Deze pagina bevat een lijst van sinds 2001 gelezen teksten met commentaar.
R.F. Gombrich, How Buddhism Began: The Conditioned Genesis of the Early Teachings, London / Atlantic Highlands, NJ (Athlone Press) 1996, met literatuurlijst, register en lijst van geciteerde teksten, 180 pp.
Gombrich maakt op mij de indruk van iemand die de materie buitengewoon goed beheerst. Hij is een geboren filoloog en heeft tegelijkertijd een scherp oog voor de bredere context waarin de problemen relevant zijn. Deze studies leveren dan ook heel wat inzichten op over de ontwikkeling van het oudste boeddhisme, met name over wat de oudste ideeën en praktijken waren en wat daar in de volgende eeuwen van gemaakt werd, en om welke redenen. Hoewel de materie soms heel erg complex is, schrijft Gombrich uiterst helder en prettig leesbaar. Dit levert behalve inzicht in een aantal fundamentele aspecten van het boeddhisme die ik hieronder aan zal stippen, ook boeiende behandelingen op van de teksten waaruit een en ander blijkt, bij wijze van schitterende miniatuurtjes van tekstvergelijking (alleen al omdat ik geen vakgenoot ben, zal ik deze hier niet verder bespreken). Bovendien geeft Gombrich aan midden in de wereld van de boeddhistische studies te staan, en een intensieve communicatie met de belangrijke vakgenoten daarin te onderhouden.
Tussen haakjes: zoals J.W. de Jong in zijn artikelenserie in de Eastern Buddhist N.S. (mei 1974, oktober 1974 en voorjaar 1981) over "A Brief History of Buddhist Studies in Europe and America" – hij gaat ook kort in op de Japanse studies die veel uitgebreider zijn maar in een aantal opzichten heel anders - al aangaf, verkeert de wetenschappelijke studie van de boeddhistische geschriften in de beginfase van het tekstkritisch onderzoek zoals dat sinds de negentiende eeuw voor het christendom op gang is gekomen, al maken boeddhistische studies nu grote vorderingen op dit gebied.
De titel en ondertitel bevatten veel hints naar de standpunten die Gombrich inneemt of die in het boek een rol spelen. Boeddha was "meer geïnteresseerd in het hoe dan het wat" (16) als het om het functioneren van mensen ging – en dus ook om de ideeën daarover. Boeddha ontkende dat de mens een vaste, blijvende essentie heeft. Achter de leer van het boeddhisme die we na enige eeuwen ontwikkeld zien worden, zit een ontwikkeling van de boeddhistische instituties (zoals ook in de latere geschiedenis van het boeddhisme) en de onderlinge relaties van groeperingen binnen het zich ontwikkelende boeddhisme. Kortom, zegt Gombrich, ook voor de oudste leringen van het boeddhisme geldt dat zij onderhevig zijn aan de keten van afhankelijk ontstaan die er centraal in naar voren wordt gebracht. Gombrich geeft ook een aantal methodologische overwegingen. Bijvoorbeeld een algemene verklaring voor de vaak uiteenlopende bewoordingen van een door Boeddha naar voren gebracht standpunt en – later in het boek – een verklaring voor de vele voorkomende synonieme uitdrukkingen, die vervolgens in de systemen van de scholastieke geleerden een eigen betekenis kregen, vaak anders dan of zelfs tegengesteld aan de oorspronkelijke. Gombrich legt er nadruk op dat Boeddha niet wilde dat zijn leerlingen aan een bewoording hechtten; Boeddha wilde bepaalde zaken naar voren brengen.
Maar als Boeddha niet de latere leer naar voren bracht, wat dan wel? Latere richtingen in het boeddhisme beriepen zich op de Boeddha zowel omdat hij zijn standpunt als de juiste visie naar voren bracht als omdat hij er nadruk op legde dat hij geen standpunt had, althans daar niet aan hechtte. Zeker is dat hij zich meer op ervaring dan op argumentatie baseerde. Maar, schrijft Gombrich, het is anderzijds ook duidelijk dat de dialoog tussen Boeddha en zijn leerlingen (en anderen) in de loop van vele jaren tot vragen aanleiding gaf waarop antwoorden gevonden dienden te worden. De latere filosofie is daar uiteindelijk een (onbedoelde) consequentie van.
De centrale leringen van de Boeddha vormden zelf het antwoord op – en ontstonden in de context van – de centrale leringen van de oude Upanishaden. Soms nam hij deze over, soms leverde hij er kritiek op.
Gombrich vat de belangrijke leringen van de Upanishaden - waarin ontologie en epistemologie samenvielen - samen en laat zien in welk opzicht Boeddha's leringen anders waren (31-34; de Boeddha verwarde ontologie en epistemologie juist nooit, 43). De Boeddhistische overlevering koos weliswaar de Vier Edele Waarheden als de meest fundamentele lering maar daarbij mogen we niet vergeten dat hierbij zonder meer al verondersteld werd de leer van het karman: we worden allen opnieuw geboren in overeenstemming met de kwaliteit van onze daden (voor de Upanishaden zijn dit onze rituele daden bij de offerceremoniën) en we willen allen aan deze cycus van wedergeboorten ontkomen. Boeddha nam ook de tegenstelling (en parallellie) over tussen de veranderlijke, geen voldoening biedende wereld van de verschijnselen en het logisch tegenovergestelde daarvan; alleen ontkende Boeddha dat dit tweede werkelijk bestond als ding. Terwijl bij de Upanishaden het eerste en het tweede een essentiële kern hebben, en je zou kunnen spreken van de gelijkheid daartussen als 1=1, ontkent Boeddha deze essentiële kernen, en zou je kunnen spreken van 0=0. Dit is echter bij Boeddha niet op zichzelf van belang maar in de context van de betekenis die het voor het functioneren van mensen heeft. Boeddha wees ook de gelijkstelling tussen mikrokosmos en makrokosmos af.
Verder geeft Gombrich een samenvatting van de geschiedenis van het woord dhamma (34-37). In het boeddhisme betekende het oorspronkelijk gewoon lering(en), dus zowel enkel- als meervoud, en omvatte zowel het idee van de juiste weergave van ervaringen als het idee van het juiste gedrag. Meestal wint het beschrijvende gebruik echter en verdwijnt het voorschrijvende. Uiteindelijk komen de dhamma (meervoud) neer op alle "objecten" die men kan ervaren, alle mogelijke onderdelen van de werkelijkheid – vanuit het perspectief van de meditatie als geoefend bewustzijn. Daarbij ging het aanvankelijk beslist niet om een vaststaand aantal. Het ging om een verduidelijking van het hoe, namelijk hoe mensen met hun bewustzijn functioneren (hoe, niet wat, is het waar het de Boeddha om gaat). Later meende men dat het om een vaststaand aantal mogelijke onderdelen van de werkelijkheid ging, een essentialisme waartegen Nagarjuna, in de geest van de Boeddha, zich nog later dan weer verzette.
Van een uiteindelijk evenwicht tussen goed en kwaad in de wereld hield de Boeddha alleen het persoonlijke evenwicht over dat paste bij de individuele verantwoordelijkheid voor het individuele karma.
Zuiver bewustzijn is precies een abstractie. Het bewustzijn is oneindige openheid en helderheid die zich naar alle zijden van de ruimte uitstrekt. Bewustzijn is het licht dat dingen verlicht; als er niets is dat wordt verlicht, is er geen bewustzijn (de situatie van nirvana), 43-45.
Dat het de Boeddha om het hoe ging, komt naar voren in de leer van de keten van het afhankelijk ontstaan (paticca-samuppada). Gombrich poneert de stelling dat waar het de Upanishaden om het Zijn ging, het de Boeddha om het Handelen gaat. Handelen is de vertaling van kamma, "moreel relevant handelen". Voor Boeddha was karma (handelen) "intentie". In plaats van de rituele reiniging kwam de morele; "zuiverheid" werd het symbool van spirituele vooruitgang. (Dit is een parallel met de verhouding tussen rituele en morele zuiverheid in de ontwikkelingen van de Joodse en Christelijke traditie, vergelijk wat Mack hierover signaleert in zijn boek Wie schreven het Nieuwe Testament werkelijk?, BK) Zo ontstaat er een onderscheid tussen wat Gombrich "typisch" en "dogmatisch" karma noemt, te weten karma dat effect beoogt te hebben in deze wereld en karma waarbij de morele kwaliteit voorop staat. Gombrich verwijst ook nog even naar de opvatting dat karma overgedragen kon worden op anderen. Daarbij gaat het om een visie met oude wortels, verder wijst Gombrich op de latere gedachte van overdraagbare verdienste als gereïficeerd karma, waarmee het Boeddhisme op de goddelijke genade in het Christendom lijkt. De oorspronkelijk inzet van de Boeddha (karma als morele intentie) lijkt daarmee weer op haar kop gezet. Het is in ieder geval spannend om de verhouding van "verlichting" en "mededogen" in het boeddhisme van begin af aan te volgen!
Volgens Gombrich is duidelijk dat de Boeddha's theorie van kamma twee in het oog lopende eigenschappen heeft: (1) men moet zich niet identificeren met een universeel bewustzijn maar op een bepaalde manier denken (het gaat om het hoe, niet om het wat), het gaat om processen in plaats van objecten; en (2) het proces wordt ethisch gemaakt: volledig welwillend zijn is bevrijd worden (62). Kortom, het gaat om liefde en om de zorg voor anderen. Om ethiek en niet om metafysica of ontologie. In het latere boeddhisme werden dit meer houdingen van de mediterenden dan oproepen tot actie. Of Boeddha in een zelf geloofde is in zekere zin een pseudo-probleem: hij geloofde zeker in een moreel verantwoordelijke persoon, en zou zelfs de formulering "ik ben mijn handelingen" hebben kunnen accepteren. Anderzijds geloofde hij dit niet in de existentialistische zin omdat hij juist nadruk legde op het effect dat het handelen had op de eigen karaktervorming en omdat hij moreel gedrag zag als het fundament van alles wat waarde had (64).
De rol die metaforen, allegorieën en satires spelen in de oudste boeddhistische teksten illustreert Gombrich vervolgens aan een aantal voorbeelden.
Nirvana betekent het uitdoven, namelijk van de drie "vuren": hartstocht (of hebzucht), haat en misleiding. De drie vuren waren een zinspeling op de drie vuren die een gezinshoofd behoorde te onderhouden; zij vormen een symbool van het leven in de wereld, het leven in een familiehuishouding. In de tijd van het Mahayana was dit vergeten en sprak men dan ook niet meer van vuren maar van de drie giffen. Waarmee het uitdoven een abstractie kon worden! Terwijl oorspronkelijk bodhi (ontwaken) en nirvana voor dezelfde ervaring stonden werd nirvana nu beperkt tot het uitdoven van de eerste twee vuren (hartstocht en haat), met de ontsnapping aan de kringloop van wedergeboorten daaraan gekoppeld. In de oorspronkelijke teksten staat de uitdoving van het derde vuur, dat van de misleiding, gelijk aan wat positief uitgedrukt kan worden met gnosis, verlichting! Hetzelfde deed zich met andere begrippen voor. Upadana is "hechten aan", maar oorspronkelijk tevens dat wat het proces voedt, derhalve "grondstof, brandstof". Khandha (bundel eigenschappen waarvan er vijf samen de mens vormen) betekende aanvankelijk "bundel brandstof" (hout bijvoorbeeld) voor het vuur.
Ook met de brahma-vihara (de vier eigenschappen die verlossing voor de mens bewerkstelligen) is een interessante ontwikkeling aan te wijzen: zij werden onderdeel van schema's die zowel de spirituele vooruitgang als de gelaagdheid van de kosmos symboliseerden. De verlossende (ethische) betekenis en de kosmische (gebaseerd op een letterlijke opvatting) wisselen elkaar zelfs af alsof ze een strijd voeren om oorspronkelijkheid. Deze ontwikkeling werd veroorzaakt doordat men een kosmisch schema wenste van de staten waarin men werd wedergeboren: vanuit het gestorven zijn in een bepaalde staat van geest (ofwel: staat van meditatie). Terwijl het oorspronkelijk ging om die staat van bewustzijn, "subjectief", ging het nu om een objectieve werkelijkheid - opgedeeld in niveau's - die buiten de mens aanwezig was. Daar kwam tevens de oude gelijkstelling van mikro- en makrokosmos weer om de hoek kijken. Dit hangt ook samen met de tijdsopvatting; in het brahmanisme waartegen Boeddha zich keerde, versmolten de mythische tijd en de tijd van de ervaring van de handelende persoon. Bij de Boeddha kan deze versmelting echter geen plaats hebben omdat hij de gelijkstelling van mikro- en makrokosmos ontkent. (Dit heeft ingrijpende consequenties voor de tijds- en de geschiedenisopvatting in het boeddhisme. Het lijkt een uitdaging de verschillen na te gaan tussen deze en de Westerse die door Jodendom en Christendom is geïnspireerd. BK)
Vervolgens behandelt Gombrich enkele voorbeelden van historische veranderingen in combinatie met doctrinaire veranderingen in de Pali Canon (96-134). De belangrijkste is de ontwikkeling van de idee dat verlichting bereikt zou kunnen worden zonder meditatie, door een proces van intellectuele analyse alleen (waarvoor de technische term panna is, ofwel inzicht). Gombrich doet dit aan de hand van filologische analyses om van te smullen; maar zo ingenieus en uitgebreid dat ik die hier niet kan weergeven. Daarin komen echter voor het boeddhisme uiterst centrale zaken aan de orde, zoals de betekenissen en de onderlinge verhouding van panna (Pali) en prajna (Sanskriet), en vooral van sila (moraal), samadhi (concentratie of meditatie) en panna (inzicht). Over deze zaken blijkt heel wat afgedebatteerd te zijn in de loop van de eeuwen waarin de Canon tot stand kwam; er werden schema's en stadia van gemaakt. In een uitgebreide analyse – waarin Gombrich onder andere de opmerking maakt dat het sowieso natuurlijk al moeilijk is om de verschillende staten van meditatie te onderscheiden, beschrijven en in schema te zetten – komt hij tot de conclusie dat de voorkeur voor de weg van de intellectuele analyse als voldoende basis voor verlichting is ontstaan als gevolg van apologetiek (verdediging tegen aanvallen van buiten) door monnikengemeenschappen. Men had behoefte om de kwaliteit van de eigen verlichting te onderbouwen (dat die goed was, zeker in morele zin, was kennelijk niet bij voorbaat duidelijk). En er kwam ruimte voor niet-mediterende maar intellectualiserende monniken.
Gombrich vat samen (131): (1) verlichting zonder meditatie was waarschijnlijk nooit een oogmerk van de Boeddha of in de oudste teksten (en de term panna-vimutti was er niet de term voor), (2) de term panna-vimutti werd uiteindelijk de verwijzing voor verlichting zonder meditatie (of zonder meditatieve realiseringen) en dit hangt samen met verandering van de Susima Sutta, (3) uiteindelijk waren er inderdaad monniken in de Pali traditie, die het mediteren aan anderen overlieten, zonder het streven naar verlichting op te geven. Deze ontwikkeling zou plaatsgehad kunnen hebben zo'n 60 tot 150 jaar na Boeddha's dood.
In de oudste teksten zijn nirvana en verlichting volmaakte synoniemen. Nirvana is het uitdoven van hartstocht (of hebzucht), haat en misleiding; verlichting (vertaling van bodhi, ontwaken) is meer van de gnostische kant bekeken, nirvana meer van de emotionele kant.
In plaats van het kalmeren van de emoties kreeg het begrijpen van de werkelijkheid later meer nadruk – en soms een hogere status, in welk geval een groep monniken daarmee hun intellectuele benadering als even waardevol verdedigden als meditatie.
In het slothoofdstuk (135-164) behandelt Gombrich een voorbeeld van de overname van tantrische voorstellingen door het boeddhisme. Aanvankelijk werd het boeddhisme daarmee op zijn kop gezet, maar uiteindelijk werd het tantrisme toch boeddhistisch gemaakt, want het werd ethisch gemaakt (162-164).
Voor wie enige feeling wil krijgen in de ontwikkelingsgang van het oudste boeddhisme, is dit boekje een schatkamer. Ik kan niet beoordelen of het erg onvolledig is, en welke literatuur een beter algemeen overzicht biedt (zie ook het elders besproken boek van Collins, Selfless Persons). Maar ik weet zeker dat het de lezer dicht bij de behandelde ontwikkelingen brengt, en veel goede objectieve kwaliteiten heeft. Sterk aanbevolen.
26 februari 2001
A.R. Damasio, Descartes' Error: Emotion, Reason and the Human Brain, New York (G.P.Putnam's Sons) 1994, 313 pp. Louis Couperus, De stille kracht, Amsterdam/Antwerpen (Uitgeverij L.J. Veen) 1994 (=Volledige Werken Louis Couperus 17), met Verantwoording, 270 pp. Hans Warren, verzamelde gedichten: 1941-1971, Den Haag (Bert Bakker) 1972, 367 pp. Thich Nhat Hanh, Het gras wordt groener: Meditatie voor aktivisten, [In het Engels vertaald als: The miracle of awakening], In het Nederlands vertaald door Kirsten Roep-Rønbak Olsen, z.p.(Komitee voor Nederlandse Weeskinderen)z.j., 33 pp.; inmiddels heruitgegeven Tjeu van den Berk, Mystagogie: Inwijding in het symbolisch bewustzijn, Zoetermeer (Meinema) 1999, 180 pp.
Descartes wordt als de bron beschouwd van de moderne opvatting dat geest en lichaam nauwelijks iets met elkaar te maken hebben. Damasio (neuroloog, met een brede interesse en belezenheid op andere vakgebieden) toont in dit boek aan hoe het zenuwstelsel en de hersenen met het lichaam verbonden zijn, en welke functie denken en emoties hebben. Zijn stelling is dat emoties onze maatstaven zijn – of beter: de weergave ervan – voor ons welbevinden, en dat die metingen gebaseerd zijn op de verschillen die er gesignaleerd worden tussen de staten waarin ons lichaam zich bevindt, in combinatie met de waarneming van de buitenwereld en van eerdere staten van ons lichaam die we ons herinneren. Zonder ons lichaam als referentiekader zouden we geen mogelijkheid hebben om te overleven, zelfs niet om te voelen überhaupt. Overigens onderscheidt Damasio gevoel en emotie als volgt: bij gevoel gaat het om een bewust ervaren koppeling van de emotie aan mentale voorstellingen die zo aan de emotie lading geven (bij deze koppeling zijn ook specifieke delen van de hersenen betrokken).
Damasio geeft hiervan in dit boek een aantal buitengewoon interessante voorbeelden en schetst de ontdekkingen van de laatste decennia inzake de manier waarop de hersenen en het zenuwstelsel werken. En wel op een manier die theoretisch verhelderend is, en tegelijk zeer herkenbaar voor ieder die gewend is enigszins op zichzelf te letten (veel van de beschreven processen blijven onbewust maar met enige introspectie zijn heel wat ervaringen te herkennen). Hij maakt goed duidelijk dat voelen en denken in principe uiteindelijk juist niet van elkaar gescheiden dienen te opereren. Verder gaat hij in op wat denken is (of liever op de processen die zowel bij denken als bij voelen een rol spelen), namelijk op de rol van 'voorstellingen' die al dan niet bewust opgeroepen, vergeleken en geordend worden, en van 'strategieën' die (op diverse niveaus) ontworpen en vastgelegd worden. Het betreft mijns inziens zaken die zeker interessant en misschien wel heel belangrijk kunnen zijn in verband met meditatie en voor mediterenden, omdat introspectie daarbij weliswaar niet het doel is maar wel een onvermijdelijk grote rol speelt. En hij werpt ook een blik op hoe de neurale netwerken van de mens (die sommigen als voorbeeld voor computermodellen zien) werken.
Hij legt daarbij goed uit welke misverstanden er algemeen bestaan over de hersenen en tot welke eenzijdigheden en tekortkomingen dit in de geneeskunde en de psychiatrie heeft geleid. Ook koppelt hij de nieuwe inzichten aan de opbouw en functie van de hersenen en aan hun waarschijnlijke evolutionaire ontstaan (vergelijk wat hierover door de psycholoog Piet Vroon in diens publicaties, waaronder het boek 'Wolfsklem', naar voren is gebracht), en zet uiteen wat hij als het zelf van de mens beschouwt en wat het ik volgens hem is. Tenslotte wijst hij op de vele gebieden die vragen om verder onderzoek, en signaleert dat de rol van de hersenen bij persoonlijke en sociale conflicten de meeste ruimte bieden voor problemen en oplossingen, omdat wij daar op het gebied komen waar de mens het meest vrij is om te leren en zich vrij te ontwikkelen. Want de ontwikkeling van de hersenen van een individu is deels genetisch en deels door zijn opgroeien bepaald, en daarbij spelen de culturele omgeving en de persoonlijke keuzes dan vervolgens nog een belangrijke rol bij. Damasio is bovendien sterk in het relativeren van zijn hypotheses: hij gaat tot het uiterste om zijn ontdekkingen uiteen te zetten en te verdedigen maar probeert eventuele tegenwerpingen zo goed mogelijk recht te doen.
Ik ben geen vakman op dit gebied en kan dus de inhoud alleen in mijn eigen woorden weergeven maar ik vond dit boek fantastisch, omdat het bij mij veel kwartjes liet vallen. Over dit onderwerp las ik niet eerder een zo verhelderend en tegelijk veelomvattend boek.
13 maart 2001
Eindelijk deze klassieke roman gelezen. De taal is soms als een zalf op de tong, erg mooi. Het verhaal heeft een boeiende en spannende opzet, met boeiende karakters en afloop. Toch intrigeert de roman me meer om de tekening van de verhoudingen in toenmalig Nederlands Indië, en vanwege de tijdgeest die Couperus erin verwerkt (het onbewuste in opkomst), dan vanwege zijn gebruik van de stille kracht als iets specifieks oosters of Indonesisch. Zowel in spiritueel opzicht als in oosterse zaken ben ik al veel meer interessante zaken tegengekomen, waarnaast de stille kracht van deze roman mij betrekkelijk bleek voorkomt. Toch een mooi boek, ook vanwege de rol van de beschrijving van natuur en klimaat. Maar ik word denk ik geen Couperus-liefhebber meer, hoewel ik benieuwd ben naar 'De berg van licht' en andere romans over verre landen en intrigerende 'spirituele' thema's. Wel een heel begaafde man, die Couperus. Wat een beheersing van de achtergronden, van de couleur locale en van de compositie en de taal!
11 april 2001
idem, GEHEIM DAGBOEK[: alle verschenen delen t/m Vijftiende deel; ook het aparte kleinere deeltje 1939-1940 dat voornamelijk in het teken staat van het begin van de Tweede Wereldoorlog], Amsterdam (Uitgeverij Bert Bakker) 1981-[2000], met in ieder deel een register van personen, ongeveer 200 pp. per deel
idem, STEEN DER HULP, Amsterdam (Uitgeverij Bert Bakker) 1983, 104 pp. [proza]
idem, TIJD, Amsterdam (Uitgeverij Bert Bakker) 1986, 68 pp. [gedichten]
idem, Ik ging naar de Noordnol: Natuurdagboek 1936-1942, Amsterdam (Uitgeverij Bert Bakker)1996, 198 pp.
Mijn kennismaking met Hans Warren moet 'onbewust' begonnen zijn toen ik als opgroeiende scholier thuis de Provinciale Zeeuwse Courant doorbladerde en zijn literaire recensies wel eens gezien zal hebben. De klassieke en moderne 'grotere' literatuur waarover Warren schreef, had toen echter niet mijn interesse, en ik herinner mij dan ook niet één recensie. Al heb ik mij toen ik eenmaal zijn stijl en persoon beter leerde kennen uit zijn hierboven genoemde werk, wel afgevraagd of ik de sfeer van zijn stukken misschien toch niet al geproefd moest hebben. Het zij zo. Hans Warren, voor mij een echte Zeeuw, heeft mij veel genoegen verschaft met zijn weergave van zijn ervaringen in en buiten Zeeland waar hij zijn hele leven en ik alleen mijn jeugd heb gewoond, vanaf 1947 tot ik naar Amsterdam ging studeren in 1965. Maar niet alleen met zijn aan Zeeland gerelateerde ervaringen.
Ik ontdekte Hans Warren pas echt toen ik in de jaren zeventig in een boekwinkel zijn verzamelde gedichten: 1941-1971 tegenkwam en er al bladerend nieuwsgierig naar werd en het boek aanschafte. Allereerst werd ik getroffen door de weergave van het Zeeuwse landschap en de Zeeuwse luchten, wateren en vogels. Vervolgens ook door zijn liefdeslyriek en zijn aandacht voor uitheemse vormen, kleuren en geuren. En werd ik al enigszins nieuwsgierig naar de ontwikkeling die de dichter doorgemaakt zou hebben en naar zijn persoon. Ik was echt door sommige gedichten geraakt. En zo iemand woonde in Zeeland? Met zo'n brede horizon, zo'n interesse in het typisch Zeeuwse en tegelijk in het uitheemse (ik woonde toen in Tiel, maar had in Amsterdam het nodige gezien en opgesnoven van de Flower Power en andere nieuwe stromingen)? En zo legde ik het boek weg en keek er af en toe nog eens in.
En toen verschenen plotseling in razend tempo de dagboeken en lieten de persoon zien achter de gedichten. Het enig kind wonend aan een eenzame dijk aan de Westerschelde, met een vader die in de Tweede Wereldoorlog met de Duitse bezetters meewerkte en daarvoor na de oorlog bestraft werd, de natuurkenner en –beschrijver (en tekenaar, speciaal van vogels), de opgroeiende scholier en schrijver van artikelen over natuur en over letterkunde, de jonge man op zoek naar zielsverwanten en relaties, de jonge dichter die het literaire wereldje leert kennen, de man die zijn (homo)seksualiteit leert vormgeven in een wereld die daar niet op zit te wachten, die een vrouw trouwt en kinderen krijgt, die een tumultueus leven in Parijs leidt om de zoveel maanden of jaren en daar vrienden aan overhoudt die hem bezoeken, naast steeds meer literaire bezoeken, de liefhebber en kenner en verzamelaar (niet alleen van allerlei boeken maar ook) van allerlei kunstvoorwerpen uit allerlei tijden en culturen, de man die afscheid moet nemen van zijn ouders en ouderlijk huis en zich een eigen plaats verovert als literair recensent. En die na zijn scheiding en een nieuwe crisis opnieuw een langdurige relatie krijgt, met zijn huidige partner met wie hij ook veel samenwerkt aan literaire producties. Wat mij fascineerde waren een aantal dingen.
Warren had een neus voor kenmerkende bijzonderheden die hij waarneemt en die hij graag en goed beschrijft, of het nu om vogelgeluiden gaat of om de kwaliteit van literaire stijl of van een schilderij of een muziekstuk of van de mensen die hij ontmoet, of van hemzelf. In die beschrijvingen zit, net als in zijn gedichten, een warmte die meetrilt, een grote betrokkenheid. Daarbij zoekt Warren altijd naar kwaliteit, en onderscheidt de betere van de mindere. Ook als ik mij niet speciaal interesseer voor iets wat hij beschrijft, weet hij mijn interesse toch vast te houden door aan te geven wat hij zelf vindt. Hij heeft daar heel veel moeite voor over. En hij laat dieptepunten even goed de revue passeren als hoogtepunten die hij ervaart.
Wat mij vooral fascineerde, is zijn worsteling om zichzelf te worden, om authentiek te zijn. Daar heb ik erg veel van geleerd, en van genoten. Hij blikt terug en vooruit, hij maakt keuzes en evalueert. Hij beschrijft verrukkingen die hij ervaart en banaliteiten van hemzelf en anderen. Vooral die worsteling maakt Warren voor mij een groot persoon en een groot auteur.
En dan het tijdsbeeld dat hij schetste. Gebeurtenissen in Zeeland die ik bijna van dichtbij had kunnen meemaken als ik ervan geweten had. Later het beeld van de coming out van de homoseksuele subcultuur in Nederland, naast die van Warren zelf. En Warrens reflectie op de reacties die zijn werk opriepen, de waardering en het contact met uitgevers en boekverkopers. En met literaire collega's. En zijn reactie op politieke gebeurtenissen, zijn reisverslagen en de weergave van gebeurtenissen in en om zijn dierbare woonhuis en –erf. En de beschrijving van wat hij eet en kookt en van zijn lichamelijke genietingen en ongemakken. Niet alleen getuigend van het streven om authentiek te zijn, maar ook open en eerlijk. En kwaliteit te zoeken en te bieden. Daar zit een bepaalde grootheid in. En voor mij was het belangrijk dat die grote persoon gewoon in Zeeland was blijven wonen, wat voor mij al lang niet meer gold. Hij was een brug met mijn verloren jeugdomgeving; en natuurlijk veel meer.
Al met al is het belangrijkste voor mij zeker dat ik mij in allerlei opzichten kon spiegelen aan wat Hans Warren meemaakte en schreef, ook al was hij in een aantal opzichten eerder een tegenpool. Ik was doordrenkt met een kerkelijke opvoeding en verplichte gezagsgetrouwheid waar hij nu net helemaal niets van moest hebben. Ik ben ideologisch georiënteerd en hij meer persoonlijk. Hij is een 'selfmade man' en ik heb een traditionele weg van academische studies gevolgd. Hij heeft altijd lichamelijke en concrete zaken waardering en aandacht gegeven, terwijl ik daar toch een erg traditionele en meer gereserveerde houding in heb, zeg maar vanuit de kerkelijke traditie. En toch herken ik iets in de manier waarop hij naar dingen en mensen kijkt, en in wat hij erin zoekt.
Ik heb de indruk dat zijn nieuwe relatie met Mario Molegraaf ook de toon van zijn dagboeken beslissend gaat beïnvloeden. Ik kan me haast niet aan de indruk onttrekken dat de gezamenlijke belangen met zich meebrengen dat hij bepaalde zaken (nu nog?) ongepubliceerd laat. Het gaat nu eenmaal om dagboeken die alleen zijn verhaal vertellen kunnen, anders zou het niet meer zijn dagboek zijn. En een gezamenlijk dagboek is het tot nu toe niet. Overigens deel ik Warrens respect voor zijn partner, in de zin dat ik slechts kan bevroeden hoe waardevol en hoe ondersteunend zijn partner is voor hem, ook als figuur achter en naast Warren die meer op de voorgrond staat. En ik ben toch reuze benieuwd hoe het met de persoon die mij zo intiem met zich heeft laten kennismaken, in zijn latere levensfasen vergaat. Ik ben inmiddels maar tien jaar jonger meer dan ik van hem in zijn dagboeken lees, maar dat verschil zal niet meer oplopen vrees ik, Ik vond het zo mooi dat hij mij zo ver voor was! Dit geeft wel aan dat hij in mijn bewustzijn een vast meubelstuk was geworden, een persoon die mij net zo interesseerde en intrigeerde als sommige familieleden of vrienden, ook al verliep de relatie met Warren dan alleen via zijn dagboekteksten. Ik weet trouwens wel zeker dat voor Warren zijn publieke optreden (al dan niet via publicaties) ook een bepaalde behoefte vervulden: het leverde interessante contacten, correspondenties, impulsen enzovoort en die waren voor Warren heel belangrijk. Het is tegelijk zo dat je dat als zijn lezer ook wel weet en voelt.
Het is net alsof Warren je als persoon uitdaagt om ook authentiek te zijn. En alsof hij ook in zijn contacten met anderen die hij beschrijft, uit is op het vinden van kwaliteit voor hemzelf en van hemzelf voor anderen maar ook van die ander voor zichzelf en anderen. En daar geniet hij dan van mee als het lukt en is teleurgesteld als het niet lukt. Ja, Warren is voor mij een belangrijk auteur die als persoon iets te zeggen heeft. Ik hoop dat ik nog mag delen in zijn notities over de rest van zijn leven, en dat die net zo onthullend zullen zijn – en dus als spiegel kunnen functioneren.
Ik heb nog enkele boeken van hem op de plank staan maar nog niet (helemaal) gelezen. De Kavafis-boeken zijn om mondjesmaat van te smullen, en daarin ben ik halverwege; en 'Demetrios' heb ik nog niet goed tot me genomen. Dus die vermeld ik hierboven ook niet. Op de Plato-vertaling zat ik ook niet te wachten, omdat ik al een en ander over en van Plato heb bestudeerd, en mijn aandacht inmiddels door andere zaken werd opgeëist. Ik ben me bewust dat ik daarmee wellicht langzamerhand een wat eenzijdige interesse in Warren over heb gehouden. Ik respecteer zijn keuzes (en die van Mario Molegraaf). Op basis van mijn eerdere ervaringen met wat Hans Warren schreef zit de spanning er voor mij voorlopig nog in!
18 april 2001
idem, De geur van versgemaaid gras: Een gids voor loopmeditatie, Vertaling uit het Engels en voorwoord: Judith Bossert, Langenboom (Uitgeverij Theresiahoeve) 1985, 31pp.
idem, Tiêp Hiên: boeddhisme in 14 poorten, [vertaling uit het Engels door Judith Bossert, Nijmegen (Zen-uitgeverij Theresiahoeve)z.j., 61 pp.
idem, Vredelevend [Being Peace], [vertaling uit het Engels en voorwoord: Judith Bossert, met illustraties van Judith Bossert], Gondenbrett (ZEN-uitgeverij Theresiahoeve) 1992, 110 pp.
idem, Iedere stap is vrede: Met een voorwoord van Z.H. de Dalai Lama, [Vertaling: Eveline Beumkes en Anna Bol,] Deventer (Ankh-Hermes) 1995-tweede druk, 133 pp.
idem, Vrede aanraken: De kunst om in aandacht te leven, Amsterdam (Uitgeverij Karnak) 1998-tweede druk, 153 pp.
Kenmerkend voor de auteur, de Vietnamese boeddhistische monnik die tijdens de oorlog in Vietnam belangrijk hulpwerk verrichtte, nog deel uitmaakte van de Vietnamese delegatie die in Parijs het vredesakkoord met Amerika sloot en inmiddels verbannen is uit zijn land omdat hij niet van het regime afhankelijk wil zijn maar de vrijheid wil houden te helpen wie in nood zijn, is zijn eenvoud en zijn gave om door te dringen tot de kern, daarmee allerlei minder belangrijke zaken en problemen relativerend. Hij woont in Frankrijk sinds 1966, is vredesactivist gebleven en heeft overal in de wereld lezingen gegeven over de basisprincipes van het leven, en is een van de grote boeddhistische leraren van zijn tijd geworden.
Het gras wordt groener bevat in een notedop veel van de thema's die de auteur in zijn leven en latere geschriften heeft uitgewerkt: het wonder van het leven, de ademhaling, het bewust glimlachen en de liefdevolle aandacht, eenheid met allen en alles (Tiêp Hiên, inter-zijn, interbeing), heldere waarneming en medeleven. Ik las de uitgave uit 1982, als speciaal nummer van het tijdschrift Zen, Langenboom (St. Theresiahoeve) 1982, 72 pp., van dezelfde vertaalster als hierboven genoemd, met aanhangsels als het Satipatthana ofwel Anapasati Soetra en 32 meditatie-oefeningen. Eigenlijk is de hele basis van Zen en van het boeddhisme en van leven in aandacht in dit boekje te vinden, zij het soms in een terminologie die de boeddhistische traditie direct verraadt en tijd nodig had om aan te komen in onze Westerse belevings- en taalwereld. Achteraf kun je echter zeggen dat dit geschrift werkelijk alles essenties bevat.
In De geur van versgemaaid gras ligt het accent op de loopmeditatie die voor de auteur zo kenmerkend is.
In Tiêp Hiên geeft hij een inleiding in het ontstaan en de beweegredenen van zijn beweging of 'orde', en de veertien regels die daarin worden nagestreefd.
In het boek Vredelevend legt hij de boeddhistische levensprincipes uit, eenvoudig leven en geweldloosheid. Hij begint ermee dat de kern van het leven vreugde is, om daarna op het lijden over te stappen dat daar ook op een bepaalde manier bij hoort. En hoe we daar mee om kunnen gaan. Hij laat zien hoe je bij jezelf kunt leren komen, hoe belangrijk het is om bij jezelf te zijn, en hoe je vredelievendheid vorm kunt geven in je communicatie met anderen, tot met diegenen die je als je tegenstanders moet zien vanwege hun geweld bevorderende of ronduit gewelddadige gedrag. En keert dan steeds weer terug tot de kern: ademen, glimlachen, een zijn met jezelf en de wereld. De kern van meditatie van waaruit je hele leven vredelevend vorm krijgt. [Dat we overal kunnen oefenen, dat alles ons de dharma verkondigt, iedere kiezelsteen, ieder blad, iedere bloem, vindt de auteur in het Saddharma Pundarika Soetra (34). Hij noemt het Satipatthana Sutta de grondtekst van Boeddha's dharmalezing over meditatie (106). Dit voor de geïnteresseerden.]
Tot slot legt hij de veertien principes uit van de Tiep Hien orde, zijn beweging van mensen die streven naar vredelevend leven.
Een knap en toch zeer eenvoudig en aansprekend boek.
Het boek Iedere stap is vrede bestaat uit drie delen; zij gaan over (1) fundamentele aanwijzingen voor het leven met aandacht, (2) het omzetten van negatieve gevoelens in positieve, dus over heelwording, (3) hoe te werken aan vrede en respectvol om te gaan met ons leefmilieu. Het bevat korte teksten en is samengesteld uit lezingen, publicaties en ongepubliceerd materiaal en gesprekken, onder meer het gedicht 'Noem me alsjeblieft bij mijn ware namen' (122-123) en de veertien regels voor de Tiêp Hiên orde ofwel Orde van Inter-zijn (125-128). Dit laatste begrip staat voor de levende verwantschap van alles met alles. Regel 1: "Beschouw geen enkele leer, theorie of ideologie als de absolute waarheid. Gedachtenstelsels (het boeddhisme inbegrepen) zijn slechts wegwijzers en nooit de waarheid zelf."
De grondgedachte van het boek Vrede aanraken omschrijf ik als volgt. Wanneer we met aandacht leven, zien we hoe bijzonder alles is, hoe vreugdevol of hoe pijnlijk. De auteur spreekt van zaadjes van geluk en liefde en van zaadjes van lijden en pijn, vaak niet bewust door ons meegedragen, die we overgehouden hebben uit eerdere ervaringen, vaak ook geërfd van traditie en ouders en omgeving. Onze pijnlijke ervaringen zijn het waard bewust gemaakt te worden en omgezet te worden in vreugdevolle – dat is mogelijk door liefdevolle aandacht voor onszelf, voor anderen en voor de geschiedenis en de wereld. We kunnen leren dat alles vergankelijk is en dat dat de vreugdevolle implicatie heeft dat ieder sterven de grondslag legt voor nieuwe groei in andere vormen. We kunnen leren dat meeleven met de pijn van onszelf en anderen waardevol kan zijn, hoe vaak ook herhaald. We kunnen leren dat we al een zijn met onszelf en met alle anderen en al het andere, ook al ervaren we de gescheidenheid sterk. En we kunnen leren omgaan met boosheid door een vredescontract te sluiten en communicatie op gang te brengen. En we kunnen leren met onszelf om te gaan en sterke persoonlijkheden te worden, en gemeenschappen te vormen met anderen zodat wij geven en ontvangen en allemaal groeien. Door hier en nu aanwezig te zijn zijn we een met alle kinderen en volwassenen van de hele wereld en met de hele aarde. Thich Nhat Hanh legt alles heel helder uit met direct aansprekende voorbeelden, of dat nu grote wereldproblemen zijn of voorvallen in onze directe leefkring. Bijvoorbeeld hoe we relaties kunnen herstellen of althans de belemmeringen wegnemen die wij daarvoor zelf kunnen vormen. Ook geeft hij regels en rituelen om bij al deze processen behulpzaam te zijn, met name de vijf belangrijkste leefregels die de Boeddha gegeven heeft, door de auteur niet 'voorschriften' (precepts) genoemd maar 'aandachtsoefeningen' (mindfulness trainings), evenals voorbeelden uit boeddhistische geschriften. Van de soetra's noemt hij het Avatamsaka Soetra, het Lotus Soetra en het Maharatnakuta Soetra.
Thich Nhat Hanh heeft een buitengewoon groot pedagogisch talent. Zijn taal is direct aansprekend voor de meeste mensen, inclusief kinderen. Hij weet de essentie van ingewikkelde zaken eenvoudig en kernachtig toe te lichten, is appellerend en to the point. Hij is een lichtbaken in een wereld vol tweespalt. Als je hem binnen de boeddhistische stromingen en leraren in het Westen een plaats zou moeten geven vanuit een perspectief op de variaties in het Christendom, dan kun je hem enigszins vergelijken met de evangelikalen: gericht op de directe transformatie van de mens en zijn leven, op lotsverbetering en vooral op bewustwording ter wille van het leiden van een goed leven. Buitengewoon sympathiek. Hij is zich heel goed ervan bewust dat veel oorlog en afwezigheid van vrede te maken heeft met gebrek aan bereidheid om echt naar elkaar te luisteren, en om echt oog te krijgen voor elkaars belangen. In alles wat hij zegt maakt hij een buitengewoon krachtige, helpende indruk. Aan de andere kant zegt hij niet zoveel over de economische strijd om het bestaan, en om de strijd om het vege lijf, en daardoor lijkt hij misschien wat wereldvreemd op het eerste gezicht, zeker voor ons welgedane mensen in het Westen van Europa. Hij zegt niet zoveel over de ingewikkelde wetten en structuren waarmee de machtigen in de wereld hun netten werpen over onze politieke en economische zeeën, en dus ook over hoe wij ons in die zeeën zouden kunnen redden of het economisch en politiek volhouden. Maar wees ervan verzekerd dat hij oog heeft voor de 'have-nots' in de wereld, en ons en anderen bewust wil maken van onze gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het welzijn van de hele planeet aarde en al haar bewoners – om ons daartoe eerst maar te beperken. Als we om te beginnen – net als hijzelf – eerst maar eens bereid zouden willen zijn om ons absolute eigen standpunt op te geven en rekening met anderen te gaan houden (BK: in plaats van wellicht zelf al te zeer verstrikt te zijn in genoemde netten?). En zeker ook onze eigen krachten te ontdekken - die voldoende zijn voor een volwaardig leven (onthechtheid of niet-egoïsme betekent nog niet dat wij geen sterk ego of sterke geest verdienen op te bouwen en te onderhouden en de regels van het spel eerlijk en subtiel maar ook met volle inzet van onze echte krachten te spelen, BK). Waarbij het uitgangspunt en de methode en het doel de volledige beleving van ieder moment is. Hoewel we Thich Nhat Hanh een boeddhist kunnen noemen 'van huis uit', is hij in wezen universeel (verabsoluteert zijn eigen standpunt niet maar zoekt naar de kern). Hij heeft dan ook een goed oog voor wat in niet-boeddhistische religies, met name het Christendom, bij zijn universele standpunt aansluit, zoals uit diverse van zijn latere publikaties blijkt.
Informatie over de auteur en zijn beweging is te verkrijgen bij: Stichting Leven in Aandacht, Postbus 10989, 1001 EZ Amsterdam.
Voor bespreking van enkele andere belangrijke basisboeken van deze auteur, met name zijn uitleg van boeddhistische basisoefeningen en kerninzichten aan de hand van korte basissoetra's, zie elders op deze pagina's.
Voor zijn visie op hoe we kunnen omgaan met liefde en relaties, communicatie, boosheid, verdriet, angst, vergankelijkheid en dood, zie enkele andere boeken van zijn hand.
23 april 2001/7 januari 2002
De auteur laat in dit boek onder meer zien dat hij een belezen man is, en wat meer: iemand die er in slaagt dat gelezene in perspectief te zetten, de essenties samen te vatten en de lezer tegelijk een goed verhaal voor te schotelen en in te wijden in zijn bronnen. In minstens één opzicht wil ik de auteur navolgen: hij deelt af en toe complimentjes uit aan auteurs, en doet aanbevelingen over het lezen en bestuderen van hun boeken. Welnu, ook zijn boek is een knap boek, vind ik. Niet dat het zonder meer gemakkelijk is maar het is de moeite meer dan waard. Ik streef er dan ook niet naar het hier uitvoerig samen te vatten.
Religie, stelt hij, heeft alles te maken met de rol die symbolisch bewustzijn voor mensen speelt bij hun transformatie van onwetenden tot ervarenen in de diepste wijsheid en werkelijkheid. Er is een samenhang tussen de verwerking van crisissen die mensen doormaken en deze transformatie. Van den Berk geeft het symbolisch bewustzijn en de transformaties ervan de ereplaats terug die zij verdienen. En laat heel knap zien dat die ereplaats weliswaar uit het oog verloren was in grote delen van de westerse cultuur, maar ook dat dat in het algemeen in onze westerse geschiedenis niet zo was. Hij citeert vele auteurs voor wie het symbolisch bewustzijn de essentie van religie en geestelijke transformatie was en is, en ook hoe het functioneerde. Dat is een genoegen om te lezen.
Dit boek is een mooi vervolg op zijn door mij buitengewoon gewaardeerde De wijsheid van de hersenstam, dat iets eenvoudiger is, en een andere invalshoek had. Daar ging het om de menselijke basisfuncties, en hoe we daar beter maar rekening mee kunnen houden (inmiddels is van dit boek een herzien uitgave verschenen onder de titel Het mysterie van de hersenstam). Wel preludeerde de auteur daar al op thema's waarnaar hij nu terugkeert, zoals de socratische verloskunde als agogisch model (in feite neemt hij hier een hoofdstuk over). Maar hield hij zich in dat boek nog niet specifiek bezig met de kern en de inhoud van onze westerse religie, dat doet hij hier veel meer – en hoe.
De kern van zijn boek, gevormd door de hoofdstukken 2 tot en met 8, zijn juweeltjes die stuk voor stuk diepe inzichten geven in de essentie van religieuze transformatieprocessen, of symboliseringsprocessen. Ik beperk mij tot het maken van enkele kanttekeningen.
Voor mij is een van de opvallendste stellingen van de auteur dat het christendom in wezen een inwijdingsreligie was en is (net als de andere hellenistische mysteriegodsdiensten). Terwijl de meeste christelijke theologen om het hardst hebben bestreden dat gnosis centraal stond in het oudste christendom, of dat de psychologie van Jung en de New-Agebeweging elementen hebben die in de kerken ten onrechte te lang verwaarloosd zijn maar daar wel degelijk in thuis horen, komt hier een zeer deskundig christelijk theoloog met de zeer onderbouwde mening dat de christelijke religie juist het symbolische bewustzijn als kernfunctie heeft, dat wedergeboorte en gnosis altijd centraal zijn geweest, en dat het mystagogisch model van de kerkvaders nog steeds helemaal levensvatbaar is. Geen speld tussen te krijgen. Ook al hebben de bureaucraten het in het christendom uiteindelijk gewonnen, waarom zij ten opzichte van deze kernfunctie afstand namen, het valt eenvoudig niet te ontkennen dat deze spiritualiteit vanaf het begin centraal stond. Gelukkig brengt de auteur zijn standpunt duidelijk naar voren, zonder iemand voor het hoofd te stoten die nog in de gangbare traditie staat waarbij de mystagogie naar de rand of onder de tafel geschoven wordt (vaak genoeg over de rand). De vraag is voor mij – en kennelijk ook voor de auteur – of de heilloze ontwikkelingen binnen het christendom nog terug te buigen zijn. Hoewel dit niet zijn hoofdthema lijkt, blijkt uit de hoofdstukken 1 en 9 (en impliciet ook op andere plaatsen) dat dit een grote zorg is voor de auteur. Hij zegt nadrukkelijk dat het nodig zal zijn om een crisis door te maken, te weten de erkenning van de dorheid en van de goedkoopheid van uiterlijke en rationalistische oplossingen ervoor. Ik ben ervan overtuigd dat het heel erg nodig is dat we de dingen weer echt op ons af durven laten komen, en er van binnenuit, authentiek, op reageren. Uiterst waardevol is de functie van het laagdrempelige bewustzijn die de auteur signaleert en toelicht: zodat het niet-rationele en onbewuste deel van ons bewustzijn mee in het spel gebracht kan worden .
In een bepaald opzicht vraag ik me af of de auteur symbolische en cognitieve kennisverwerving en -verwerking niet teveel tegenover elkaar stelt. Ik kan mij helemaal vinden in zijn bestrijding van de reductie van het symbolische tot het rationele, in deze context. Maar ik denk wel dat in het rationele ook veel symboliek zit, kortom dat rationele kennis en symbolische kennis heel erg in elkaars verlengde liggen en voor een deel samen kunnen vallen. (Zie het boek van Damasio, Descartes' Error, over hoe hersenen werken en hoe emoties en denken samenhangen. Ook ratio, dus denken, werkt met of maakt gebruik van beelden. Anders gezegd: lichaam en geest hebben standaard veel meer met elkaar te maken dan wij ons op dit moment nog voorstellen.)
Wanneer van den Berk over Jungs symbooltheorie komt te spreken, stelt hij ook de archetypen aan de orde. Ik vraag mij af in hoeverre je van archetypische symbolen kunt zeggen dat zij (waarschijnlijk) universeel zijn. Dat je vergelijkbare patronen terug kunt vinden, akkoord, maar dat wat je vindt dan onmiddellijk universeel zou moeten zijn, liever niet. Ik denk dat ik dit bezwaar ook al tegen Jung had. Misschien zou je kunnen zeggen dat evengoed als je archetypen kunt vinden vanuit het verleden, je ook patronen kunt zoeken in de toekomst, en misschien zijn die dan wel anders, dus niet universeel maar toch archetypisch, want patronen. Ik voel bij archetypen altijd al gauw weer iets dogmatisch om de hoek kijken, terwijl dat wellicht niet hoeft. Misschien zijn archetypen in sommige opzichten toch flexibel. (Damasio maakt ergens de kanttekening dat terwijl veel zaken genetisch vastliggen, culturele vormen juist variabel zijn. De vraag is dan wat de relatie is.) Misschien doelt van den Berk op iets dergelijks als hij (123) aangeeft dat een mogelijk tekort in Jungs opvattingen over archetypen voor hem niets afdoet aan Jungs symbooltheorie.
Ondertussen leven we in een tijd dat de meeste mensen buiten de kerk om hun weg moeten vinden, en dat zo goed en zo kwaad als het gaat, ook doen. Of die 'gewone' mensen aan dit boek wat hebben, is de vraag. Het boek is vooral van waarde voor de meer geletterden, voor de religieuze opvoeders en geïnteresseerden; het veronderstelt een behoorlijk (intellectueel) niveau. Wat ik enigszins mis, is een sociologische visie op inwijdingsgenootschappen zoals ook de kerken zijn. Zijn onderscheid tussen volkskerk en privékerk is op zichzelf wat mager uitgewerkt, en lijkt vooral gebaseerd op de rooms-katholieke context. Hoe legitimeren hiërarchieën zich in goed respectievelijk slecht functionerende inwijdingsgenootschappen? Dit is in vele bewegingen een gevoelig punt - in dit opzicht kan veel misgaan en is al te veel misgegaan! Ook mis ik iets over de rol die concurrentie tussen verschillende inwijdingsbewegingen speelt, en hoe wij om zouden kunnen gaan met het bombardement van de media en met de informatie-overload. Impliciet heeft de auteur duidelijk overigens duidelijk stelling genomen: inwijdingsbewegingen zijn er om symboliseringsprocessen te ondersteunen, en die steun kan alleen vroedvrouwkunde zijn, niet indoctrinatie of erger. Dat heeft ook grote implicaties voor de integriteit van de vroedvrouw (respectievelijk begeleider), het gaat om kwetsbare processen (vergelijk hierboven: bij laagdrempelig bewustzijn)!
En het is wellicht ook niet het doel van de auteur geweest om ook de aspecten te behandelen waarover ik graag meer had gelezen. Dat hij het symboliseringsproces zoals dat in religies een rol speelt of – anders gezegd - het symboliseringsproces in zijn religieuze aspect in dit boek zo helder en veelzeggend belicht, is al waardevol genoeg. Maar ik zou graag meer lezen over geslaagde symboliseringsprocessen (hij noemt de beweging van vrouwengroepen over de hele wereld als voorbeeld van de grote en succesvolle rol van het delen en opdoen van onder meer ervaringsweten), of aangeven voor welke (soorten) inwijdingsgenootschappen hij waardering heeft, of wat voor hemzelf belangrijke symbolen zijn (hij geeft al een paar hints). Van mij mag duidelijk gesteld worden: laat de doden de doden maar begraven, ofwel: zij die de vrije geest hinderen, graven hun eigen graf. Misschien was het nuttig geweest aan te geven voor welke lezers hij schrijft: zowel kerkelijke als niet-kerkelijke? Er blijft voor mijn gevoel nu iets teveel zweven wat anders bij beide doelgroepen apart wellicht duidelijker overgekomen was. Maar ik weet het: religies zijn altijd syncretistisch, en altijd hulpmiddelen of voertuigen voor de processen die mensen doormaken. Maar als de auteur hier bewust zaken in het midden liet, vind ik dat niet helemaal geslaagd: hij neemt wel afstand van belemmerende factoren in de kerken maar laat verder wel heel erg veel open. Duidelijk gezegd: ik vind dat ieder mens een eigen (ten diepste ook spirituele) weg gaat en dat godsdienstige instituties daaraan ondergeschikt dienen te zijn, en dat zeker de christelijke kerken in hun geschiedenis vaak te eenzijdig op het uiterlijke gericht geweest zijn, en daaraan de religieuze processen van hun leden hebben opgeofferd. Vanuit de vroedvrouw-rol zou een andere benadering aangewezen zijn! Daarover zou ik meer willen leren.
Dat het de auteur om een open communicatie gaat, blijkt behalve uit zijn praktische aanwijzingen voor het voeren van gesprekken naar aanleiding van symbolische ervaringen (films kijken) ook uit zijn buitengewoon stimulerende aandacht voor het spel-element in het symboliseringsproces (met een beroep op Huizinga en Schiller; eenzelfde waardering van het spel in deze context kwam ik vroeger al eens tegen bij Eugen Fink in diens boeiende boek Spiel als Weltsymbol).
Het is te hopen dat velen de praktische handvatten en de stevige cognitieve steun in de rug die de auteur in dit waardevolle boek biedt, zullen ervaren als een hulp bij hun eigen transformatie en die in en van hun religieuze omgeving. Mij was het trouwens alsof de auteur mij al lezende af en toe ook de wereld van het laagdrempelige bewustzijn binnenhaalde: hij wekte vertrouwen en nam me mee in zijn levendige illustraties. Ik ben de auteur verder speciaal dankbaar voor zijn weergave van wat hij als de kern van de traditie ziet, en als kernauteurs, en voor hun prachtige citaten die hij de lezer voorlegt. Ik herken mij in zijn neiging te zoeken naar wat klassiek is, en wellicht ook zelf klassiek te willen zijn. Ik beschouw de kwaliteit van zijn werk als klassiek; maar hoe anderen en komende generaties dat zullen beoordelen, is iets waarin we ieder haar of zijn vrijheid willen gunnen. Wat klassiek is, kan dat alleen zijn als basis voor vrije verwerking en interpretatie (ook van zijn vroegere werk door de auteur zelf). Ik denk dat de auteur dat met mij eens is.
24 april 2001 / 27 februari 2004
Konstantin Paustovskij, Verre jaren: Herinneringen uit het tsaristische Rusland, Vertaald door Wim Hartog, Amsterdam (Arbeiderspers) 1991-Zesde druk, 332 pp.
idem, Onrustige jeugd: Prelude op de Russische Revolutie, Vertaald door Wim Hartog, Met een nawoord van Martin Ros, Amsterdam (Arbeiderspers) 1992, 301 pp.
Paustovskij vertelt, met ervaringen uit zijn leven als rode draad, over het Rusland van eind vorige eeuw (eerste deel) en van de tijd voorafgaand aan de Russische Revolutie. Hij beschrijft landschappen, mensen, karakteristieke gebeurtenissen, levensschetsen, en maakt opmerkingen over de taal. Hij stemt weemoedig, is romantisch, en laat je delen in zijn hartstocht voor Rusland en voor de taal. Tegelijk laat hij maatschappelijke tegenstellingen zien, en veel meer. De stad, het platteland, de oorlog, de natuur, de kleinheid van mensen en de grootheid van de taal en van het delen van emoties en dus ook van mensen. Ieder deel heeft vele hoofdstukjes, na een tijdje worden de indrukken teveel en leg je het boek weg. Maar na een tijd kan je het weer niet laten en word je er weer naar toe getrokken en lees je verder. Behalve prettig om te lezen ook boeiend en informatief over het land en zijn geschiedenis.
Dit zijn de eerste twee delen van een zesdelige reeks.
24 april 2001
Arnošt Lustig, De reis van Katharina Horowitz, Amsterdam (Wereldbibliotheek) 1994, [Vertaald uit het Tsjechisch door Mieke Lindenburg], 154 pp.
Het verhaal van een twintigtal zeer rijke Amerikaanse joden, opgepakt in Europa in de Tweede Wereldoorlog, die op transport gesteld worden en te horen krijgen – een leugen - dat ze zullen worden uitgewisseld voor krijgsgevangen Duitse officieren. Zij kunnen de illusie volhouden dat zij niet op weg zijn naar een concentratiekamp. De Duitsers houden hun leugen vol en spelen een gruwelijk spel met hen. Hun worden steeds meer concessies afgedwongen (ondertekende schuldbewijzen), de trein nadert het kamp, gaat toch weer weg, komt weer terug … tot de illusies over zijn. Doordat wij lezers weten wat de kampen inhouden, is de beklemming erg groot. Dat blijken ook de illusies van de beschreven hoofdpersonen. Daar doorheen speelt het verhaal van Katharina Horowitz die 'toevallig' bij de groep verzeild is geraakt. Zo is een indrukwekkende roman ontstaan.
11 mei 2001
URL: http://www.bk-books.eu/lezen3.html
Version 9 = latest revision of 27 februari 2004 (Version
1: 26 February 2001)
© 2001-2002 Boudewijn Koole; copying admitted
in case
acknowledgement is provided (at least reference to site: www.bk-books.eu and with link to url (unique resource location or web-address) of the text copied or referred to; if wished so with your valuation)