Lijst van gelezen teksten met commentaar van Boudewijn Koole 27

Lezen (of juist niet) 27!


Deze pagina bevat een lijst van sinds 2006 gelezen teksten met commentaar.

Retour naar overzichtspagina gelezen teksten

Gelezen - sinds 2006-d

Read - since 2006d






Brian Hines, Return to the One: Plotinos's Guide to God-Realization: A Modern Exposition of an Ancient Classic, the Enneads,[ with Suggestions for Further Reading, Notes, Bibliography, Index,] Bloomington (Unlimited Publishing) 2004, 392pp.
Plotinos:
Enneaden / Porphyrius: Het leven van Plotinos, Vertaald en ingeleid door dr. Rein Ferwerda, Budel (Damon) 2005, 942pp.

[Voor de Nederlandse bespreking van beide boeken zie onder. Nu volgt eerst de Engelse bespreking van het boek van Hines.]

Plotinos (Latin: Plotinus) is not well known to the general public, much less than Plato in whose tradition he stands. Nevertheless Plotinos is well known in smaller circles on behalf of his enormous influence on Western mysticism, and not less as a very original philosopher. However his writings are not read very often outside the small circle of lovers. And this is understandable because what is left of them, is mostly restricted to an - although extensive - collection of loose and often smaller tractates, after adaptation bundled by his pupil Porphyrius. Due to Plotinos' influence on christian mysticism and on philosophy in its stricter sense many introductions to his work are written from those viewpoints, and so are rather christian-theological or more strictly philosophical. Too soon forgotten then is Plotinos' objective of a view of life that is to be lived, and this as well without reference to christian theology and without the modern opposition of philosophy and practice. Perhaps it might even be said that in so far the tradition of the hellenistic mystery schools was integrated or still got some place within the christian West, this mainly took place through Plotinos and the neoplatonism inspired by him.
Ofcourse it is possible to look at Plotinos in the ways described, and this even has become the norm for a long time in the past. But historically and practically it is possible to read the original Plotinos in a way which does not take those interpretations as the norm. A way which is other and at least as original. This is my opinion after reading Brian Hines book. However what I am not capable to do, is tracing exactly the accordance of his interpretation with Plotinos texts or rather with the system entailed and described in those. Nevertheless I have no argument at all to suppose that Hines' interpretation is not relevant or not correct. He uses the best known sources and resources (including important secondary literature), the same as are used by other scholars. Fascinating is that Hines' interpretation delivers a view in much more accordance with the old interpretation of philosophy as part of a spiritual school of life, such as were a reality in the Classic Age. As well as with the way of psychological development which we also meet in Indian philosophies. Plotinos is a very psychological philosopher.

In the first part of his book Hines gives a number of points to be attentive to in reading and interpreting Plotinos and his texts, as well as a justification of his method.
Then he summarizes the system of Plotinos in the form of chapters about aspects of his philosophy, selected and composed according to the way indicated in the system itself. First the aspects of the One and the Many, next the aspects of the way the soul goes from its descent from the One to the Many and its ascent from the Many back into the One. In this way the at first sight rather strange because rather technical philosophy of Plotinos becomes astonishingly “concrete” and actual, psychologically and spiritually profound. I recall the titles of a number of those chapters: God is the Goal, One is Overall, First is Formless, Infinity is Ineffable, Reality is a Radiation, Universe is a Unity, All is Alive, Truth is Transparent, Form is Foundation, Intelligence is Intuitive, Psyche is a Pilgrim, Descent is Debasement, Choice is Compulsion, Reason is Restricted, Image is Illusion, Suffering is Separation, Soul is the Self, Without is Within, Simplicity is Superior, Fear is a Fiction, Vision is Veracity. Very rich in content, these chapters are built around much cited and central statements and sentences from the works of Plotinos and present a clear interpretation of them in modern language within the context of modern ideas. Not just that many insights from philosophy and psychology are presented in passing but one now also sees how profound Plotinos' views are in comparison with these. And this in a way understandable to not only christians or professional philosophers but to everyone with interest in and some knowledge of modern (religious or spiritual) psychology and modern thinking about it.
Hines concludes his book with some chapters in which he elucidates some more general topics and problems, such as how to interpret the philosophy of Plotinos taken as a whole, how to interpret the relation between this neoplatonism and christianity, what might be the heritage of Plato and Plotinos and what might be the messages for us entailed in all this. That is to say for our search to find truth and regarding what we might or should be willing to invest to reach that goal.
His book ends with well described suggestions for further reading and / or study, and it comprises a good index.
Altogether this is a very valuable introduction into the original philosophy of Plotinos. Not difficult to read, nor does it reduce to meaninglessness the sometimes profound or complex questions that can be posed. On the contrary, this book is often elucidating and inspiring. Very much recommended.

De belangrijkste redenen om me in Plotinos te verdiepen waren (1) dat hij in een traditie staat van mystieke filosofie - om het voorlopig even heel breed te houden -, (2) dat hij als een belangrijk navolger van Plato beschouwd wordt mag ook niet onvermeld blijven al zullen sommigen zijn filosofie als een mystieke verwatering van Plato's meer gevarieerde en literair duidelijk beter geformuleerde vraagstellingen beschouwen, en (3) vooral dat hij niet alleen in het Westen veel invloed heeft gehad op de christelijke theologie en mystiek (en filosofie, ook de niet-christelijke) maar ook op de islamitische mystiek en filosofie, en (4) ten slotte maar niet het minst belangrijk dat er in zijn denken een aantal elementen aanwezig zijn die goed passen bij elementen uit het Indiase denken van het boeddhisme en de (Advaita) Vedanta. Plotinos meende namelijk dat wij met ons verstand ons kunnen richten op het ene dat de grond van alles is, en dat dus ook in ons aanwezig is. Dat ene gaat aan ons verstand vooraf, waarom het opgaan in het ene dus uiteindelijk ook een relativering van ons verstand inhoudt. Als je dat opvat als een relativering van het in onderscheidingen denkende, van het afgrenzende denken, het discrimineren en met discriminaties logische stappen zetten, dan lijkt dat inderdaad op de visie op de menselijke geest in het genoemde Indiase en later algemener Aziatische denken (uit genoemde scholen en hun latere tradities) dat vergelijkbare visies er op na houdt over Brahman en Atman, over Leegte en Werkelijkheid, en over de betrokkenheid van het menselijk bewustzijn in zijn diverse aspecten daarop.

Plotinos (Latijn: Plotinus) is bij het grote publiek niet heel erg bekend, veel minder dan Plato in wiens traditie hij staat. Toch is Plotinos in kleinere kring bekend om zijn grote invloed op de Westerse mystiek, en niet minder als origineel filosoof. Zijn geschriften worden echter weinig gelezen buiten de kleine kring van liefhebbers en dat is begrijpelijk, want wat er over is, beperkt zich voornamelijk tot een overigens omvangrijke verzameling losse traktaatjes en traktaten, die na bewerking gebundeld zijn door zijn leerling Porphyrius. Behalve de complete vertaling daarvan in het Nederlands door Rein Ferwerda - voor meer daarover zie onder - is er weinig direct toegankelijke lectuur die als inleiding kan dienen.Vanwege Plotinos' invloed op de christelijke mystiek en op de filosofie zelf is die lectuur ook in andere talen meestal vanuit die optiek geschreven, dus of nogal christelijk-theologisch of sterk filosofisch in engere zin. Dat het bij Plotinos om levensbeschouwing gaat die geleefd kan en moet worden, zonder christelijke theologie en zonder de moderne tegenstelling tussen filosofie en praktijk, wordt dan al gauw naar de achtergrond verdrongen of helemaal vergeten. Misschien kan zelfs gezegd worden dat in zoverre de traditie van de hellenistische mysteriescholen in het christelijke Westen werd geïntegreerd of nog een zekere plaats kreeg, dat voornamelijk via Plotinos en het door hem geïnspireerde neoplatonisme gebeurde. Zie ook mijn
bespreking van de Aansporing tot filosofie van Iamblichos, de andere beroemde leerling van Plotinos naast Porphyrius.

Nu is het best mogelijk om op de genoemde manieren naar Plotinos te kijken, en dat is zelfs de norm geworden. Maar historisch en praktisch gesproken is het mogelijk de originele Plotinos te lezen op een manier die van die latere interpretaties geen norm maakt. En die toch anders is en minstens zo origineel. Dat is mijn mening na het bekijken van het boek van Brian Hines. Wat ik niet kan, is precies nagaan of diens interpretatie klopt met de teksten van Plotinos of liever met zijn daarin genoemde systeem. Wel heb ik geen enkele reden om aan te nemen dat Hines niet een relevante interpretatie geeft. Hij gebruikt de best bekende bronnen en hulpmiddelen (waaronder secundaire literatuur), dezelfde die ook andere geleerden gebruiken. Het boeiende is dat die interpretatie van Hines een visie oplevert die beter past bij de oude opvatting van de filosofie als onderdeel van een spirituele leerschool, zoals die in de oudheid voorkwamen. En tevens van de psychologische ontwikkelingsweg die we ook in Indiase filosofieën (zie onder) tegenkomen.
Hines geeft vooraf een aantal punten om op te letten bij het lezen en interpreteren van Plotinos en zijn teksten, alsmede een verantwoording van zijn werkwijze. Vervolgens vat hij het hele systeem van Plotinos samen in de vorm van hoofdstukken over aspecten van diens filosofie, gekozen en geordend volgens de weg die in het systeem zelf is aangegeven: allereerst de aspecten van het/de Ene en van het/de Vele(n), en vervolgens de aspecten van de weg die de ziel aflegt bij haar afdaling uit het/de Ene naar het/de Vele(n) en haar opstijging uit het/de Vele(n) terug naar het/de Ene. Zo opgezet blijkt de op het eerste gezicht nogal vreemde want technische filosofie van Plotinos verbazend concreet en actueel, psychologisch en spiritueel diepgaand. Ik noem enkele titels van dergelijke hoofdstukjes: God is the Goal, One is Overall, First is Formless, Infinity is Ineffable, Reality is a Radiation, Universe is a Unity, All is Alive, Truth is Transparent, Form is Foundation, Intelligence is Intuitive, Psyche is a Pilgrim, Descent is Debasement, Choice is Compulsion, Reason is Restricted, Image is Illusion, Suffering is Separation, Soul is the Self, Without is Within, Simplicity is Superior, Fear is a Fiction, Vision is Veracity. Deze hoofdstukjes zijn opgebouwd rondom veelgeciteerde en centrale uitspraken uit het werk van Plotinos, en geven daar een duidelijke uitleg van in moderne en heldere taal. Je komt er niet alleen veel bekende interessante inzichten tegen uit de filosofie en de psychologie maar ziet nu ook hoe bijzonder en hoe diepgaand de visie van Plotinos is in vergelijking daarmee. En dit alles dus in een vorm die niet alleen voor christenen of vakfilosofen begrijpelijk is maar voor iedereen met interesse in en enige kennis van moderne (religieuze of spirituele) psychologie en van modern denken daarover.

Hines besluit zijn boek met enkele hoofdstukken waarin hij wat meer algemene vraagstukken verduidelijkt en bespreekt, zoals hoe je de filosofie van Plotinos nu samenvattend kunt interpreteren, hoe je de verhouding tussen dit neoplatonisme en het christendom kunt zien, wat de erfenis van Plato en Plotinos is en waar dit alles ons op zou kunnen wijzen. Te weten op onze zoektocht om de waarheid te vinden en betreffende wat we daarvoor over zouden kunnen of moeten hebben. Zijn boek sluit af met welomschreven suggesties voor verdere studie of leeswerk, en bevat een goed register.
Al met al een uiterst waardevol inleidend boek over de originele filosofie van Plotinos, een boek dat het verdient in het Nederlands vertaald te worden. Het is niet moeilijk geschreven, wat op zich al een grote verdienste is, zonder dat het de soms indringende of soms complexe vragen die gesteld moeten worden reduceert tot nietszeggendheden. Het is integendeel zeer aansprekend. Uitermate aanbevolen dus.

Dan nu aandacht voor de vertaling van de Enneaden door Rein Ferwerda, met inleiding. Voor wie zich wil verdiepen in de wijsheid en de denkbeelden van Plotinos, heb ik een aantal verdere verwijzingen opgezocht waar zij of hij veel aan kan hebben. Om te beginnen is er de inleiding van Ferwerda in zijn vertaling van de Enneaden. Daaruit kun je onder andere het volgende leren.
Zoals bij vrijwel alle filosofen, is er immers een nauwe samenhang tussen wat zij zeiden en schreven en hoe zij leefden, nog concreter, hoe zij lesgaven dan wel hoe zij met anderen communiceerden. Hoe zij lesgaven, hoe zij met gasten ontvingen die hen wilden spreken, hoe zij in het publiek optraden en hoe privé. Enzovoort. Dat is zeker voor filosofen die nadachten over het leven in het algemeen belangrijk, omdat je zo immers kunt zien en ervaren hoe zij hun denkbeelden vormden dan wel hoe zij er in hun eigen leven vorm aan gaven.
Ferwerda vertelt dat het lezen van Plotinos niet gemakkelijk is, omdat het gaat om losse teksten die nooit herzien zijn (Plotinos zag slecht). Toch hield hij er een duidelijk eigen wereldbeeld op na, met een heel systeem van aspecten die zich tot elkaar verhouden. Je doet er het best aan het hele systeem net zo goed op de achtergrond in gedachten te hebben als de concrete draad die Plotinos aan het spinnen is.
Iets anders dat je je goed moet realiseren, is dat Plotinos vaak blijk geeft van twijfels. Hij schaamt zich niet om een eenmaal gevonden redenering-met-conclusie waar hij rationeel helemaal achter kan staan, emotioneel toch te betwijfelen. Is het wel precies zo als hij nu heeft opgeschreven? En er kunnen wellicht nog meer redenen zijn om te twijfelen, zodat zijn teksten eigenlijk in werkelijkheid open zijn. Je moet er niet alleen het systeem in zoeken dat er zeker wel in zit, als vooral toch datgene wat Plotinos beoogde te zoeken, al filosoferend.
Ferwerda merkt op dat velen die Plotinos' teksten lezen, er alleen dat in lezen wat met hun eigen voorstellingen overeenkomt. Dat is begrijpelijk maar ook een grote valkuil. Want wat past nu het best bij wat Plotinos zelf zocht en meende? En dat zit dus niet altijd in de losse beweringen die hier en daar te vinden zijn. Je moet steeds dieper in Plotinos thuis raken, door steeds beter zijn teksten aan te voelen - hij schreef een merkwaardig apart soort Grieks, had een eigen taal- en woordgebruik - en door steeds beter te voelen wat hij echt bedoelde. De oppervlakkige gelijkenissen met sommige woorden en denkbeelden uit stromingen voor hem moeten dus grondig nagegaan worden. En gelijkenissen met Oosterse denkbeelden - die steeds opnieuw de aandacht vragen - en al helemaal gelijkenissen met denkbeelden uit de Westerse filosofiegeschiedenis na hem moeten zorgvuldig getest worden op wat er naar de letter en naar de geest zou kunnen kloppen. Velen na hem meenden dat zij hem navolgden maar was dat zo?
Na de uitvoerige inleiding van Ferwerda (met veel verwijzingen naar secundaire literatuur in de noten) en de door Ferwerda vertaalde inleiding van Porphyrius op leven en werken van zijn leermeester Plotinos (voor Porphyrius zie ook in de bespreking van de
Nederlandse vertaling van de Aansporing tot filosofie van Plotinos' andere grote leerling Iamblichos) komt dan de vertaling van Ferwerda van Plotinos' hoofdwerk, naar mijn ervaring steeds interessant om te vergelijken met andere vertalingen, zodat je je zelf een beeld kunt vormen van wat er bedoeld zou kunnen zijn. Soms kies je daarbij voor de interpretatie van Ferwerda, soms niet, maar dat geeft niet als je maar het gevoel hebt dat jouw keuze past bij de originele tekst waar alle vertalingen zich op baseren, en bij de opvattingen van Plotinos zoals hij die elders naar voren brengt. Dan kom je uiteraard in een gebied waarin de eigen opvattingen van de vertalers een rol zouden hebben kunnen spelen, maar waar je ook zelf een opvatting mag hebben over wat werkelijk door Plotinos bedoeld is, en wat jij er vervolgens zelf van vindt (overigens niet altijd dezelfde zaken!).
Ferwerda geeft verder een goed overzicht van de belangrijkste literatuur voor verdere studie, vooral de wetenschappelijke. Tevens een woordenlijst, en een namenregister. Engels en Nederlands lezenden zullen met de boeken van Ferwerda en Hines een heel eind op weg komen met de zelfstudie van Plotinos (zie ook de al genoemde bespreking van Iamblichos' Aansporing tot de filosofie.
Het is uiteraard van belang te zien dat Plotinos leefde in een tijd dat het christendom sterk in opkomst was maar haar gnostische vleugel nog niet definitief had uitgeroeid. Hoe de verhoudingen tot deze vleugel lagen, ook bij Plotinos' leerlingen, is voorwerp van nieuw onderzoek nu er zoveel nieuwe gegevens over bekend geworden zijn. Voor de relatie tussen Plotinos en de gnostici noem ik graag extra het boek van Th.G. Sinnige, Six Lectures on Plotinus and gnosticism, Dordrecht (Kluwer Acad. Publishers) 1999, 112pp.. Tegelijk is ook boeiend hoe precies allerlei van oorsprong niet-christelijke stromingen - van de klassieke Griekse filosofische tot Egyptische en vele andere godsdienstige invloeden, teveel om hier op te noemen - in meerdere of mindere mate onderdeel van het christendom zijn geworden of op een of andere manier, misschien ondergronds of via omwegen zoals de alchemie en het hermetisme, toch zijn blijven voortleven. Soms onder de aegis van de christelijke (mystieke) theologie maar soms wellicht ook met behoud van een zekere eigenheid in grote lijnen of in details.
Zonder ook maar enige pretentie dat het de beste of meest representatieve (vertalingen van) werken zijn - zij gaan deels uit van de verwantschap met of latere vormgeving binnen de christelijke traditie - noem ik los daarvan nog twee Engelse uitgaven en een Nederlandse van en over teksten die (minder of meer) in de traditie van Plotinos staand invloedrijk waren in de (vooral christelijke) Middeleeuwen: Boethius, The Consolation of Philosophy, Translated with an Introduction by V.E. Watts, Harmondsworth (Penguin) 1969, 188pp. (een goede inleiding is ook het artikel over Boethius in The Encyclopedia of Philosophy (1e druk), 328-330 over de invloeden op en de enorme invloed van dit genie op de Middeleeuwen; hij was meer dan alleen neoplatonist); Dionysius the Areopagite, The Divine Names and The Mystical Theology, Translated by C.E. Rolt,[ with extensive Introduction,] london (SPCK) 1977-8e druk (1940; 1920), 223pp.; Pseudo-Dionysius de Areopagiet, Over mystieke theologie: Vertaling en essay Ben Schomakers, Kok Agora (Kampen) 1990, 192pp. (dit laatste boek is vooral commentaar en interpretatie, de vertaling is maar een beperkt deel).
13 juni 2006

Jon Ma. Asgeirsson, April DeConick, and Risto Uro (eds.), Thomasine Traditions in Antiquity: The Social and Cultural World of the Gospel of Thomas, Leiden / Boston (Brill) 2006, xix + 307pp.; (= Nag Hammadi and Manichaean Studies vol. 59); te koop via Thomasine Traditions in Antiquity: The Social And Cultural World of the Gospel of Thomas (Nag Hammadi and Manichaean Studies)

Compared with the first decades after the publication (1959) of the Gospel of Thomas in modern languages, now we can experience in this superb and insightful publication a new phase in the academic study of this gospel, and not only of this one. At first sight not very different from other comparable publications, it is the result of colloquia about a subject from which the papers are now published. But then we have to mention the qualities of this group of academicians, working on more or less the same fields.They not only have incorporated all the work done at the Gospel until yet, but they bring its study further to an unbelievably large degree. This because of their new methodological frameworks (which as such I will not deal with here further) which not only are very promising but even now already bringing thrilling new perspectives and probable interpretations. And as we know, from the beginning of the publication of this Gospel the stakes were high: possible new views and insights about the historical Jesus being the most visible of those.
Interesting is that many of the articles begin with a history of the research and then follow up with the new methods and results that now become visible, not only applicable in this field of study in those of many texts and scriptures in Hellenistic times. I do however mention the article of April DeConick in which she illustrates her hypothesis that the Gospel of Thomas is built from the composition of “sayings of Jesus” into five speeches with a common pattern of begin and end, with the probability that later reworkings of the different sayings can be traced. From which also follows that she can offer a hypothetical 'original Gospel of Thomas', in which the later redactions are removed. Ofcourse implicit in this hypothesis is the possibility that new views can be traced about the intentions of the sayings and the Gospel as a whole. She argues that clearly an opposition can be traced to the Pharisees, and explains the famous saying 42 in this context meaning “Stay away from the teachings of the Pharisees” (meaning: the representatives of the 'old' Jewish rituals, traditions and scriptures). Surely insightful at first sight is her hypothesis that this Gospel represents the tradition of followers of Jesus who changed their intentions from Jesus' and his early followers' apocalyptic as well as “realizing-eschatological” and mystical views to less apocalyptic and more mystical views, because after the fall of Jerusalem and its temple in about 70C the expectation of the near end of the world changed into more emphasis on the role of Jesus as teacher of wisdom and enlightenment (already present from the first phase of the tradition of sayings of Jesus).
Another article I want to mention is the one by Vernon K. Robbins, which uses examples of the way of reasoning within Mediterranean wisdom texts, which way is also clearly used by the Gospel of Thomas, as well as for example in the synoptic gospels. An important notion of 'contrawisdom' comes to bear much fruit. For example in his analysis and explanation of the saying 14 that fasting, praying and giving alms will harm the disciples, of saying 13 that Jesus is not their teacher. What comes to light is that conventional wisdom will be surpassed by this contrawisdom without comparison. The secret knowledge to be found, is only found by seeking and finding (saying 2), that is by leaps of insight which a person can have if letting her- or himself awake by the words and inspiration of Jesus, and can not always be expressed in logical language. Because it opens up the totally new, uncomparable with the experience of this world, that is when one returns to the beginning before the beginning. The method examplified and used by Robbins again seems to be very promising to me. As very important I see his note at the end that this method should not be restricted to this small field or even that of Hellenistic texts but should be used to find a basis for analysis of and comparison with text from other cultures of the world, not only from different times in the West but also different times and places in the rest of the world and of history.
My restriction here to only these two articles is not justified in comparison with the rest of the book. There is not one article which is not very interesting in one or another way, often more ways. To give at least some hints, I have noted a few details from here and there, to get some appetite:

1. “Thomas does not need a story, a myth of origins … Those who made use of this gospel were convinced that the insights they enjoyed from the living Jesus (Prologue) could now pour forth from them just as authentically as it did, or does, from Jesus himself (13, 108).” (Patterson, p. 8)

2. “When Jesus urges the readers of Thomas to become passers-by, he tells them not to linger in this world, not to be caught up in the trap of conversation, or better, relations with the “living dead” all around them. … to reach their heavenly home above in the realm of light. … to return to the place of their beginning and their end, …” (Sellew, p. 73)

3. “So prominent are the parallels between Timaeus and the Gospel of Thomas in the context of the question about origins and creation … that it practically takes an effort to overlook them or ignore them. … The Gospel of Thomas does, indeed, share many features with philosophical texts of the Hellenistic age … Why not also the Greek and Hellenistic epic traditions? … What is “old” for the scribe in Matthew has a completely different reference than what is “old” garment in the Gospel of Thomas: two separate and distinct epic worlds.” “Thus, while the Gospel of Thomas certainly shows knowledge of the Hebrew epic and indeed, argues against it, it uses Greek epical motifs for its very own presentation.” (Asgeirsson, pp.169-171, 174)

4. “I agree with the approach of Richard Valantasis, who calls the theology of the Gospel of Thomas a performative theology. This theology, Valantasis affirms, emerges from the active response of readers and interpreters to the sayings of Jesus in the Gospel of Thomas, as these readers “construct their own narrative and theology linking the individual sayings into a cohesive text.” Hence, there may be no single authoritative interpretation of Gos. Thom. 42. Readers of the Gospel of Thomas are to discover for themselves what it means to become passersby.” “I suggest, like Dewey, that the historical Jesus spoke of passing by in aphorism … he also lived in those terms, as a Jewish preacher of wisdom with an itinerant lifestyle and a challenging rhetorical style. … Jesus encouraged listeners to encounter his words creatively, so that a call to passing by could entail a fundamental challenge to various aspects of everyday life.” (Meyer, pp. 265, 270)


One can say that in this book we see the outline of the new frontiers of the academic research in not only the Gospel of Thomas and the Thomasine traditions, but also in the history of Christian Judaism as the forerunner of more and more Hellenized Christian movements, traditions and cults (including the scriptures contained and carried further in the emerging “New Testament”) eventually of the establishing of catholic Christianity - only one of those traditions, albeit politically the most powerful one - as official religion of the Roman state, end 4th century. And not only in these areas of research but also in other Greek and Latin texts and traditions, including a variety of mystery religious texts, gnostic religious texts, philosophical and epic texts etcetera. To me it seems that the history of the birth of Christianity, Rabbinic Judaism, Manichaeism as well as Islam from their pre-Christian Judaistic and / or from their Hellenizing Judaistic and /or Greek and / or other roots needs to be written anew, now not from the perspective of later dominant traditions but from a thorough new study of the original texts and other data themselves. It seems that the role of Christian Judaism will be seen as more prominent within this context than thus far has been recognized generally, although at the same time the differences between the traditions will be described in other terms, if not the traditions themselves will be divided or subdivide otherwise or anew. For example the role of Jesus as “the only true prophet” in Thomasine traditions has much in common with comparable traditions in Manichaeism (relating to Mani) and Islam (relating to Mohammad), the last probably building further on, because influjenced by the Christian Judaistic traditions. And this will not be the only example.
Ofcourse this is a major achievement, to give insight in the new frontiers of these academic studies. But that these authors and their colleagues in the first part decided to organize their work together and come to so a fruitful collective effort, has to be applauded greatly. Hats off.
Apart from excellent notes, bibliography, and indexes this book contains a lot of references to important literature (recent) as well as new views of what was important literature in the century behind us. These are entailed in the notes and in the introductions of several articles. Remarkable is that many authors are very positive about recent studies of Richard Valantasis on place and meaning of asceticism in the first centuries of our era (see indexes and bibliography).
To my joy the sensitively and intuitively research of my teacher and promotor Gilles Quispel, who died this year at the age of 89 years in Egypt, still full of interest in the Gospel of Thomas, is mentioned in this publication with respect and sympathy and several times with confirmation (among others from April DeConick, who will have learned from his work through one of her teachers, Jarl Fossum, also a pupil of Gilles Quispel), together with the other pioneers in this field. The seed of the Thomasine spirituality which he sowed and took care of within me, is enlivened very much through this enormously interesting publication. I also see with joy that my former teacher Tjitze Baarda, well known for his learnedness, modesty and wit, has been a partner in the work of this important forum of researchers as a member of the steering committee. We joyfully have (had) a lot of information and inspiration available also within the Netherlands, it seems. So let's carry on!

Summarizing this review I only can repeat: superb, important, giving direction for future research and interpretation, with unmissable insights for the academic researcher as well as for the general reader of the Gospel of Thomas interested in its historical context and (spiritual) meaning.
17 July 2006

G. P. Luttikhuizen, Gnostic Revisions of Genesis Stories and Early Jesus Traditions,[ With Bibliography and Index of Ancient Texts,] Leiden / Boston (Brill) 2006, 208pp.

To be honest, I had hoped to find within this publication about important Gnostic texts from important stages in history more clues about the origins and history of Gnosticism and Christianity than I really did. The big framework of motives and development of Judaism, Christianity and Gnosticism within their very interesting Hellenistic context is not the subject of this study. It has a more specific subject and deals exactly with some special texts. Of course that might be interesting enough. But to me it does not clarify much about the practical context of the lives of the Gnostics who adhered to the views propagated within them. And not about the big picture within which the relevance of the studied special branch of Gnosticism could be formulated.
His main objective as a framework for interpretation is the Gnostic authors of the texts dealt with in this book as readers. Indeed this monograph, built up from partly rewritten articles, sketches a view of the framework in which the Gnostic readers of Jewish and Christian traditions interpreted - and accordingly changed - those traditions to be more in accordance with this framework. The author carefully opens up the probability of a “Christian” origin of Gnosticism. Gnosticism in the sense of what he calls the (very important) demiurgical-Gnostic tradition within Gnosticism, which is also called Sethianism and to which the Genesis stories and their Gnostic interpretation are central. These Christian Gnostics should be stemming from a background of Hellenistic schools of thought with Platonic-Aristotelic ideas about creation by a demiurge and of an absolute transcendent God which can not influence creation. At least we can understand that these ideas should lead to a confrontation with then existent more orthodox readings of the Jewish Scriptures by other Christian teachers and groups.

The way in which the author is arguing, is a joy in reading. His preference is to work bottom-up from the study of details to more general views, which prevents many problems which could arise after making bold conjectures without a thorough foundation in facts. And his way of reasoning is marked by sound logic which gives trust to the reader. The problem for him as for every student of Gnosticism and Hellenistic religions in general is that always new facts might come to the fore which could answer many questions and prove or disprove the truth of many suppositions and hypotheses which now are still needed to fill in the gaps of our knowledge. But he himself avoids - at least in this study - to give such hypotheses. We find good information about a lot of important details, but alas not very much imagination about the importance of the subject or of the broader context in which the details should be important as well.

Of course this first of all leads us to the central question of how many and what sorts of “Christians” were present in the first centuries, which texts they used and why etcetera, what was their position within society and culture and so on. Questions which are in full research and debate, and about which many books and articles are published and will still be published, now that so much new material has to be taken into consideration (not only Gnostic and other material from Nag Hammadi but also new evidence from Manichaean and other origins from West and East, Jewish-“Christian” and other, and often in between, for example partly as forerunners of later Manichaeism or Islam, or of mystical developments within those).
As said, the author's contribution is the above mentioned framework of Christian readers stemming from a background of Hellenistic schools of thought. This seems quite interesting to me, although to me the possibility of a Jewish origin of earlier versions of the same texts is not disproven and attention for a much broader context will likely help us much to understand what took place in reality.

As the author nowhere gives his exposé of the history of Gnosticism as he sees it, nor of Christian groups in the first centuries of the Christian era (although he refers to his work in Dutch language, De veelvormigheid van het vroegste christendom [English: The Pluriformity of the Earliest Christianity], 3d edition), it is not easy to discern his views of this history in general as he sees it.
In general this work is stronger in examining and assessing facts and theories of others, with interesting observations as a result, than in bold generalizations, conjectures or theories which could explain the many facts which now have come to our attention. One of his conclusions in the interesting Appendix - an interesting text about the relation of the figure of Elchasai and the Book of Elchasai to the Baptist community in which Mani grew up - is that the links between Syrian Jewish Christianity and Early Manicheans deserve more attention. To me however, this always will also influence the views of a more general history within which these facts should find their proper place. And this influence will lead to a very new picture - I assume - compared to the one known by the general public.

In general, this is a carefully written study about central texts of the “demiurgical-Gnostic tradition” (the author) which indeed are central texts to Gnosticism as a whole, it seems. For the most part the Apocryphon of John, a very important text indeed. The author concludes that the later versions of this text which are the ones now known, use their interpretation of the Genesis stories as proof for their Gnostic views in contrast to the views of other Christians, not Jews. So he does not need a Jewish origin of the later Christian text. But cannot disprove this either. He warns for conclusions made too rash.

In the second part of this work the author shows that regarding the interpretation of the teaching and the passion of Christ (for the most part in The Letter of Peter to Philip and the Apokalypse of Peter and the Greek Acts of John), the framework of the Gnostic authors as readers is comparable to that disclosed in the first part about the Apocryphon of John.
This is indeed very interesting to see. Because in this way a world opens up from within as it were. Of course this does not solve in one big strike all that many “general” questions regarding the views, position in society, and history of the Gnostics and the other Christian groups in their relations to one another and to surrounding Jewish, other Ethnic-Religious, Mystery, Philosophical and Pagan groups - all of which may have influenced each other in different ways in different times and places, as well as circumstances.

It is clear now that the study of Christian - as well as Jewish and Islamic - origins within and outside of the Roman Empire, now that so many texts have become available in so many languages, not just Greek or Latin, but many Semitic languages as well, and their descendent texts even in Persian and Chinese dialects and so on, that every study which attributes to a better understanding of these origins and their internal relations is to be welcomed very much. We should not be rushing to conclusions but we need extensive knowledge of languages, archaeology and history - to name just a few - as well as the boldness to imagine what the writers and readers of all those texts might have meant and felt. Interesting because of the different light this throws upon texts which were very well known until yet but not understood very well in their original context (at least not by the general public or even the adherents of the main religions themselves, for example the Christians of the churches), for example many texts of the New Testament. Many new possibilities of interpretation will be opened in this way.
It is clear that the academic part of these studies is very important. Because they can help to avoid making false conjectures, or correcting those already made (including the accepted interpretation of the general public!). On the other hand, we also need inspiration fed by imagination, and it seems that academy should help us to discern between inspirations comparable with historical models and totally new or modern ones.
Can we situate the branch of Gnosticism studied in this book more within the trajectories in which Greek influences stamped forms on emerging (non-orthodox) Gnostic Christian groups more than Judaistic influences?
Judaistic influences which stamped among others Christian Judaism, possibly also the mentioned Gnostic Christian groups as well as (later) emerging orthodox or “Catholic” Christian groups and traditions?
A big picture from which eventually to conclude this will not be found in this carefully written but compared with my expectations and hopes a little too restricted or too conservative publication. I wonder if the Gnostic authors it deals with - be it as readers, as writers or just as participators in their then very living traditions - would have recognized themselves very much in this book. Shouldn't this then be a problem or at least a challenge? Who will tell - or take the challenge on?
17 July 2006

Wim Klever, Definitie van het Christendom: Spinoza's Tractatus theologico-politicus opnieuw vertaald en toegelicht, Delft (Eburon) 1999, 396pp.; ISBN 90-5166-727-2; prijs € 29,50

De grote wetenschapsman, denker en theoloog Spinoza leefde in de Gouden Eeuw en kwam uit Amsterdam. Wim Klever, de eminente onderzoeker en vertaler van zijn geschriften en denkbeelden, begint het hoofdstuk waarin hij het onbegrip en de afwijzing van geleerden uit Spinoza's omgeving en van tijdgenoten weergeeft, met de zin “Teksten zijn per se duister. Dat geldt ook voor zulke magistrale geschriften als de TTP.” (373) Inderdaad, Spinoza kan wel wat uitleg gebruiken zoals ik verderop wil toelichten. Een toelichting die ik overigens geheel dank aan het voorwerk van Wim Klever die het ons mogelijk maakt Spinoza goed te volgen, en ons eigen oordeel te vormen over de verschillende zaken die aan de orde zijn, in de eerste plaats Spinoza's opvattingen. Overigens is het belangrijk ons te realiseren dat Spinoza zijn tekst schreef voor wetenschappelijk geïnteresseerden, niet voor het grote publiek. Hij wilde lezers die scherpzinnig, kritisch onderzoek en rationeel denken waardeerden, ook als het zoals in dit geschrift om godsdienst en politiek gaat. Het heeft niet verhinderd dat zijn geschrift door velen in eerste instantie is afgewezen. Hadden zij hem wel begrepen?
Maar eerst wil ik nog een tekst van Spinoza zelf citeren, een die mij bijzonder aanspreekt.
“Wat nu de Turken zelf of de overige volkeren betreft, het volgende. Indien zij God zouden aanbidden met de cultus van rechtvaardigheid en naastenliefde, geloof ik dat zij de geest van Christus bezitten en zalig zijn, welke overtuiging zij ook vanuit onwetendheid zijn toegedaan betreffende Mahomet en de godsspraken” (375, uit het antwoord van Spinoza aan de geleerde Van Velthuysen die hem bestreed; omdat “Turken” hier staat voor de belangrijkste vertegenwoordigers van de Islamitische cultuur mag je voor hen ook “Moslims” invullen). Ik herken in deze zin een open geest, dezelfde die ik ook bij Jacob Boehme heb ontmoet. Jacob Boehme was een in die tijd in Amsterdam in bepaalde vrome kringen beroemde en veelgelezen auteur van mystieke geschriften (waarover ik eerder
publiceerde). Een Amsterdamse koopman vertaalde zijn geschriften toen in het Nederlands, en zijn denkbeelden zijn opvallend duidelijk terug te vinden bij de dichter Jan Luyken, die als vele anderen onder de indruk van Boehme was. Boehme bestreed de letterknechterij van protestantse en rooms-katholieke theologen en stond voor een opbloei van de persoonlijke beleving van de verbinding met God. Hij keerde zich fel tegen het misbruik van de godsdienst voor politieke doeleinden, waarbij bijna iedere vorst in Europa, al dan niet aangemoedigd door predikanten of door de paus, met stevige aandrang zo niet geweld een godsdienstige richting aan het volk wilde opdringen. En zegt in dat verband dat hij liever een eerlijke Turk tegenkomt dan het leger van Babel - dat is van de paus uit Rome! Het was nog niet zo lang geleden dat de Turken Europa hadden aangevallen. Hoe dan ook, de christenen in Europa waren hopeloos verdeeld, en wel op dogmatische gronden, beweerden hun leiders. Wanneer Spinoza in dit klimaat zijn visie op de rol van de godsdienst in de politiek formuleert, is hij in ieder geval even open als Boehme naar andere volkeren en religies toe. Enkele van het beperkte aantal raakpunten tussen Spinoza en Boehme gezien vanuit de schriftelijke (voor)geschiedenis van beiden worden gemeld in Dr. Clasina Manusov, Spinoza en de erfenis van Jacob Boehme, Mededelingen vanwege het Spinozahuis 51, Leiden (Brill) 1987, 20pp.
Kenmerkend voor Spinoza en zijn theologische-politieke verhandeling is ook in dit citaat, dat hij het over de geest van Christus heeft. Spinoza, opgevoed als Jood maar uitstekend thuis in kringen van cultureel ontwikkelde en voor andere denkbeelden openstaande christenen in Amsterdam, laat zich in dit geschrift kennen als christen, en komt met een opvatting over wat het christendom kenmerkt. Volgens hem is dat de geest van Christus, samengevat in “allereerst het liefhebben van God en vervolgens het liefhebben van de naaste als jezelf”. Klever legt uit dat deze beide geboden bij Spinoza elkaar omvatten, geen van beide is zonder de andere denkbaar, en ze omvatten ze dus allebei elk van beide geboden, ofwel: beide geboden vallen geheel samen. Deze “samenvatting van de geboden” ontleende Christus overigens aan de boeken van Mozes, en Spinoza laat blijken dat hij zijn bijbel goed kent.
Hij behandelt in het traktaat zowel zijn visie op de heilige geschriften van jodendom en christendom, Tenach of Oude Testament en Bijbel ofwel Oude en nieuwe Testament samen, (en impliciet ook van andere religies, zoals de islam) als zijn visie op de rol die de godsdienst kan hebben en dient te hebben. Het is best gecompliceerd om uiteen te zetten wat de opvattingen van Spinoza precies zijn want hij is een scherp denker en elke zinsnede voegt nieuwe elementen toe. Voordat ik verder ga, wijs ik eerst nog even op de recente, elders door mij besproken biografie van Spinoza door Steven Nadler, die de achtergrond van Spinoza, zijn levensloop en de totstandkoming van zijn belangrijkste publicaties en inzichten helder en stimulerend neerzet. Ik vroeg me in die bespreking onder meer af wat we ons nu moeten voorstellen bij Spinoza's opvattingen over God en over de natuur, en in hoeverre een beroep van mystici dan wel van marxisten op zijn denkbeelden gerechtvaardigd is.
Behalve dat Spinoza in principe een zeer open geest had - niet vreemd aan het klimaat in Amsterdam in de Gouden Eeuw waar hij verkeerde in kringen van wetenschappelijk, filosofisch en spiritueel geïnteresseerde vrije denkers en kunstenaars - valt aan hem op dat hij evenals de kringen waarin hij verkeerde, de rol van de menselijke rede buitengewoon hoog acht. Hij waardeerde het heldere en exacte denken van Descartes, die de grondslagen van de wetenschappelijke methode losmaakte van de middeleeuwse theologie en filosofie. En overal waar hij zag dat theologen of andere geleerden het met de logica op een accoordje gooiden om een opvatting om te buigen naar het door hen gewenste standpunt (iets dat in de wereld van de religie bepaald veel voorkomt) legt Spinoza er de nadruk op dat je nooit een rationele verklaring moet weggooien omdat de traditie of een profeet of theoloog dat - op welke niet-rationele gronden dan ook - nodig vindt. Er kan voor Spinoza maar één doel zijn voor de godsdienst in zoverre zij publiek is, namelijk een bijdrage leveren aan het welzijn van het volk, en wel via de geldende politieke instellingen. Die laatste moeten dan wel de vrijheid van meningsuiting toestaan en bevorderen zodat er een permanente overweging onder alle burgers kan zijn of die instellingen op de goede weg zijn. Maar godsdienst als publieke functie is wat Spinoza betreft volstrekt ondergeschikt aan de politieke machthebbers, met als enige doel rechtvaardigheid en welzijn te bevorderen. Ik kom later nog even terug op het belangrijke onderscheid dat Spinoza wel maakt tussen publieke en private functie van de godsdienst.
Inbegrepen in Spinoza's opvatting en toepassing van rationaliteit, van het gebruik van de rede, is ook het gevoel voor verhoudingen. Spinoza legt dit - zo ver ik weet! - niet zozeer uit als dat hij het voortdurend toepast. Met als gevolg dat hij steeds aangeeft tot welke eventuele problemen zijn redeneringen en opvattingen aanleiding geven om die dan vervolgens weer toe te lichten en uit te werken in nieuwe redeneringen en opvattingen. In zijn andere hoofdwerk, de Ethica, deed Spinoza dat zelfs in de deductieve vorm van de geometrie zoals we die bij Eukleides aantreffen. Hier is dat minder precies, want het onderwerp is veel praktischer en veel ingewikkelder, maar zijn aanpak is toch hetzelfde. En in de uitwerking bemerken we dan dat Spinoza het gevoel voor verhoudingen een bijzonder belangrijke rol laat spelen. Zij bepalen kennelijk binnen welke context het redeneren plaats vindt.
Op die manier komt Spinoza tot de meest belangrijke terreinen van de politiek, waaronder de beste staatsvorm. Of de verhouding van publieke godsdienst en staat. En hij leidt alles terug tot de kern van wat de christelijke godsdienst is en behoort te zijn, bijdragen aan het leven naar de geest van Christus zoals boven aangegeven. De enige manier waarop men werkelijk christen kan zijn, is burger te zijn in de politieke zin (de economische daarbij inbegrepen, want een beroep uitoefenen en belasting betalen zijn natuurlijk uiterst politieke functies). En de geest van Christus houdt in dat ik de ander - zelfs rechtens - gun wat ik zelf begeer. Wanneer we aan Spinoza's open geest, zijn volkomen vooropstellen van de redelijkheid waar mogelijk (te vertalen als het met gevoel voor verhoudingen toepassen van analyse en redenering zoals in de wetenschappen), dan ook nog toevoegen dat hij een buitengewoon scherpe geest was, dan valt te begrijpen dat zijn werken door velen als te kritisch, soms zelfs als godslasterlijk werd opgevat. Want hij kende de mensen en de wereld niet alleen uit eigen ervaring van contacten en door beoefening van wis- en natuurkunde (onder andere nodig voor het slijpen van lenzen waarvan hij min of meer leefde) maar ook door een grote belezenheid niet alleen in de heilige schriften van joden- en christendom - opgevoed als hij was in de joodse bijbelstudie - maar ook van belangrijke geschriften uit de klassieke oudheid en van denkers over politiek uit zijn eigen tijd zoals Hobbes. Niet dat hij de tijd had om daar uitvoerige commentaren op te schrijven zoals vele geleerden van eerder en later eeuwen, die aan de vele boeken die zij lezen nog vele toevoegen. Nee, hij beperkte zich - noodgedwongen en uit keuze - tot het formuleren van de belangrijkste uitgangspunten ofwel beginselen. Zijn geschriften zijn alleen al om die reden, maar ook omdat hij een eigen taalgebruik had dat niet alleen paste bij zijn tijd en omgeving maar ook bij de doelstelling die hij op het oog had en de redenering waarbinnen hij afzonderlijke woorden gebruikte, voor een beginner moeilijk toegankelijk. En zelfs de mensen uit zijn eigen tijd die zijn taal misschien het beste konden begrijpen, schrokken van de niet geringe implicaties ervan. Zij zouden werkelijk met andere ogen moeten kijken en op een andere wijze in het leven gaan staan als zij de opvattingen van Spinoza serieus zouden nemen, dat snapten ze wel. En dat is in later eeuwen niet gemakkelijker geworden, omdat de taal steeds verder van de lezers af kwam te staan. Ook al waren er velen die de intuïtie hadden dat Spinoza nog steeds veel te zeggen had.

Vandaar dat we ons zo gelukkig kunnen prijzen met de vertalingen en commentaren van Wim Klever van en op Spinoza's geschriften. Want hij is het die het ons Nederlanders pas mogelijk maakt om eerst te lezen wat Spinoza nu werkelijk opschreef en vervolgens uit de toelichting te begrijpen wat Spinoza bedoeld zou kunnen hebben. Daar zit ongetwijfeld een deel eigen interpretatie in maar gezien de wijze waarop Klever zijn toelichting over het voetlicht brengt, ben ik eerder geneigd hem bij voorbaat gelijk te geven dan er veel vraagtekens bij te zetten (dat is natuurlijk geheel onkritisch en zou door Spinoza en door Klever afgekeurd worden, maar ik geef hier gewoon allereerst mijn mening; en wie het tegendeel kan bewijzen geef ik graag de gelegenheid dat aan te tonen). Zelf ben ik diep onder de indruk van deze prestatie van Wim Klever. Hij maakt Spinoza toegankelijk voor ons mensen van deze tijd, en wel direct via diens geschriften zelf. Iets dat bij denkers van alle tijden nu eenmaal belangrijk is. En we zijn zelf nu beter in staat ons eigen oordeel te vormen en dat eventueel naast dat van Spinoza of van Klever te zetten. Want Spinoza is ook voor mij en voor velen in onze tijd nog uitdagend genoeg, van groot belang zelfs. Overigens fundeer ik mijn mening op het feit dat Klever zijn toelichting en commentaar bouwt op een enorme kennis van niet alleen de geschriften zelf maar even goed van hun context, zowel van teksten uit de verre oudheid die Spinoza heeft gelezen tot veel latere als die van zijn leermeester Van den Ende, als van vele andere boeiende omstandigheden uit zijn leven, niet het minst zijn correspondentie en contacten. En niet te vergeten vrijwel de hele wetenschappelijke literatuur over Spinoza.

Spinoza stelt zich in dit geschrift voor als theoloog die zijn theologie aanbiedt aan andere theologen (waarbij hij zich richt op degenen die hun verstand willen gebruiken en degenen die alleen maar uit zijn op versterking van eigen vooroordelen en machtsposities of erger, bij voortduring laat weten dat zij uiteindelijk toch beter hun verstand kunnen gebruiken als zij aan het ware christendom willen beantwoorden). Hoe Spinoza een en ander uitwerkt, laat ik graag aan Wim Klever over om uit te leggen - aan het eind (391-396) vat hij een en ander nog eens samen in “Een model voor de uitoefening van onze godsdienst”. En aan jou, lezer(es) van dit belangwekkende boek, die met behulp hiervan werkelijk veel waardevolle meningen kan vormen over uiterst belangrijke onderwerpen. Alleen al de uitvoerige inleiding (3-72), het genoemde hoofdstuk over de reacties op de publicatie en Spinoza's verweer(373-389) en het zojuist genoemde slothoofdstuk vormen een fabelachtig nuttige inleiding in de belangrijkste opvattingen van Spinoza, waarbij Wim Klever en passant ook nog een aantal belangrijke misverstanden uit de weg ruimt uit vooral recente literatuur van zogenaamde deskundigen (die Spinoza helemaal niet blijken te kennen laat staan begrijpen). Overigens geeft hij ook duidelijk aan wat hij in hun literatuur waardeert, qua vertaalprestatie, inzicht of detailuitleg.
Ik kan deze uitgave alleen met de grootst mogelijke nadruk aanbevelen. Ik behoor zelf tot degenen die in hun jeugd de joodse en christelijke “heilige geschriften” uitgebreid en grondig hebben leren kennen. Maar de helderheid waarmee Spinoza ze samenvat in de genoemde geest van Christus, en de rationele wijze van theologiseren (en filosoferen) die hij daarbij volhoudt, zijn niet alleen indrukwekkend (en dank zij deze publicatie begrijpelijk) maar ook leerzaam. Spinoza is nog heel actueel. We hoeven alleen maar te denken aan de discussie over de verhouding van staat en kerk die opnieuw is losgebarsten naar aanleiding van de nieuwe positie die de islam in de wereld, in ieder geval in het Westen en ook in ons land, opeist.
Ook boeiend is dat uit dit geschrift duidelijk kan worden in hoeverre “mystieke” dan wel “maatschappelijk gerichte” lezers van Spinoza zich op hem kunnen beroepen. Religie die niet maatschappelijk gericht is, schiet volgens Spinoza zijn doel volstrekt voorbij. Politiek hoort de verwerkelijking bij uitstek te zijn van godsdienst. Het enige dat er qua religie buiten valt, is de situatie van een individu zover dit als individu de verbinding met God ook persoonlijk ervaart in de hoogste vorm van religieuze verwerkelijking, de intuïtieve “amor Dei intellectualis”. Een ervaring die nooit haaks staat op de “politieke” verwerkelijking van de geest van Christus in de maatschappij (en ondergeschikt aan de geldende overheid), die idealiter daarmee samenvalt, maar die toch in principe ook mogelijk is in een situatie van anarchie of een onderdrukkende, foute overheid. Een ervaring die geen vlucht uit de samenleving en de maatschappelijke verantwoordelijkheid is en evenmin opgaat in doen en denken wat de actuele overheid voorschrijft. Ieder individu heeft immers een eigen rede gekregen, om met gevoel voor verhoudingen zijn plaats in de samenleving in te nemen, en als zodanig het hoogste doel van onze godsdienst te verwerkelijken, zowel in daadwerkelijke gehoorzaamheid aan de overheid (Spinoza was geen revolutionair maar een realist) als in kritische creativiteit in het bedenken en helpen realiseren van verbeteringen.
Vanuit de 21ste eeuw terugkijkend op het fenomeen van de verschijning van de belangwekkende geschriften van Spinoza kan ik wellicht zeggen dat hij verder ging dan Descartes door de wetenschappelijke methode ook toe te passen in de theologie. Een stap waarover in de eeuwen die gevolgd zijn, veel discussie is geweest. Over de mogelijkheden en de grenzen van wetenschap en rationaliteit enerzijds en metafysica en theologie anderzijds. Over de onkritische, bevestigende functie van ideologieën en over de waarde van ideologiekritiek. Een discussie die nog volop doorgaat, zoals in het antwoord van Rudy Kousbroek in NRC Handelsblad van gisteren 20 juli 2006 op een eerder betoog van Piet-Hein Donner in dezelfde krant. Leg je Spinoza daar naast dan zie je hoe ver zijn blik al reikte en hoe actueel de problemen zijn die hij al aan de orde stelde. En zo verwoordde dat zijn formulering van de juiste verhoudingen nog steeds te denken kan geven over welke maatstaven we aan onze politieke orde moeten aanleggen, maar ook over de toewijdende rol die de religie behoort te spelen met rechtvaardigheid en naastenliefde als enige inzet. Deze vertaling en toelichting hebben mij nieuwsgierig gemaakt naar de vertaling en toelichting van Spinoza's Ethica door Wim Klever, al eerder verschenen onder de nogal droge titel “Ethicom”. Die gaat over Spinoza's opvattingen over de mens en het menselijk gedrag. Zouden die ook zo verhelderend zijn? Hoevelen hebben niet gezegd door Spinoza geïnspireerd te zijn - maar hadden zij hem begrepen?
Wat betekent het dat volgens Spinoza de vrije wil slechts een illusie is, die wij niettemin allen koesteren? Een vraag die ook aan de orde komt in een interessant artikel van Wim Klever, 'Hoe men wijs wordt: Een gespannen doch vruchtbare relatie tussen Spinoza en Bouwmeester in het licht van een nieuw document', in: De zeventiende eeuw 21/2 (2005) 335-353 (Uitgeverij Verloren, Hilversum). En op de bladzijden 174 en 276 in het boek Looking for Spinoza (2003, inmiddels ook vertaald) van Antonio Damasio, waarin deze verder gaat met het analyseren en bespreken van de rol van emoties en rede bij het gebruik van onze hersenen in het dagelijkse leven (zie al diens eerdere boek Descartes' Error: Emotion, Reason and the Human Brain; fascinerend vind ik in ieder geval dat Damasio net als Spinoza juist een groot verband tussen lichaam en geest aanwezig acht, in tegenstelling tot Descartes!).
Ten slotte: deze uitgave van Eburon is erg mooi vormgegeven, en ligt prettig in de hand. Ook dat is een aanbeveling om haar aan te schaffen en op verschillende vragen naar (betere) antwoorden te gaan zoeken. Veel genoegen!
24 July 2006


Retour naar overzichtspagina gelezen teksten


Google
"To Serve Divine Wisdom, in Full Awareness of Death and Life
Waiting for Her unmistakable Signs,
Tapping from and Revering the Source of True Healing, the Kingdom of Complete Eternity
Manifesting Always through All Polarities and Changes Here and Now" (Kalliopeia)

Ieder apart wezen compleet en diep één met zijn eeuwige grond, verbonden in één gewaar-zijn


URL: http://www.bk-books.eu/lezen27.html
Version 2 = latest revision of 24 July 2006 (Version 1: 14 June 2006)
© 2006 Boudewijn Koole; copying admitted
in case acknowledgement is provided (at least reference to site: www.bk-books.eu and with link to url (unique resource location or web-address) of the text copied or referred to; if wished so with your valuation)