Wie is er bang voor nieuwe klanken?: Persoonlijke ontmoetingen met de muziek van de twintigste eeuw, Vertaling Anthony Fiumara,[ met woordenlijst, bronnen en discografie van de auteur,] Amsterdam (Cossee) 2005, 192pp.
[Actual links referring to this page or parts of it:
Enkele voorlopige detailopmerkingen. In de noten op de website (zie bovenstaande gegevens) ontbreken die bij hoofdstuk II.8. Op p. 167 van het boek komen twee kaartjes voor waarop twee verschillende invasieroutes (I en III) van Indo-Europeanen zouden staan maar de kaartjes zijn identiek tot en met de routes.
Enige literatuur van uiteenlopende aard en kwaliteit - maar in het verband van de thematiek niet oninteressant - die ik niet heb ontwaard in de overigens fenomenale lijst die op de website apart (en verwerkt in de noten) te vinden is: Cristina Biaggi, Habitations of the Great Goddess (belangrijk; behandelt de verering van de Grote Godin en haar tempels op Malta en op de Orkney- en Shetlandeilanden ten noorden van Schotland, in onderlinge vergelijking), Rita M. Gross, Buddhism after Patriarchy; Rosalind Miles, The Women's History of the World, Ajit Mookerjee, Kundalini, Vivianne Crowley, Terug naar het heidendom?, Lucy Goodison, Moving Heaven and Earth, Camille Paglia, Het sexuele masker (erg belangrijk), Judith Schuyf, Heidens Nederland, Sonja Rüttner-Cova, De Matriarch, Otfried Eberz, Sophia und Logos (intensieve aandacht voor zowel historische feiten als culturele implicaties). Verder sommige literatuur genoemd - helemaal onderin de pagina - in de site van Han Marie Stiekema.
Een wens over de literatuurlijst. Deze is onverdeeld in een aantal prachtig overzichten per onderwerp of cultuur. Wat nog eens wetenschappelijk uitgewerkt zou moeten worden - in ieder geval iets wat de nodige inspanning en tijd zou vragen - is een beredeneerde literatuuropgave. Een overzicht van de belangrijkste literatuur met daarbij een toelichting wat de sterke en zwakke punten zijn en waar je het vooral goed voor kunt gebruiken en waar niet. Naarmate duidelijk wordt waar zwakke en sterke punten van vroegere onderzoeksters en onderzoekers lagen én waarom, blijkt een nieuwe visie wetenschappelijk ook beter te verdedigen. Omdat zij meer feiten verklaart.
Over het subjectieve aspect zal ik hier verder zwijgen om de eenvoudige reden dat dit mij iets lijkt voor iedere lezeres en lezer zelf. Dat wil ik niet voor anderen invullen. Het is uit dit boek wel duidelijk dat daar vele aanzetten voor te vinden zijn in de studie van de moedercultuur en de overgang naar de vadercultuur die haar afloste.
In een helder en veelzeggend interview heeft de schrijfster aangeduid wat dit onderwerp en het schrijven van dit boek haar zelf gedaan hebben. Ik verwijs naar de aparte webpagina op deze site met dat interview. Ik voeg hiernaast mijn vermoeden toe dat wie zaken als de verhouding van vrouwen en mannen aan de orde stelt, wellicht rekening moet houden met meer dan gewone belangstelling voor het eigen gedrag in allerlei opzichten. Dat was althans mijn ondervinding in de jaren na publicatie van mijn boek Man en vrouw zijn één in 1986.
Wat mij betreft: ik wil mijn persoonlijke weg er steeds minder een laten zijn van het bijhouden of vergroten van kennis dan van het intensiever ruimte laten en tijd nemen voor de weg naar 'binnen', en naar de mensen die ik ontmoet, en het samen met die mensen wegen gaan die ik als goed ervaar voor mezelf, die mensen en zo mogelijk de mensheid, in voortdurende afstemming. Want daarvoor moet je 'buiten' wel een beetje relativeren en loslaten althans in de zin waarin je gehecht was aan het beeld dat je van jezelf in die buitenwereld omhoog meende te moeten houden. Je kunt niet alles weten, zeker de uiteindelijke antwoorden op vele vragen niet. Je kunt wel leren omgaan met het leven, in de zin dat je door ervaring en goed 'luisteren' respectvoller, milder, minder zelfingenomen kunt worden.
Wel licht ik hieronder in een tweede paragraaf graag toe hoe sommige objectieve en subjectieve vragen bij mijzelf in het verleden door elkaar liepen. Een derde paragraaf heeft de kwetsbaarheid van het onderwerp als vertrekpunt. En ik eindig met een vierde paragraaf met wat slotopmerkingen. Deze paragrafen zijn ontstaan uit alles wat de boeiende publikatie van Annine van der Meer bij mij deed opborrelen. Bij voorbaat mijn excuses als dat een soms eigenaardig karakter draagt, of nogal eens verwijst naar teksten die ik eerder publiceerde. Mijn verwerkingsproces terzake is kennelijk niét afgerond.
II Een voorbeeld van een mengeling van objectieve en subjectieve vragen die raken aan (de) onderwerpen in dit boek
Ik ben opgegroeid in een cultuur waarin de vaders het voor het zeggen hoorden te hebben. Weliswaar hoorden vaders idealiter ook vrouwelijke kanten in zich te hebben, maar vooraanstaande rollen zoals koning, profeet en priester waren uitsluitend voor mannen bedoeld. Vrouwen waren dienend, mannen leidend. Merkwaardig is dat het religieuze ideaal van de verlosser in de persoon van Jezus de Christus alle idealen verenigde, zowel de vaderlijke als de moederlijke (behalve in zijn fysieke gestalte). Maar als het om concrete politieke beslissingen ging in publieke zaken - over geld, bezit, huisvesting, rangorde etcetera - beslisten officieel alleen mannen. Zoals ik ook opgeleid werd om predikant te kunnen worden in een kerk waarin alleen mannen die rol konden vervullen. Dat zat mij niet lekker - hoewel ik aanvankelijk ook niet graag afstand nam van het ingebakken idee dat ik de invloed zou genieten die bij de betreffende positie hoort - want vrouwelijke aspecten stonden mij erg aan in de godsdienst. Van barmhartigheid, verbondenheid en intuïtie tot mystiek, vroomheid en gnostiek.
Door toeval leerde ik van mijn promotor Gilles Quispel dat de verhouding van het mannelijke en vrouwelijke al van oudsher een belangrijk thema in de godsdienst van Israël en in het christendom was. De mens was naar het beeld van God als man en vrouw geschapen, en daar was de eeuwen door op voortgeborduurd: God is ook man en vrouw. Ik onderzocht de androgynie (manvrouwelijkheid) in het christendom die dit uitwerkte, in de oudchristelijke evangeliën van Thomas en Philippus, in het werk van de achtste-eeuwse filosoof en kerkvader Johannes Scottus Eriugena, in de voorganger van deze drie, de hellenistische Jood Philo van Alexandrië, en in de moderne tijd bij de mystieke filosoof en theosoof Jacob Boehme (die op zijn beurt een serie esoterische, alchemistische en mystieke voorgangers en opvolgers had in christendom en Jodendom). Dit thema van de androgynie bleek in de tweede helft van de vorige eeuw voor velen een inspiratiebron te zijn om na te denken over de verschillende manieren waarop mensen vorm hebben gegeven en opnieuw vorm kunnen geven aan het vrouw zijn en het man zijn. Op alle niveaus van biologisch en psychologisch tot sociaal en spiritueel. Tegelijk met de opkomende vrouwenstudies die ontdekten dat er voor allerlei vragen al aanzetten tot antwoorden bestonden of dat in allerlei wetenschappen, nieuwe aanzetten te vinden waren. En ook was er een brede stroming van vooral vrouwen maar ook mannen die in oude 'heidense' vormen van religieuze cultuur waardevolle moederlijke en vrouwelijke aspecten (waarden, rituelen, levenswijzen) herkenden. Het bleek dat dit alles een vraag opriep - eeuwenlang verborgen of zelden publiek beleefd maar sinds anderhalve eeuw opnieuw naar voren gebracht - naar de voorgeschiedenis en de vooronderstellingen van de patriarchale waarden en verhoudingen die in de huidige cultuur domineerden. Ik schreef mijn eigen toenmalige ontdekkingen en vragen op in het boek Voorbij het patriarchaat. Het ging er om niet alleen terug maar ook vooruit te kijken, voorlopig telkens opnieuw in afwisseling en combinatie. We leven in een tijd dat enorme variaties in culturen zichtbaar worden, maar ook dat meer variaties dan ooit uitgeprobeerd worden, ook op het gebied van vrouwen- en mannenrollen. Want welke staan vast, welke zijn uitwisselbaar? Hoe spelen jongeren, volwassenen en ouderen van nu daar in allerlei landen en bij allerlei gelegenheden en in allerlei aparte omgevingen daar hun serieuze spelletjes mee die nu eenmaal horen bij de dualiteit - misschien wel multipolariteit - van vrouw en man zijn? In jezelf, met anderen, in de eigen cultuur, in de grotere wereld?
In deze context is voor mij het lezen van dit nieuwe boek van Annine van der Meer een feest. Zoveel staat er mooi op een rijtje in wat ik graag als jong mens in de vijftiger en zestiger jaren had willen lezen en weten. Weliswaar verscheen in 1966 het leerzame boek Vóór de bijbel van de geleerde C.H. Gordon in de Aulareeks (in mijn exemplaar staat dat ik het op 3 november van dat jaar aanschafte) maar hierin stonden de uiterst interessante feiten over de gemeenschappelijke voorgeschiedenis van de Griekse en de Hebreeuwse beschaving niet direct in de context van de onmiskenbare omslag van prepatriarchale - laat ik maar 'moederlijke' of 'moederculturele' zeggen - naar patriarchale - oftewel 'vaderlijke' of 'vaderculturele' - waarden, mythen, sociale verhoudingen, politieke en godsdienstige rituelen, volkscultuur en volksreligie. In het nu voor ons liggende boek wordt die samenhang wel volstrekt duidelijk. Adembenemend vaak. Want als we moeten concluderen dat de moedercultuur door de omslag naar de vadercultuur is weggeschreven dan leidt dat wel tot vragen. Het beeld van God de Vader bestaat als onwrikbare waarheid al minstens 2500 jaar (de vestiging van het Joodse monotheïsme) tot 1500 jaar (de vestiging van het kerkelijke, met Griekse filosofie onderbouwde christendom als staatskerk in het hele Romeinse Rijk). En nu blijkt niet alleen de Jahwe van Israël getrouwd geweest te zijn (zoals ik in Voorbij het patriarchaat ook meldde, 149) maar blijkt de moedercultuur een overgang meegemaakt te hebben naar de vadercultuur die van stap tot stap te volgen is.
En - zoals ik ook nog verdedigde in mijn stelling bij een lezing in 2002 - het interessante is niet minder dat in de vadercultuur allerlei resten van de moedercultuur zijn blijven voortleven. Ik zou ook niet weten hoe het anders moest. Hoe kun je zo iets belangrijks als de vrouwelijke of moederlijke helft van je geschiedenis uit je bewustzijn weghouden? In mijn proefschrift (1986) schreef ik: 'Historisch gezien is één van de vragen of aan het patriarchaat een matriarchaat is voorafgegaan en hoe deze overgang terug te vinden is in de geschiedenis' (261, met verwijzing naar o.a. een studie van Heide Göttner-Abendroth; ik kwam hierop terug in een lezing in Rome in 1990). Welnu, het blijkt dat we die 'historie' alleen maar kunnen vergeten houden als we haar wegmoffelen als 'schriftloze prehistorie' - alsof plaatsen, beelden, graven en voorwerpen maar weinig zeggen - en als we de teksten die de (late) moedercultuur nog (enigszins) weergaven, als relatief onbelangrijk beschouwen nadat we vele ervan eerst omgesmeed hebben tot vormen die de vadercultuur representeren en verdedigen. Dat is wat in feite is gebeurd en van stap tot stap aangetoond wordt. Godinnen en goden en de mythen over hen zijn de weerspiegelingen van onze innerlijke idealen, en de verandering ervan. En inderdaad, je kunt ze als machten en energieën ervaren die ons beïnvloeden zo niet beheersen (waarbij het er uiteraard om gaat 'aan de goede kant te staan' en 'met deze ervaringen te leren leven en omgaan'). Dat deden mensen altijd en dat doen we nog altijd. En die veranderende verhalen weerspiegelen de veranderingen in onze cultuur, in dit geval enkele duizenden jaren geleden van moedercultuur naar vadercultuur. En het huidige - vooral door patriarchale, vaderculturele elementen gedomineerde - evenwicht lijkt nu weer ter discussie te komen. Historisch gezien volkomen terecht. En waar zal dit praktisch toe kunnen leiden? Daarmee komen we op een aantal vervolgvragen terecht die natuurlijk wel het impliciete belang en de betrokkenheid van de schrijfster raken, maar die zij in dit toch al omvangrijke werk niet allemaal uit heeft kunnen werken of systematiseren. Vele ervan stelde ik al in Voorbij het patriarchaat aan de orde (zie onder de lemma's 'matriarchaat', 'manvrouw-verhouding', 'cultuur' en 'patriarchaat' in het register, 212-213).
Bij een herlezing van het boek van Annine van der Meer zou ik wel eens een overzicht willen proberen te krijgen van de rollen van mannen in de moederculturen. Of is het materiaal dat Campbell's De held met de duizend gezichten bevat, al uitgebreid genoeg? Ze komen nu wel aan bod als figuren op de achtergrond (tijd van de grottenschilderingen), als bijlopers en later dienaren (iets later) tot rivalen en heersers (overgang naar de vadercultuur) maar wat waren in al die periodes hun waarden, hun dagelijkse rollen en taken, hun voorrechten (altijd gewoon meeprofiteren?!) en uitdagingen? Als je het bekijkt van de kant van individuele vrouwen en mannen, wat waren dan in de verschillende moeder- en vaderculturen de typisch vrouwelijke en de typisch mannelijke rollen, of zijn dit er eigenlijk minder dan we zouden denken - zodat je misschien zou kunnen concluderen dat de waarden van de moederculturen voor mannen en omgekeerd de waarden van de vaderculturen ook voor vrouwen belangrijk zijn geweest, te weten in principe mogelijk en ook gerealiseerd?
Een essentie van mijn persoonlijke ervaring van nieuwe ontwikkelingen in relaties, zelfbeelden, cultuuropvattingen, rolmodellen enzovoort, is dat het goed is dat individuen en onderscheiden groepen (zoals vrouwen en mannen) allemaal hun eigen ruimte nemen om zich te ontwikkelen, maar dat je dat uiteindelijk ook samen doet en alleen samen verder komt. Welke perspectieven worden vanuit de nu herontdekte geschiedenis zichtbaar voor die aparte en gezamenlijke rollen en ontwikkelingen? Hoe solidair zal de nieuwe cultuur van veranderende mensen - vrouwen en mannen - onderling worden? Feit is dat ook los van de nieuw ontdekte geschiedenis minstens de laatste twee eeuwen, culminerend in de laatste decennia in de Westerse wereld, heel veel problemen aan de orde zijn geweest rond de herwaardering van de positie van vrouwen, van (on)gelijke salarissen tot de aantallen vrouwen in hoge functies (klinkt allemaal nog erg vanuit de vadercultuur gedacht!). Zal in de komende ontwikkelingen van Europa werkelijk aandacht zijn voor variatie in die soort rollen en de multiculturele aspecten daarvan?
Zoals gezegd, persoonlijk hecht ik er op dit moment aan om mij wat terug te trekken op de integratie in een 'hele'- geheelde en helende - levenservaring en levenshouding van wat ik inmiddels ook heb leren waarderen als moederculturele aspecten die op mijn pad kwamen uit bijna heel de wereld - wie herkent in de sfeer van bepaalde plaatsen of bepaalde gebouwen, laat staan levende wezens, niet een waardevol 'ander' aspect van onze ervaring en onze werkelijkheid dan de cijfers en kengetallen waarmee de mannelijke benadering de werkelijkheid poogt te vangen? Dit andere aspect mogen we gewoon weer moederlijk of vrouwelijk noemen, zij het dat we ook hier verschillende niveaus of liever dimensies kunnen onderscheiden! - of die binnen onze vadercultuur nog een plek hadden, en die in oude of nieuwe vormen hier en nu mogelijkheden bieden. Zoals Willigis Jaeger zegt: “Religie is de voltrekking van ons leven.” (in een documentaire over zijn leven en werk, Boeddhistische Omroep Stichting, 6 februari 2005). Natuurlijk ben ik voor een scherpe handhaving van logica en zorgvuldige definities waar dat mogelijk en geboden is, maar dat neemt niet weg dat beide altijd ingebed zullen zijn in het grotere, soms onbekende dat hen omvat (om Wittgenstein te variëren). Sterker, (iets wat Wittgenstein niet met die woorden zei, naar ik meen) het 'magische' zoals dat eeuwen geleden genoemd werd, omvat het rationele. Het rationele kan wel de weg voor het nog belangrijkere vrijmaken. Maar zelf heeft het de energie en de richting nodig die het magische van de ervaring van het meer omvattende - of we het nu willen of niet - verschaft. Als we geboren zijn leven we in die magische wereld, en die wereld blijft in wezen altijd beschikbaar en bereikbaar - tenzij we dat systematisch ontkennen en onze ogen ervoor sluiten (iets wat er vaak heel magisch uitziet, dat dogmatische, rigide gedrag). Ook als het om 'moeder' en 'vader' gaat, net als om 'vrouw' en 'man' en hun afleidingen. Want dat zijn prachtige voorbeelden van containerbegrippen die heel verschillende ladingen kunnen hebben. Omdat we nu eenmaal te maken hebben met een wereld waarin we van het ene uiterste naar het andere 'pendelen', en waarin evenwicht een waardevol goed is, iets dat je zeker van toepassing mag achten als het om genoemde polariteiten gaat.
Maar we moeten wel onderscheid maken tussen het rationele en het magische, en niet doen alsof het magische bij voorbaat rationeel te omschrijven of te verklaren valt, of het rationele bij voorbaat te vervangen valt door het magische. Binnen de rationele functie geldt als rationeel alleen wat rationeel te formuleren valt, binnen de magische laten we de magie voor zich spreken en geven we er ons persoonlijke of collectieve - maar niet bij voorbaat in rationele termen geformuleerde - antwoord op. Ten uiterste zal de magie ons dieper aanspreken dan de ratio (tenzij we alleen maar meer antenne hebben voor de magie van de ratio) maar in situaties waar rationaliteit een belangrijke functie heeft, zullen we ratio met magie in overeenstemming willen brengen, door aan beide zoveel mogelijk recht te doen, als het niet anders kan zelfs door ze - met alle risico's vandien - enigszins of ver uit elkaar te houden, in tijd en/of ruimte of hoe dan ook.
III De kwetsbaarheid van het onderwerp
Deze paragraaf is meer beschouwend, voor liefhebbers.
Het is voor niemand gemakkelijk, stel ik me voor, iets te zeggen over een boek dat een intrigerend en minstens vroeger vaak discutabel onderwerp behandelt door er zo'n kolossale hoeveelheid feiten over te geven in een samenhang die tegelijk verbluffend en voor mij en wellicht vele anderen een betrekkelijk nieuwe eigen interpretatie biedt van die feiten en dus van de betekenis van dat onderwerp. Feiten en interpretatie staan nooit los van elkaar, dus is alleen al het kort omschrijven van het onderwerp een subtiele kwestie waar vele gevoeligheden aan vast zitten die al gauw vergeten worden in de poging om er iets overkoepelends en treffends over te zeggen. Laat ik daarom eerst aangeven waarom het onderwerp discutabel is geweest. Sinds de negentiende eeuw is naar voren gebracht de veronderstelling, gebaseerd op een beperkt aantal onmiskenbare feiten, dat de ondergeschikte rol van de vrouw die vrijwel overal als normaal werd beschouwd, niet alleen niet vanzelfsprekend per definitie zo hoorde te zijn als de geschiedschrijving en de dominerende opvattingen weergaven maar dat er zowel historisch (en prehistorisch) als qua culturele opvattingen alternatieve patronen geweest zijn van rollen van de vrouw die veel positiever waren. Die rollen waren alleen zo anders en de feiten erover nog zo beperkt dat men zich al gauw te buiten ging aan fantasieën en interpretaties erover, zowel ter verklaring van de historische feiten als ter illustratie van nieuwe actuele betekenissen. Dat werd nog versterkt door zowel de ingrijpende functie die vrouwenrollen en mannenrollen ten opzichte van elkaar in elke vroegere en huidige samenleving hebben als door de bewuste en onbewuste belangen waardoor de opvattingen van de betreffende schrijvers werd gestuurd, althans beïnvloed.
Wanneer je daarbij optelt dat er allerlei standpunten ontwikkeld werden om typisch mannelijke vooroordelen aan te wijzen of typisch vrouwelijke te ondersteunen (en vice versa) en dat het om soorten onderwerpen gaat die wetenschappelijk moeilijk in een kader te gieten zijn waar ieder het bij voorbaat eens is, dan wordt het al heel moeilijk om overzicht te blijven houden. Zodat visies daar consistent blijven met concrete feiten en inconsistente visies zich baseren op fantasieën en beperkte hoeveelheden feiten. Dit probleem doet zich per definitie voor in gebieden als de archeologie en de antropologie zonder welke de hier bedoelde feiten moeilijk interpreteerbaar zijn. Niettemin worden ook ten aanzien van het onderwerp waar we het hier over hebben, meer vorderingen gemaakt dan sommigen zich hebben gerealiseerd of misschien zich wilden realiseren. Althans mijn ervaring en oordeel zijn dat dit boek de kolossale, zelfs overstelpende hoeveelheid feiten niet alleen recht doet maar er ook een visie aan verbindt die in het algemeen hout snijdt, toetsbaar is, en de discussie mogelijk maakt over de werkelijk belangrijke zaken. Dat houdt mogelijk in dat veel vooroordelen nu naar het rijk der fabelen verwezen kunnen worden en dat de discussie en het leren nu kunnen gaan over wat er werkelijk te leren en te bespreken valt. Dat zou een geweldige prestatie zijn. Of het zo is, moet ook ik afwachten. Het hangt van de ontvangst van het boek af en van hoe de discussies gaan lopen, zowel in als buiten de wetenschap. Maar voor mij is onmiskenbaar dat er nu grote stappen gezet kunnen worden in vergelijking met de vroegere halfslachtige en vaak bevoordeelde onderzoeken en discussies. In dit boek worden heel veel goede aanzetten uit het verleden op een boeiende manier verwerkt, en tegelijk laat de schrijfster ruimte voor onbevooroordeelde aandacht voor de feiten en voor een voortgaande discussie over de betekenis van de feiten. Waarbij zoals gezegd vele aspecten waaronder de belangrijke economische, sociale en culturele in één samenhang aan de orde komen, zij het dat over de manier waarop de wisselwerking tussen samenhang en aanwezige feiten nog veel onderwerp van meningsverschillen en discussie zal blijven.
En de feiten en hun impact hebben betrekking op een inderdaad omvangrijk en uiterst relevant aantal aspecten dat het fundament van alle beschreven culturen en samenlevingen raakt, want dat is de rol van de vrouw en het vrouwelijke zonder meer, blijkt hier. En dus zaken als de voortplanting, de economie, de riten en mythen, de kunsten, de beleving van de seizoenen, de levenscyclus en dood, begrafenis en (weder)geboorte, de eenheid van natuur en cultuur enzovoort enzovoort, met deze rol als scharnier. Het is ongelooflijk om te ontdekken hoe in de vele feiten over tienduizenden jaren zowel een grote samenhang als een grote ontwikkeling zit in deze rol. En hoe deze rol sinds de ontwikkeling van het schrift, en van de omslag naar een heerschappij van mannen en van maatschappijen met geschreven wetten en religieuze boeken, is weggepoetst (of aangepast) ten gunste van de nieuwe ontwikkelingen. Daarmee komen uiteraard allerlei vragen aan de orde over de mate waarin onze huidige samenlevingsvormen in al dezelfde aspecten dezelfde vermannelijking zijn blijven vertonen, of er resten zijn overgebleven van de oudere vrouwelijkheid, en ook of de nieuw ontdekte verschillen tussen het actuele accent op mannelijke dominantie en het daaraan voorafgaande misschien geen onomkeerbaar iets geweest is maar op meer mogelijkheden wijst dan velen zich tot voor kort realiseerden (mogelijkheden die aansluiten bij die vroegere fase die nu weer ontdekt wordt, en bij wat daarvan onder de oppervlakte tijdens de fase van mannelijke dominantie is blijven leven of is overgeleverd, of zelfs mogelijk geheel nieuwe verhoudingen in de toekomst). En ik moet toegeven dat skepsis ten aanzien van de nieuwe bevindingen gerechtvaardigd blijven zolang ze niet gepaard gaan met concrete toepassingen die net zoveel hout snijden als de nieuwe visie op de geschiedenis. Het gaat in de praktijk nu eenmaal om meer dan om mooie woorden en beelden.
Maar laat ik mij niet begeven op het pad van diegenen die in het verleden veel te vlug fantastische nieuwe interpretaties meenden te kunnen bieden of stappen meenden te kunnen zetten. Ik ben blij dat ik behoor tot degenen die met onder andere Gilles Quispel, de bekende hoogleraar kerkgeschiedenis en tevens promotor van onder andere de schrijfster van dit boek en van mij, ervan doordrongen zijn geraakt dat voor vele betekenissen van vrouwen en het vrouwelijke - zowel historisch als actueel maatschappelijk en spiritueel, onder andere van de zogeheten zwarte madonna's waarvan hij er zovele samen met zijn vrouw en kinderen opzocht - veel te weinig aandacht is geweest. Ik realiseer mij natuurlijk ook dat dat nieuwe bewustzijn bij Jungianen, spirituele feministen en vele anderen, soms in intuïtie bleef steken en ook wel werd uitgewerkt op een wijze die van vooroordelen niet vrij was of zich op erg weinig feiten en vage theorievorming baseerde. De geschiedenis van die bewustwording moet nog worden geschreven. Maar zij bood mij en anderen wel de zekerheid dat er op dit gebied nog veel te doen en te ontdekken viel, juist ook omdat sommigen anderen er zo heftig tegen waren of met onbegrip of erger reageerden. Doodzwijgen bijvoorbeeld. In dit nieuwe boek heb ik een stevig begin van onderzoek en visievorming waar ik naar kan verwijzen, dat is voor mij een groot winstpunt ervan. Het onderzoek en de meningsvorming en beeldvorming en uitwerking op allerlei gebieden kan nu met kracht voortgezet en uitgebreid worden. Laat de discussie maar losbarsten. En vraag vooral de schrijfster van dit boek veel cursussen te geven en lezingen (zoals reeds te vinden op de website van het boek) om de verschillende onderdelen te illustreren, en de aangetoonde verbanden nog aanschouwelijker te maken. En het gesprek erover aan te gaan.
Voor mij persoonlijke is de 'matriarchale' vrouwengodin en haar matriarchale spiritualiteit - met klemtoon op verbondenheid van alles en iedereen, met niet bepaald geringe ethische implicaties! - tot nu toe de bodem gebleven van of liever de beste verwijzing naar de spirituele ervaring waarin (en dát!) ik mij thuisvoel. Of liever die mij het gevoel geeft (behalve in mijn bewustzijn dat 'ik' die vervreemdende ervaring nodig had om 'zich' echt bewust te worden) van THUIS. Je kunt het 'vreemde' alleen maar ervaren als je van 'thuis' weet, dat kent, daar (in wezen) bent. En aangezien je maar heel beperkt bent, noemden wijze voorgangers dat vaak en terecht 'niet-weten'.
IV Nogmaals: de inhoud en de impact
Ten slotte wil ik aan de hand van titel en de ondertitel van het boek laten zien wat ik als belang ervan zie. De titel is wat dit betreft niet erg onthullend. Ik leid er uit af dat het gaat over de reductie van '(God de) moeder'-beeld tot 'Venus'-beeld, en vervolgens de verandering (eveneens teruggang? Of vooruitgang? Of alleen omzetting?) van 'Venus'-beeld tot het (christelijke) 'madonna'-beeld. Wat we er wel min of meer aan vast kunnen knopen is dat het boek de geschiedenis van de moeder en haar opvolgers slechts behandelt totdat de vadercultuur goed en wel heeft ingezet, hoogstens tot en met de Middeleeuwen maar eigenlijk nauwelijks daarna. Na de ondergang van God de moeder houdt het boek dus in grote lijnen op, met een enkele uitzondering zoals de hoofdstukken over Sophia, over Maria en over de Zwarte Madonna's, overigens op zich geen kleine onderwerpen. Die inperking heeft het toch al omvangrijke boek waarschijnlijk goed gedaan. Het belangrijkste is gezegd, de basisfeiten en de hoofdlijnen van de interpretatie zijn geëxposeerd. Tegelijk betekent dit wel dat er nog heel wat vergelijkbaars en nog heel wat uitwerking kan volgen.
Met de ondertitel geeft de schrijfster mijns inziens aan dat zij in dit boek de geschiedenis van de moedercultuur die in de vadercultuur weggepoetst was, weer zichtbaar maakt. Na dit boek is die geschiedenis beslist niét meer verborgen! Althans wat mij betreft, gaat het er nu om die zichtbaarheid niet meer te ontkennen maar ons rekenschap te geven wat de moedercultuur (en haar verborgen voortzetting) ons te zeggen en te doen geeft. Wat we van onze vadercultuur vinden, en hoe we onszelf nu begrijpen en welke kant we in de toekomst op willen met deze verschillen en mogelijkheden, want de nieuwe zichtbaarheid impliceert die!
Een ander aspect dat met de ondertitel samenhangt, een probleem waarop ik in de paragraaf over de kwetsbaarheid van het onderwerp al inging, is dat je wel over moet willen stappen van de traditionele visie die de moedercultuur wegpoetste naar een erkenning ervan. Je moet haar willen zien zoals ze in haar eigen kracht en symboliek functioneerde. Het zichtbaar maken van de geschiedenis is een proces van bewustzijnsverandering die niet alleen plaats vindt op het vlak van wetenschappelijke paradigmaverandering (met nieuwe ogen - willen - kijken naar dezelfde feiten) maar die ook zo zeer sommige vooronderstellingen en grondslagen van ons huidige denken en van onze huidige samenlevingsvorm en cultuur raakt dat het niet voor iedereen gemakkelijk zal zijn om met andere ogen te kijken. Eenvoudig omdat het de eigen positie of de vooronderstellingen waarop die positie gebaseerd is, te zeer in de waagschaal stelt. Omdat het (nog) te pijnlijk kan zijn om zogenaamde vaste waarheden op te geven. Dat hebben we vaker gezien in de geschiedenis op momenten dat veranderingen zich aankondigden. Het duurde vaak lang voordat nieuwe feiten en waarheden geaccepteerd werden; eerst moest de weg een beetje geëffend worden (lees: de toekomstige verliezers moest een min of meer acceptabele uitweg geboden worden, of het nu om gevoelens en opvattingen of eigendommen of posities ging). Nogmaals: dit boek laat zoveel zien en stelt zoveel aan de orde dat ik hoop dat dat niet verloren gaat in een reductie tot een bijstelling van de lengte van onze geschiedenis of de visie daarop. Het gaat hier echt wel om meer, mag ik hopen. Zoals ik ook al aan de orde stelde in Voorbij het patriarchaat en enkele lezingen (zie die uit 2002, met ook expliciete stellingen over interpretatie van een onderstroom in de Westerse godsdienstgeschiedenis als 'matriarchaal', en die uit 1990 op mijn website).
Het is onmiskenbaar. De 'moeder' is weggemoffeld uit de geschiedenis. Maar zij zit helemaal in ons, zowel in vrouwen als in ons mannen. Evenals de schrijfster heeft ervaren dat de godin een levende werkelijkheid is als haar inspiratie voor ons gaat leven, heb ook ik in het verleden ervaren hoe Sophia symbool van een levende werkelijkheid was - trouwens ook voor de personen wier teksten ik bestudeerde. Ook wij mannen weten wel beter, als we ons oppervlakkige dan wel eenzijdige mannelijke bewustzijn even kunnen relativeren. Maar opnieuw: wat hebben die beide veranderingen, van onze erkenning van de moeders en van vrouwen en het vrouwelijke in de geschiedenis, en van onze erkenning van andere soorten van bewustzijn dan het intellect dat logisch kan analyseren en combineren, met elkaar te maken? Vanuit het intellect is die vraag niet goed te beantwoorden omdat het intellect beperkter is dan het 'grotere' bewustzijn dat meer omvat dan het intellect, namelijk ook de intuïtie, de emotie, de ervaring van het alomvattende en van het oneindige, van de ervaring van de eindigheid van het begrensde bewustzijn dat is ingebed in 'werelden die zijn begrip verre overstijgen. Vanuit het grotere bewustzijn, het bewustzijn van de verbondenheid van alle verschijnselen via ons eigen geworteld zijn in die grond, in dat fundamentele (bewust)zijn, kan dat wellicht beter omdat we dan beseffen dat elk antwoord weliswaar beperkt en onvolledig blijft, maar dat we altijd op die grond van het grotere bewustzijn blijven staan. Dat geeft ruimte en stevigheid.
Ten slotte, ik merk graag op dat ik vragen formulerend, alternatieven overwegend en uitwerkingen suggererend de eigen visie van Annine van der Meer in de kern steeds blijf bevestigen als een waardevolle en begaanbare weg die uit te werken valt (iets dat niet onkritisch hoeft te gebeuren). Ook zonder dat haar stelling (wellicht nog niet op alle punten en in alle opzichten) rationeel onderbouwd is, wijst alles erop dat een wereldbeeld zoals zij dat bij zichzelf en bij ons met haar literatuur en blikken op de voortbrengselen van het verleden evoceert, een mogelijkheid is die aansluit bij diepe lagen in onszelf. Misschien toch eerst maar eens laten bezinken, en kijken waartoe het aanleiding geeft. Want zo kunnen we er van binnen uit iets mee, geleid door onze eigen ervaring. En wellicht nieuwe mogelijke uitdrukkingen vinden van culturen en landen die bij ons en onze toekomst passen. Van zowel de tot voor kort ondergewaardeerde moederland- als de nog altijd overheersende vaderland-leefwijzen en opvattingen. Te beginnen in onszelf - inderdaad, dat gaat héél diep. Maar het zal niet alleen een kwestie van innerlijke verandering zijn, en ook niet altijd eenvoudig.
Ik ben ook blij met dit boek omdat het naast andere weer een nieuw, interessant en toonaangevend product is van de Utrechtse school in het godsdiensthistorisch onderzoek, zoals Gilles Quispel (nu een maand geleden overleden) de impulsen noemde die van hem en Utrecht uitgingen voor het onderzoek naar het vroege christendom en de brede context daarvan en die door een niet gering aantal leerlingen en leerlingen van leerlingen (de schrijfster van dit boek was de laatste promovenda van hem in 1989) van hem werden opgepakt en in studies en publicaties en onderwijs en scholing werden omgezet. Die brede context omvat nu naast de geschiedenis van de Westerse gnosis en esoterie, het vroege christendom en de voorlopers en hellenistische context daarvan, ook de brede context van moedercultuur en vadercultuur waarin Gilles Quispel zich op zijn manier zeer interesseerde, omdat de moedercultuur een grote invloed heeft gehad op het oudste christendom en omdat zij in vele vormen van spiritualiteit in Europa is blijven voortleven. Annine van der Meer brengt die geschiedenis en die cultuur hier ongemeen duidelijk aan het licht in een kolossale expositie van boeiend materiaal en interpretatie. Mijn persoonlijke betrokkenheid is altijd die bij het christendom, het jodendom en de islam geweest, vooral de esoterische stromingen daarbinnen. Daar gaat dit boek minder expliciet over. Maar ik vind het er heel belangrijk voor. Ook behandelt het niet de Oosterse religies en hun moederculturele voorgeschiedenis, die er naar ik aanneem ook is, tenminste als ik Masao Abe mag geloven die als hij schrijvend over doel en toekomst van religie (in Zen en het Westerse denken, p. 204vv.) terecht komt op de mogelijkheid van een huwelijk van het 'moederlijke' boeddhisme en het 'vaderlijke' christendom (zie ook het hierboven genoemde boek van Rita Gross, dat deze verhouding anders ziet, maar een vergelijkbare beeldspraak en problematiek aan de orde stelt). Wellicht iets voor later?
13 april 2006