfeld bezielende en zorgvuldige leiding van Ria Kloppenborg tien jaar geduurd heeft. Zij is enkele jaren geleden overleden en was hoogleraar godsdienstwetenschappen in Utrecht.
23 maart 2006



Retour naar overzichtspagina gelezen teksten


Google
"To Serve Divine Wisdom, in Full Awareness of Death and Life
Waiting for Her unmistakable Signs,
Tapping from and Revering the Source of True Healing, the Kingdom of Complete Eternity
Manifesting Always through All Polarities and Changes Here and Now" (Kalliopeia)

Ieder apart wezen compleet en diep één met zijn eeuwige grond, verbonden in één gewaar-zijn


URL: http://www.bk-books.eu/lezen25.html
Version 3 = latest revision of 30 August 2006 (Version 1: 10 March 2006)
© 2006 Boudewijn Koole; copying admitted
in case acknowledgement is provided (at least reference to site: www.bk-books.eu and with link to url (unique resource location or web-address) of the text copied or referred to; if wished so with your valuation)