Lezen (of juist niet)! 4


Deze pagina bevat een lijst van sinds mei 2001 gelezen teksten met commentaar.

Retour naar overzichtspagina gelezen teksten

Gelezen - sinds 2001- b

Read - since 2001- b






Elaine Pagels, De Gnostische Evangeliën, met een voorwoord van Prof. Dr. Gilles Quispel, met noten en register, Amerongen (Gaade) 1980, 160 pp.
Idem, Adam, Eva en de slang, met noten en index, Katwijk aan Zee (Servire) 1989, 265 pp.

Deze boeken bieden een eerste kennismaking met de religieuze teksten uit de eerste eeuwen die gevonden werden in Nag Hammadi (complete Nederlandse vertaling: J. Slavenburg / W. Glaudemans,
De Nag Hammadi-geschriften) en tot vele vaak nieuwe vragen aanleiding gaven over de godsdienstige ontwikkelingen in die tijd, speciaal van jodendom en christendom, die zich toen beiden ontwikkelden tegen de achtergrond en vaak binnen het kader van de wisselwerking die overal plaats had in de hellenistische cultuur (met vele allochtonen uit de buitengebieden die hun eigen cultuur meenamen naar vooral de grote steden om de Middellandse Zee). In deze ontwikkelingen in het algemeen bieden deze boeken geen algemene inleiding. [1 alinea geschrapt i.v.m. ruimtegebrek.]
Pagels bespreekt achtereenvolgens de thema's opstanding (1), hiërarchie in de kerk en in de Godsopvatting (2), God de Moeder en de rol van de vrouw (3), visies op lijden en op de god- en menselijkheid van Jezus (4), de kerkopvattingen van gnostici en orthodoxen (5) en de gnosis als zelfkennis die tevens kennis van God is (6). Steeds probeert zij de verschillen tussen orthodoxen gnostici aan te geven.
En wat beslist waardevol is, is dat Pagels eigen antwoorden nog steeds de moeite van het overwegen waard zijn, al zijn er tegenwoordig gelukkig al weer meer en betere inzichten te vinden; haar invalshoek – de politieke of sociologische betekenis van de teksten – is daarbij zeker een voordeel. Al moet ik iedere lezer aanraden zoveel mogelijk van de context te weten te komen alvorens de confrontatie met de vragen aan te gaan, althans alvorens daarop de definitieve antwoorden te verwachten. Voor mij is inmiddels wel duidelijk dat veel van de ontdekte teksten in een eigen historische, antropologische en religieuze en wellicht ook maatschappelijke context gelezen moeten worden, wellicht los van onze snelle vragen. Maar daarvoor bieden zich steeds meer goede boeken aan, gelukkig. Zo verwijst zij zelf al naar het boek van Peter Brown, Body and Society. En ik zou nog kunnen verwijzen naar het boek van Mack: Wie schreven het Nieuwe Testament werkelijk?
Adam, Eva en de slang heeft een gelukkige themakeuze: (voornamelijk) de rol van de uitleg van Genesis bij verschillende christelijke stromingen in de eerste eeuwen (maar ook wat meer algemene informatie over de positie en de houding van de christenen in de Romeinse samenleving; de titel van het boek doet aan deze zeer waardevolle algemene informatie wat weinig recht). Zeer belangrijke thema's worden aan deze kapstok opgehangen zoals de motieven voor het martelaarschap, de visie op het ideaal van de maagdelijkheid (ofwel afzien van uiterlijk sexueel gedrag) als uitdrukking van spiritualiteit, de vrijheid van de menselijke wil (op basis van de mens als beeld van God) en de aard van de menselijke natuur en de complexe spirituele en politieke implicaties daarvan die zeer duidelijk naar voren worden gebracht. En wel in de context van concrete levenssituaties van de verschillende stromingen, en zeer interessant geïllustreerd aan boeiende citaten die goed uitgelegd worden. Veel meer nog dan De Gnostische Evangeliën biedt Pagels hier niet alleen uiterst belangrijk materiaal maar ook interpretaties die uiterst belangrijk en vruchtbaar kunnen zijn, en goed te volgen, onder andere een waardevolle uitleg van het Evangelie van Philippus en van de opvattingen van de Valentinianen (in hoofdstuk 3). Dit boek kan voor veel mensen de ogen openen voor de vaak nog onbekende geschiedenis van allerlei aanpassingen van het christendom dat zich uiteindelijk ontpopte als dominante stroming (zoals de strijd van Augustinus over de vrije wil en de menselijke natuur met Julianus van Eclanum, en de politieke aspecten daarvan; hoofdstuk 6). Maar ik kan het boek niet hier samenvatten. Het is een uiterst waardevol overzicht en zeer zorgvuldig in het bronnengebruik. Het boekbesluit met een waardevolle epiloog. Lees het!
Ik noem nog enkele punten die ik mis. Pagels geeft weinig informatie over het Palestijnse, Syrische en verdere Christenjodendom, dat toch zo belangrijk was in de eerste eeuwen. Zelfs Pagels maakt verder nog af en toe de indruk dat de orthodoxie aan de ketterijen voorafging terwijl ze weet dat het in het algemeen omgekeerd was (iets wat ze al in De Gnostische Evangeliën liet blijken); zo nieuw is het materiaal kennelijk.
Interessant is dat Pagels in deze boeken voorzichtig is met haar standpunt over de christelijke orthodoxie. Zij is heel wat duidelijker in haar voorwoord bij het boek van Thich Nhat Hanh, Boeddha leeft, Christus leeft. Zij kiest daar onomwonden voor het gnostische standpunt dat we in onszelf kijkend het al zullen vinden (overigens zonder het orthodoxe standpunt als zodanig illegitiem te verklaren).
Voor een ander belangrijk boek van Pagels zie nu haar Ketters en rechtgelovigen.
11 mei 2001 / 14 juni 2004

Daniel Palmer, 'Masao Abe, Zen Buddhism, and Social Ethics', in: JBE (Journal of Buddhist Ethics) Volume Four, 1997, met noten, = http://www.gold.ac.uk/jbe/4/palmer1.html (N.B. het JBE is momenteel een tijdschrift in uitsluitend elektronische vorm)

Inleiding
Samenvatting: Masao Abe, de laatste decennia de belangrijkste Oosterse dialoogpartner voor het Westen inzake (Zen-)boeddhisme, beschouwt een dialoog tussen Christendom en Boeddhisme als het meest kansrijk en vruchtbaar wanneer zij in gesprek gaan met elkaar en met de verscheidene vormen van rationaliteit die er in de samenleving te vinden zijn. Op deze wijze dient een wederzijdse transformatie van concepten plaats te vinden die de het overleven en de relevantie van traditionele vormen van religie als de genoemde in een moderne samenleving kunnen bevorderen. Bij een dialoog dienen beide zijden gerespecteerd te worden als wat zij zijn, inclusief hun diepste motieven en mogelijkheden tot verandering. Een centraal aandachtspunt in het Westen is sociale rechtvaardigheid en het oplossen van sociale problemen. Het Boeddhisme heeft vaak het verwijt te horen gekregen dat het in dat opzicht tot weinig in staat lijkt te zijn. Abe laat zien dat in een aantal centrale boeddhistische noties mogelijkheden liggen om omgevormd te worden tot een basis voor sociale kritiek en daarbij toch de wezenlijke karaktertrekken van het Zen-boeddhisme te behouden.
Boeddhisme en sociale ethiek – traditionele problemen
Het belangrijkste verwijt aan het boeddhisme is geweest dat het (in de grond) een vorm van escapisme zou zijn: vluchten voor de problemen in plaats van ze op te lossen. In de geschiedenis zijn hier voorbeelden van maar ook van het tegendeel. Men wijst hierbij wel op de theoretische onmogelijkheid van sociale kritiek in het boeddhisme (bijvoorbeeld omdat het boeddhisme door haar standpunt van niet-oordelen geen criteria aan zou kunnen leggen voor waarden en de weg naar un realisering). Het begrip karma – de gevolgen die iemands verantwoordelijkheid voor zijn eigen daden met zich meebrengt - zou vooral gericht zijn op individuele verlossing en tot fatalisme aanleiding geven zonder dat men de samenleving erbij zou hoeven te betrekken. Deze kritiek gaat twee kanten op.
I. Ten aanzien van het begrip nirvana – de verlossende uitdoving (door het overstijgen van alle dualiteiten in samsara, de wereld waarin we leven die gekenmerkt is door dukha, dat is uiterlijk en innerlijk ongemak en lijden) die het doel van het boeddhisme is - is de kritiek: 1. Het lijkt een individuele verlossing te zijn, 2. Zelfs als men zoals in het Zen-boeddhisme nirvana ziet als een verwerkelijking binnen samsara (in tegenstelling tot het Theravada-boeddhisme dat nirvana als een apart gebied of niveau opvat buiten samsara) lijkt nirvana toch in strijd met het ingaan op de problemen van samsara (die moet men immers juist te boven komen en er niet in verwikkeld raken), en dus met de mogelijkheid van sociale ethiek.
II. Met nirvana is nauw verbonden het begrip sunyataa of absolute leegheid (als nirvana het ontwaken tot de ware aard van alles is, is sunyataa de uiteindelijke ontologische werkelijkheid waartoe men ontwaakt). Als logische en metafysische term geeft sunyataa zowel het ontbreken aan van enige onafhankelijke essentie of zelf in dingen als de dynamiek in de onderlinge relaties die de dingen constitueert. Ofwel alle hangt van iets anders af en alles is onderworpen aan een proces van ontstaan en verval. De kritiek hierop is dat wanneer je zo alles eenzelfde ontologische status geeft, het niet meer mogelijk zou zijn om nog onderscheid te maken tussen afzonderlijke sociale arrangementen, en een sociale ethiek dus onmogelijk is. Bovendien zouden alle principes, waarden of idealen als ze er al konden zijn, eveneens iedere substantiële werkelijkheid ontberen, met hetzelfde gevolg. Inderdaad geeft het boeddhisme ontologisch geen voorkeur aan het goede boven het kwade. Hoe kan zo een 'objectieve' moraal gefundeerd worden, althans een basis gelegd worden voor juiste sociale oordelen? Het ontbreken van absolute morele criteria zou dan toch gecombineerd moeten worden met opbouwende sociale kritiek.
Uiteraard is de hierboven geschetste kritiek niet volledig. Maar hopelijk voldoende om de problematiek aan te duiden.
Abe en de sociale kracht van Zen
Dan nu Abe's antwoord: een nieuw paradigma voor het Zen-boeddhisme dat wel de genoemde basis biedt. Abe biedt een zodanige uitleg van de genoemde begrippen dat zij een positief sociaal aspect van Zen laten zien. Hiervoor hanteert Abe drie hermeneutische strategieën.
(1) Allereerst laat Abe zien dat de individualistische inperking van de begrippen karma en nirvana een vertekening is die aan hun sociale aspect geen recht doet.
Voor Abe is de erkenning van onderlinge afhankelijkheid van alle dingen centraal in de Zen-metafysica en het hart van de boeddhistische visie op de wereld. Daarom begint hij zijn uiteenzettingen van Zen vaak met een uitleg van sunyataa die hiervoor staat. Voor Abe moet sunyataa gelezen worden als de onbepaalde wijs 'zelf-ontledigen' in plaats van als het naamwoord 'leegheid'.
Karma is volgens Abe gebaseerd op avidya (onwetendheid, namelijk inzake leegheid en zo-zijn): we herkennen niet meer de vergankelijkheid van de dingen en hechten ons er zodoende aan. Bevrijding van karma is bevrijding tot de wetenschap dat wij en onze daden ten diepste verbonden zijn met de levens van anderen. Pas als deze fundamentele onwetendheid is doorbroken, kunnen wij ontwaken tot de ware natuur van de dingen.
De onderlinge afhankelijkheid van alle dingen impliceert ook die van samsara en nirvana – anders zou men in nirvana blijven als een gehechtheid aan nirvana moeten opvatten, alsof men zelfzuchtig alleen op de eigen verlossing gericht is. Men moet ook bevrijd worden van de dualiteit van nirvana en samsara, en van het profane en het religieuze. Nirvana moet gerealiseerd worden in, en in relatie tot, de wereld van samsara.
Wat karma betreft, is duidelijk dat er een collectief aspect aan te onderscheiden is. Omdat onze levens onlosmakelijk met die van anderen verbonden zijn, is karma een intrinsiek sociaal concept – vanwege de onderlinge verbondenheid van de hele werkelijkheid. Dit leidt tot een sociale filosofie die hieraan recht doet, waarin het persoonlijke, politieke, sociale en economische dynamisch verbonden zijn, en die recht doet aan de verantwoordelijkheid die wij allen hebben voor elkaars situatie. Kortom, uitgaande van sunyataa als accentuering van de onderlinge afhankelijkheid van alle dingen, worden karma en nirvana tot bouwstenen van een sociale filosofie en ethiek. Karma wordt een sociaal concept en nirvana is geen individualistisch doel maar impliceert de verwerkelijking van die verbondenheid van alle dingen, die mensen bevrijdt van egoïsme en tot creatief werken in de wereld van samsara.
(2) Abe vat nirvana en sunyataa niet op als een doel van het boeddhistische leven maar als de grond of het vertrekpunt vanwaar het boeddhistische leven en handelen pas goed kan beginnen. Ten eerste impliceert volledige bevrijding van alle dualiteiten dat men echt aandacht voor anderen kan hebben en niet aan zichzelf of dingen buiten zich gehecht is; het is daarvoor een voorwaarde. Vervolgens krijgt de wereld van samsara vanuit deze verwerkelijking een nieuwe betekenis: zij wordt niet overwonnen wordt maar ieder ding wordt bevestigd en verwerkelijkt in zijn zo-zijn (zoals het is) zonder dat onderscheiden verwist worden. Doordat wij haar niet-wezenlijkheid zien (in de zin van vergankelijkheid, niet in de zin van onechtheid), kunnen we vanuit een bevrijde visie handelen. Elke toestand heeft iets toevalligs en geen eeuwige noodzaak.
Wel blijven we dan nog criteria nodig hebben als richtlijn voor ons handelen. Abe biedt een basis daarvoor (en wel een boeddhistische en een die anders is dan andere bekende ethische criteria) op basis van het begrip sunyataa. Het uiteindelijke criterium voor waardeoordelen is volgens hem of een ding of handeling iemands zelf en iemands ander al dan niet doet ontwaken. Zoja, dan is het waardevol, zonee, dan is het het tegendeel daarvan. Dus de waarde van onze handelingen dient vastgesteld te worden op basis van de mate waarin zij verder ontwaken en verdere verlichting bevorderen. Hoe functioneert dit concreet? (3) Abe maakt onderscheid tussen het 'horizontale' sociaal-historische aspect van het menselijk bestaan, zich afspelend in tijd en ruimte, en het 'verticale' metafysische of religieuze aspect ervan, dat tijd en ruimte te boven gaat; ofwel de aspecten van immanentie en transcendentie. Deze aspecten zijn wezenlijk en kwalitatief van elkaar verschillend en toch onlosmakelijk met elkaar verbonden. De sociaal-historische dimensie is een voorwaarde voor de metafysische, omdat de laatste alleen via en in de eerste verwerkelijkt kan worden. Alleen in relatie tot een bijzonder samenstel van sociale en historische omstandigheden kunnen we ontwaken tot de uiteindelijke leegheid van de werkelijkheid.
In tegenstelling tot wat men traditioneel aan het boeddhisme verwijt is hier geen sprake van een afstand nemen tot het sociale en historische, en van de verschillen die daar gelden. Alleen door die verschillen te erkennen en recht te doen in hun zo-zijn, kan hun uiteindelijke leegheid verwerkelijkt worden (en vice versa). Dit bevrijdt het handelen tot creativiteit. Niets wordt absoluut. Vanuit dit standpunt kan men redeneren dat sommige sociale en historische constellaties gemakkelijker leiden tot de ervaring van verlichting dan andere. Een boeddhistische sociale ethiek zou erin bestaan die sociale configuraties te analyseren en te bevorderen die geschikter zijn om het aan het grootste aantal personen mogelijk te maken zich te bevrijden van de overheersende praktische noodzakelijkheden van de horizontale dimensie die leiden tot de gehechtheden van individuen aan goederen en situaties in die dimensie; die het gemakkelijkst leiden tot de verlichting van alle personen.
Conclusie
De ontwikkeling van passende vormen van Westers boeddhisme hangen ervan af of het boeddhisme in staat is de sociale kwesties aan te pakken die in de contemporaine gedachtenwisselingen voorop staan. Want sociaal bewustzijn is kenmerkend voor de Westerse ervaring, zowel praktisch als theoretisch. Hoewel nog veel uitwerking nodig zal zijn, heeft Abe daarvoor een basis gelegd in zijn drie strategieën: 1. Onderlinge afhankelijkheid als centrale notie van sunyataa, 2. Nirvana en sunyataa niet als doel maar als grond van het boeddhistische leven, 3. Onderscheid maken tussen de horizontale en verticale aspecten van de ervaring, in hun samenhang, als basis voor concrete waardering van situaties en handelingen.
15 mei 2001

Thich Nhat Hanh, Boeddha leeft, Christus leeft, met een voorwoord van Broeder David Steindl-Rast, O.S.B., en een inleiding van Elaine Pagels, met verklarende woordenlijst en adressen, Nieuwerkerk a/s Ijssel (Asoka) 2000, 164 pp.
Idem, Jezus en Boeddha als broeders, met Voorwoord en Adressen, Rotterdam (Asoka) 2001, [= vertaling van: Going home], 156 pp.

U kunt beter dit boek Boeddha leeft, Christus leeft lezen dan mijn opmerkingen erover die er slechts beperkt recht aan kunnen doen (ik moet deze boeken beslist nog eens lezen om voor mij alles er uit te halen en te verwerken). Dit is voor mij het allerbeste wat ik tot nu toe van deze auteur heb gelezen (zie mijn opmerkingen over eerder gelezen boeken). Zijn spirituele inzicht in de hem 'vreemde' traditie van het christendom is adembenemend diep, of beter: opademend bevrijdend. De auteur heeft een scherp oor voor wat een traditie – en de mensen en teksten die hem erover vertellen – te zeggen heeft. En weet dat dan ook nog helder en in wat ik ervaar als het juiste spirituele verband weergeven en doorgeven. In dit boek wordt ook de neiging doorbroken om religies als vaste grootheden te zien die slechts met moeite communiceren. De auteur laat zien dat wij allen ieder moment dicht bij God en dicht bij nirvana zijn, of hoe je dat ook uit wilt drukken. Hij laat zien dat religies verwijzen naar de diepste ervaring van de werkelijkheid die ieder moment voor iedereen open staat – daar gaat het om in religies en niet om de religies zelf. In dit opzicht lijkt de auteur op grootheden als Kabir (Kabir: door Frederik van Eeden naar het Engels van Evelyn Underhill en Rabindranath Tagore, Deventer (Uitgeverij N. Kluwer N.V.) 1971- vierde druk, 98 pp.; N.B. Kabir wordt door hindios en moslims als geloofsgenoot erkend) of Rumi (Djalallu'dinn Rumi: Fragementen uit de Mashnawi: Naar het Perzisch vertaald en toegelicht door Prof. Dr R. van Brakell Buys, 's-Gravenhage (East-West Publications Fonds b.v.) z.j., 245 pp.; = gewijzigde herdruk van de uitgave door de Arbeiderspers in 1952; Rumi: het is wat het is, Amsterdam (Karnak) 1978, 156 pp.) , van wie de poëzie door mensen van alle godsdiensten herkend wordt, en als Boehme, die eveneens de intuïtie deelt dat de diepste religieuze ervaring andere religies niet per definitie uitsluit (integendeel: wie uitsluit is op de verkeerde weg). Nu is dit geen poëzie van de auteur, al heeft hij indrukwekkende gedichten geschreven. Maar het zijn uitleggende teksten die veel vertellen over de kern van boeddhistisch en christelijk leven, en de bronnen daarvan (terloops komt een veelheid relevante bronnen aan de orde). Voor zijn volstrekt geweldloze benadering vindt de auteur een krachtige bondgenoot in de inspiratie van Jezus. Tegelijkertijd voelt de auteur niets voor het christelijke masochisme, dat via kunstmatige zelfopoffering de verlossing af lijkt te willen dwingen. Evenals Alan Watts beklemtoont de auteur dat wij altijd al een zijn met de natuur en met God, en dat God en de natuur niet onverenigbaar zijn maar altijd verenigd. Hij maakt duidelijk dat echte verlichting, echt christelijk spiritueel leven, van binnen uit vredig, vreugdevol en blij is - en maakt. Het luistert, vol zelfrespect en respect voor het andere, en is er 'één' mee. Een schat, dit boek. Tevens een waardevolle illustratie van wat religieuze dialoog kan zijn.
De vertaalster heeft ervoor gekozen 'beoefening' gebruiken waar het gaat om de religieuze praktijk. Het geestelijke aspect heeft dan meer accent. 'Oefening' had ook gekund maar ik vind dit wel acceptabel, in ieder geval iets om eens uit te proberen.
Ik meld nog dat het citaat op blz. 46 uit Psalm 46:11 afkomstig is.
Dit boek kan ook als basisliteratuur over Zen-boeddhisme gelezen worden, misschien zelfs over religie in het algemeen, aan de hand van uitleg van de kern van boeddhisme en christendom.
De voorwoorden van David Steindl-Rast (met de auteur verwant christelijk monnik en strijder voor vrede) en van Elaine Pagels, die laat zien dat de auteur sterke steun vindt in de gnostieke christelijke traditie, zijn waardevol en informatief.
Dit is zonder meer het beste boek dat ik op dit moment ken voor westerlingen die een enigszins christelijke achtergrond hebben, om vanuit die achtergrond kennis te maken met het boeddhisme en vooral met de essentie van verlichting en spiritueel leven; ook diegenen die niet die achtergrond hebben of zoeken, zullen er echter een onvervangbaar goede inleiding in vinden in wat religie is. Uitermate aanbevolen.

Jezus en Boeddha als broeders is een - even waardevolle - aanvulling van Boeddha leeft, Christus leeft. Ik stip enkele punten aan die ik nog niet noemde.
De auteur verzet zich hevig tegen de negatieve invloed die volgens hem uitgaat van seksueel en agressief prikkelende publiciteit, schriftelijk of via televisie en radio. Hij onderkent heel goed de vercommercialisering van de politiek en de media (met name ten opzichte van de cultuur van minder machtige volken en groepen). Zo komen volgens hem zwakke mensen voortijdig in de macht van iets anders dan hun eigen wil, en dan onderlinge solidariteit. Dat lijkt mij een waardevol uitgangspunt voor discussie (waartoe de auteur oproept). In dit opzicht is hij bepaald niet wereldvreemd. Ook al vind ik dat ieder individu vrij moet zijn in wat hij of zij denkt en aan informatie tot zich neemt (waarbij het evident is dat sommigen, waaronder kinderen, veel baat hebben bij een goede begeleiding en een tijdelijk en in sommige opzichten beschermde omgeving, maar ook dat het niet mogelijk en niet nodig is al onze agressieve en seksuele neigingen te verbergen laat staan te onderdrukken; beter dus: laat zien hoe je ze waardevol kunt kanaliseren en integreren), het is belangrijk dat wij in het Westen met onze overdoses aan informatie leren omgaan, en ook met culturele imperialisme en de politieke uitbuiting die door de zogenaamde marktwerking en vrije meningsuiting ten onrechte gelegitimeerd zouden kunnen worden.
Een ander punt is nog de afwijzing van alcoholgebruik door de auteur. Ik neem aan dat hij bedoelt dat dit onze zuivere waarneming vertroebelt en daarmee onze verlichting en ons mededogen. Ik vind dat hiermee in zoverre niet alles is gezegd dat ik onder bepaalde omstandigheden het gebruik van genots- en zelfs roesmiddelen niet bij voorbaat zou uitsluiten, zonder een veelvuldig gebruik (laat staan verslaving) te willen aanprijzen. De auteur legt het accent op de "gif"-kant, maar er zijn andere kanten zoals de "feest"-kant zou ik zeggen. Hiertussen kan ook evenwicht gevonden worden, al is het zinvol problemen te onderkennen en te voorkomen.
Dit brengt mij op nog een punt van aandacht, dat ik ook al bij Boeddha leeft, Christus leeft en bij andere spirituele literatuur had. Dat is de verhouding tussen sociale verbanden en de daarbij horende (onder andere economische) realiteiten en verplichtingen enerzijds en de spirituele idealen en hun realisering anderzijds. Samen te vatten onder de verhouding tussen monniken en leken (gezinnen) en tussen de regels die in de maatschappij haalbaar zijn en die in de religieuze gemeenschap kunnen gelden als ideaal. Daar zitten natuurlijk spanningen tussen, ook al moet de basis zijn dat de polen van deze spanning op een bepaald punt ook weer gegrond zijn in een zelfde eenheid. Kortweg: voor spiritueel rijpere mensen kun je de lat hoger leggen dan voor onvolwassen mensen, en tegelijk moet je zeggen dat de waarde van alle mensen en alle sociale verbanden (seculier of religieus), als je hun intrinsiek (on)mogelijkheden bekijkt als unieke onderdelen van het grote geheel, even groot is (waarbij ik mij ten aanzien van de grenzen tussen seculier en religieus bovendien haast op te merken dat ook hier de tegenstelling niet verabsoluteerd mag worden: beide polen komen in beide gebieden voor; denk onder meer aan het feit dat ook religieuzen levensonderhoud nodig hebben, en dat een arbeid(st)er niet alleen loon waard is maar ook menselijkheid en contact). Als je hiervan uitgaat, kun je een richting bepalen waarheen het moet, zonder – of beter: om juist niet - de grotere eenheid uit het oog te hoeven verliezen. De spanning die je in het boeddhisme vind tussen monniken en leken, vind je in het christendom tussen zij die het ideaal van de Bergrede van Jezus (streven naar verlichting; niet streven naar bezit; de vijand liefhebben en hem ook de andere wang toekeren; solidair zijn met de armen en de zwakken) nastreven met opoffering van hun persoonlijke gehechtheden (bezit, seksuele relatie, op zelfverrijking gerichte rollen, functies en beroepen) dan wel zij die dat vanuit een maatschappelijk meer gevestigde positie (status, bezit, enzovoort) willen doen maar dan minder radicaal. Bij de discussie over dergelijke gevallen gaat het natuurlijk nooit om het afzwakken van de idealen maar om het vinden van de beste weg om die te realiseren voor iedereen, vanuit de grote eenheid gezien. (Ik verwijs hier naar mijn samenvatting van het artikel van Palmer over zen-boeddhisme en sociale ethiek waarin een criterium voor zen-boeddhistische sociale ethiek geformuleerd wordt, te weten dat dat denken en handelen voorkeur verdient dat het meest bevorderlijk is voor verlichting. Een criterium waarin het sociale zijn verantwoorde plaats heeft.) Religieuzen en religieuze gemeenschappen zijn wellicht virtuozen of specialisten te noemen op spiritueel gebied, maar dat zou idealiter ook moeten betekenen dat zij in economisch en politiek opzicht een helder bewustzijn ontwikkelen en eventueel een voorbeeld- of spiegelfunctie ontwikkelen. Ik ben echter een tegenstander van het voorschrijven van regels aan anderen, met name degenen die in een of ander opzicht 'zwakker' staan en bevoogding nodig zouden hebben. Bevoogding is soms onvermijdelijk, maar dwang heeft alleen maar zin als uiterste middel, en dat moet mijns inziens ook voor bevoogding gelden. Ik zie het hanteren van uiterlijke regels voor innerlijke problemen niet als een oplossing, hoogstens als een noodmaatregel waarbij je je altijd af moet vragen of het middel het doel niet voorbijschiet. We moeten dan ook eerlijk zijn in het stellen van grenzen aan onze hulp voor de zwakken (en het zwakke in onszelf) en daar voor uit durven komen, en niet de zwakken (en het zwakke in onszelf) in stilte de rekeningen laten betalen. Helpend omgaan met het zwakke lijkt mij een sociaal waardevol doel; tegelijk lijkt mij nodig dit criterium uit te werken volgens het hierboven genoemde 'hogere' criterium van de verlichting. Ten diepste blijkt ook hier weer dat wijsheid en mededogen in elkaars verlengde zullen liggen en niet elkaars concurrenten zijn, al moet in de praktijk blijken hoe ver onze polsstok van algemene regel tot algemene regel en van situatie tot situatie en van geval tot geval reikt (waarover helderheid geschapen dient te worden en verantwoording afgelegd).
Wat de geschiedenis van het christendom betreft, is hier ook de verhouding van kerk en staat aan de orde (ik ben voor een goede scheiding ervan), en in bredere zin van geloof en politiek (over dit laatste schreef H.M. Kuitert een spraakmakend boek met de mooie titel Alles is politiek, maar politiek is niet alles). Het punt is dat beide gebieden zich in de praktijk natuurlijk niet precies laten afgrenzen zonder grensoverschrijdingen, met andere woorden het gaat erom zich het onderscheid zo goed mogelijk bewust te zijn en het vervolgens zo goed en zinvol en vruchtbaar mogelijk in praktijk te brengen ten dienste van het bereiken van het hoogste goed, niet langs absoluut zekere lijnen maar vaak benaderenderwijze, met een grotere verantwoordelijkheid voor degenen die over de informatie beschikken en degenen die bepaalde invloedrijke posities innemen. Duidelijk moge zijn dat Jezus geen economisch of politiek invloedrijke positie bezat of nastreefde in de zin van een religieuze organisatie met belangrijke invloed of gevestigde positie. Veel te onbekend is de enkratitische (enkrateia = onthouding) traditie in de bewegingen die door Jezus geïnspireerd werden in de eerste eeuwen (zie hierover onder meer het boek Op zoek naar loutering van A. Mantz-van der Meer, 1989, met name pp. 56-177). En die net als de gnostische tradities in de latere christelijke katholieke kerken werd ingekapseld (celibaat) of onderdrukt (mystiek als ketterij). Wij zijn toe aan een nieuwe definitie van wat ons in de religie inspireert, in bijvoorbeeld het boeddhisme en het jodendom en het christendom, en aan het vruchtbaar maken daarvan in eenvoudige vormen van liturgie en meditatie, die daarop voortborduren en die deze inspiratie symboliseren. Met sociaal bewustzijn en al uiteraard, maar dit dan niet in de vorm van absolute regels, wel als aanwijzing voor een levenshouding met consequenties voor onze maatschappelijke opstelling waarvan groot respect voor de zorg voor het levensonderhoud deel uit maakt (en waarbij ik het verantwoordelijk omgaan met dat wat aan ons is toevertrouwd, of dat ons nu rijk of arm doet heten, belangrijker vind dan het verdelen van overtollige rijkdom over velen; anders gezegd: ik ben tegen armoede, maar ook tegen het wegnemen van persoonlijke verantwoordelijkheid van hen die over al dan niet eigen middelen kunnen beschikken waarmee zij wellicht veel goeds kunnen doen). Zodat religieuze organisaties tijdelijke uitdrukkingen zijn van tijdelijke religieuze inspiraties en definities, en weer vervangen en vernieuwd worden door betere, die passen bij een nieuwe tijd en een nieuwe generatie. Omdat zij gebaseerd zijn op een onuitputtelijke grond (zie onder).
De problematiek komt in het boeddhisme naar voren voor wie nadenkt over de verhouding van 'wisdom' en 'compassion', wijsheid en mededogen, die vaak als centrale noties naar voren gebracht worden. Beide zijn instrumenteel ten opzichte van elkaar, althans hebben elkaar nodig om volledig te kunnen zijn of volledig tot bloei te komen. Maar tegelijk zijn beide afhankelijk van ons, die beperkte dragers ervan zijn, en voor wie zij slechts realiseerbaar zijn in zoverre wij onszelf zijn, in onze positieve en negatieve kanten, in onze wisselende integriteit of gebrokenheid, in onze privacy of afgeslotenheid en onze openheid naar anderen en de wereld. En zijn wij – en de realisering van deze wijsheid en mededogen - afhankelijk van wat ons aan wijsheid en mededogen uit onze omgeving van anderen en van de wereld tegemoet treedt als helpend, steunend, aansporend, remmend of tegenwerkend. Ik geloof niet in een archimedisch punt buiten ons dat ons absolute steun kan geven, maar ik ervaar en vertrouw en denk dat wij ten diepste alleen maar steun vinden in de diepste grond, en niet alleen afgrond. En dat wij daarom onze ogen mogen openen voor al het goede om daarvan te genieten en mee te werken en voor al het negatieve en verkeerde en onrechtmatige en misdadige en onjuiste dat er ook is en zouden moeten proberen te helen, en waarin we meer evenwicht zouden moeten proberen te brengen. Dat vereist dan wel dat wij ons niet baseren op uiterlijke en organisatorische regels alleen (zij kunnen natuurlijk hun eigen waardevolle rol spelen) maar dat wij onszelf goed leren kennen en steeds de verbinding met de grond zoeken.
Net als Jezus en Boehme zegt Thich Nhat Hanh dat het Koninkrijk Gods er altijd is en altijd te vinden is voor wie zich er op afstemt. Als wij ons Godverlaten voelen, kunnen wij ons baseren op vertrouwen dat het toch goed komt. Als wij ons laten vallen in de afgrond, zal blijken dat wij toch één waren en bleven met de grond, ook al waren of zijn wij dat besef volledig kwijt of is dat besef zelfs vervangen door radeloosheid, angst, wanhoop, verdriet, depressiviteit of benauwdheid. Maar niet buiten die ervaring om. We kunnen en zullen er aan moeten werken; maar dat is mogelijk. Net als God bestaan wij uit toorn en liefde, om met Boehme te spreken, maar er is ook altijd omvorming mogelijk; alles is altijd in verandering en wij ook. En dat biedt mogelijkheden. Thich Nhat Hanh beklemtoont iedere keer in zijn boeken weer dat wij het negatieve in ons en buiten ons geestelijk kunnen omarmen en omvormen en ik geloof dat hij daar gelijk in heeft. Niet omdat wij de 'strijd' nooit kunnen verliezen maar omdat het zin heeft – altijd opnieuw – om de confrontatie aan te gaan. Niet vanuit een ivoren toren of een archimedisch punt maar vanuit diepe verwantschap en uiterste nabijheid en met de mogelijkheden die we hebben, ook de spirituele. De polariteiten in de werkelijkheid hebben te maken met het feit dat wij de werkelijkheid slechts kunnen waarnemen door er onderscheid in te zien, ofwel in aan te brengen. Onderscheid dat er ook werkelijk is maar dat niet absoluut is, omdat de werkelijkheid in haar geheel steeds opnieuw één blijkt te zijn. Dat is een ervaring die we steeds opnieuw kunnen opdoen, en daarom kunnen we leren vertrouwen. Een vorm van religie die ons niet met onszelf inclusief onze negatieve kanten om leert gaan, is in dit opzicht van minder waarde.
De auteur doet ook de oproep dat alle ontwortelden weer hun wortels opzoeken in familie, gemeenschap, traditie/kerk en andere culturele verbanden. Zonder wortels en traditie verlies je teveel draagvlak, teveel voedingsbodem, vindt hij. (Ik merk hierbij op dat er bij de eerste Jezusbewegingen heel wat relativering van familieverbanden voorkwam, vergelijk het hierboven genoemde enkratisme. Denk bijvoorbeeld aan Jezus' uitspraken in het Evangelie naar Mattheüs "Iemand kwam hem nu zeggen: 'Uw moeder en broeders staan daar buiten en willen u spreken.' Maar hij antwoordde aan degene die hem dit kwam zeggen: 'Wie is mijn moeder en wie zijn mijn broeders?' En met een gebaar naar zijn leerlingen zei hij: 'Ziedaar mijn moeder en mijn broeders; want mijn broeder, mijn zuster en mijn moeder zijn zij die de wil volbrengen van mijn Vader in de hemel.' ", Evg Mt 12 vss 47-50, vgl. 19 vs 29 en 7 vs 21; vgl. Evg. Mk 3 vss 32vv. en Evg Lk 8 vss 20v. Ik wijs er op dat er een onderscheid is bij deze en vergelijkbare woorden van Jezus. In het Evg Thom logion 55, 101 roept Jezus ertoe op ouders en broers en zusters op de tweede plaats te stellen vergeleken bij deelnemen aan zijn Koninkrijk, dat wil zeggen hij relativeert wel het ouderlijk gezin maar niet het gezin dat men zelf gesticht heeft. In het Evg Mt 10 vss en in Evg Lk 14 vs 26 wordt ook opgeroepen partner en kinderen te verlaten terwille van het Koninkrijk. Gilles Quispel vermoedt - in zijn laatste Thomascommentaar uit 2004 - in deze laatste versie uit de gemeenschappelijke bron Q een latere radicalisering die mogelijk niet van Jezus zelf afkomstig is.) Het verdient wellicht aanbeveling te onderscheiden waar beide standpunten terecht de nadelen of verabsoluteringen signaleren die zij in het tegenoverliggende standpunt vinden, zodat we die kunnen voorkomen. Wat betekent dat soms of voor de één het ene, en dan of voor de ander het andere standpunt de voorkeur kan verdienen! Thich Nhat Hanh ziet terecht de nadelen van het ontworteld zijn en heeft een scherp oog voor het voedende van het familieverband; terwijl de relativeerders van familieverbanden de soms al te inperkende kenmerken ervan beklemtonen, of misschien zelfs denken aan "Blut und Bodem"-theorieën, en daarom de bevrijding uit de familieverbanden open willen houden.
En hij pleit tenslotte ook voor permanente vernieuwing en wederzijdse bevruchting van culturele en spirituele tradities. Permanent syncretisme zodat de goede geest kan stromen en haar werk doen ten dienste van allen en alles.
Het valt mij op hoe zeer in zijn boek de wijsheid uit de Westerse tradities (de wijsheid als vrouwelijk gezicht van God uit het jodendom en de Heilige Geest van het christendom en de joodse visie op heiliging en het christelijke ritueel van de heilige maaltijd; als uitdrukkingen van verbondenheid en begrip en liefde) en de aandacht uit de Oosterse tradities (verlichting en wijsheid uit het boeddhisme; meditatie, geloof en devotie uit de bredere Aziatische tradities) elkaar overlappen en versterken, zodat zij beide één sterk zinvol perspectief worden. Evenzeer als hij trouwens zinvolle uitleg geeft van Gods vaderschap en Jezus Zoonschap in het perspectief van het onderscheid tussen religieuze of absolute dimensie en historische dimensie (hierin is hij zeer verwant aan de zenboeddhistische godsdienstfilosoof Abe), die hij voortdurend vergelijkt met water en golven – een vruchtbare metafoor die in het Westen meer gebruikt zou kunnen worden. Natuurlijk staat deze visie haaks op die van de verdedigers van hiërarchie en patriarchaat, en van een bepaalde vorm van christelijke ideologie die deze ondersteunt. Maar deze visie wijst hetzelfde af in het boeddhisme en is uiterst voor de hand liggend, inzichtelijk en verdedigbaar.
Ik herhaal mijn opmerking bij eerder door mij gelezen boeken van hem dat het mij opvalt hoezeer Thich Nhat Hanh er in slaagt zaken tot de kern terug te brengen zonder ze te bagatelliseren; integendeel hij brengt de essenties aan het licht.
8 juni 2001

AMA Samy, Waarom kwam Bodhidharma naar het Westen?: De ontmoeting van zen met het Westen, Nieuwerkerk a/d IJssel (Asoka) 1998, 173 pp.

AMA Samy is een rooms-katholieke zenleraar met een Aziatische achtergrond (Indiase ouders, Jezuïet, zenleraar in de traditie van de Sambo Kyodan van Yamada Ko-un Roshi, net als Robert Aitken en anderen), die regelmatig trainingen geeft in het Westen, waaronder Nederland en Duitsland. Zijn visie op religie heb ik altijd als verfrissend ervaren, al toen een artikel van hem verscheen in het tijdschrift ZEN, omdat hij niet-exclusivistisch over religies denkt, zonder verschillen te verdoezelen. In dit boek komen een aantal voor de ontwikkeling van Zen in het Westen en voor een goed begrip van Zen uiterst belangrijke thema's aan de orde. Het goede ervan, behalve dat AMA Samy mijns inziens oog heeft voor welke vragen en problemen belangrijk zijn en ze scherp weet aan te duiden, is bovendien dat de teksten op meerdere niveau's gelezen kunnen worden en ruimte laten voor een begrip dat het louter intellectuele niveau transcendeert. Er moet dus wel tussen de regels door gelezen worden; hoewel de auteur de zaken voor de goede lezer zeker weet te verhelderen, moeten de teksten eerder bestudeerd worden dan dat ze vlot leesbaar zijn. De meningen van AMA Samy zijn verder op ervaring en praktijk gebaseerd en nuchter; tegelijkertijd wordt het nodige perspectief geboden. De literatuurverwijzingen verraden een interesse in een Jungiaanse benadering van religie. Het hoofdstuk over koans is van bijzondere waarde, omdat er weining teksten zijn waar vanuit de zentraditie en tegelijk informatief over koans geschreven wordt: jammer dat dit maar één hoofdstuk is! (Overigens komen er maar weinig voorbeelden van koans in ter sprake vergeleken met de veelheid van koans die er zijn.) Een boek dat eigenlijk op het moment door niemand gemist kan worden die de actuele verhouding van Zen en het Westen en Zen en het christendom wat beter wil inschatten.
29 juli 2001

Fernando Pessoa, Gedichten: Keuze, vertaling en nawoord van August Willemsen, Amsterdam(Uitgeverij De Arbeiderspers)1982-tweede druk, 263 pp.
Idem, De anarchistische bankier & ander proza: Keuze, vertaling en nawoord van August Willemsen, Amsterdam(Meulenhoff)1990-tweede druk, 206 pp.
Idem, Ode van de zee door álvaro de Campos: Vertaling en nawoord van August Willemsen, Amsterdam(Uitgeverij De Arbeiderspers)1988-tweede druk, 90 pp.
Idem, Het boek der rusteloosheid door Bernardo Soares: Gekozen, vertaald en van een nawoord voorzien door Harrie Lemmens, Amsterdam(Uitgeverij De Arbeiderspers)1990, 356 pp.
Idem, Mijn droom is van mij: Brieven, dagboeken en beschouwingen: Gekozen, vertaald en van een nawoord voorzien door Harrie Lemmens, Amsterdam(Uitgeverij De Arbeiderspers)1995, 286 pp.

De gedichten en het proza zijn subliem, onder andere als zelfbespiegeling en impliciete levensbeschouwing. "Mijn droom is van mij" is wat minder algemeen en sprak mij iets minder direct aan; het lijkt mij meer iets voor wie alles van de zeer bijzondere mens, persoon en auteur Pessoa geproefd wil hebben, wat overigens heel goed voorstelbaar is.
2 augustus 2001

Phouttasone (Pilou) Thirakoul, 'Buddhist Meditation and Personal Construct Psychology', paper op de website Serendip, http://serendip.brynmawr.edu/bb/Pilou.html , 1996-7

Vermeldenswaard vanwege het heldere overzicht van soorten meditatie, en vanwege de weergave van belangrijke aspecten van de problematiek inzake de visie op de verhouding van de mens tot de werkelijkheid in het boeddhisme en de westerse psychologie en op de verhouding van deze beide in het algemeen. De weergegeven aspecten zijn precies diegene die verwarring kunnen oproepen als ze niet goed doordacht respectievelijk ervaren zijn; ze zijn dus van groot praktisch belang. Tevens interessante literatuurlijst. N.B. Wanneer men dit paper opzoekt via de zoekmachine Altavista, en vervolgens klikt op 'Related pages', komt men interessante andere verwijzingen tegen. De – bredere - website Serendip zelf lijkt ook erg interessant, inzake onder meer bewustzijn, biologie en ethiek.
31 augustus 2001

Varlam Sjalamov, Verhalen uit Kolyma, [Vertaald door Marja Wiebes en Yolanda Bloemen, met Voorwoord van John Glad en met Aantekeningen,] Amsterdam (Uitgeverij Bert Bakker) 1996, 231 pp.
Idem, Berichten uit Kolyma, Vertaling Marja Wiebes en Yolanda Bloemen, [Met aantekeningen,] Amsterdam (Uitgeverij De Bezige Bij) 2001- derde druk, 904 pp.

Indrukwekkend beeld van de dwangarbeiderskampen onder Stalin. Extreme, ijzingwekkende realiteiten in fysiek en moreel opzicht; en over hoe mensen dit doorstaan ... . Versterkt (en verzacht) door knappe literaire vormgeving.
De verhalen uit de kleine bundel zijn alle terug te vinden in de grote, zij het soms met een andere titel.
Alles bij elkaar een weergaloos menselijk, literair en historisch document. Sjalamov heeft niet alleen maar een ongelooflijk knappe literaire prestatie geleverd. Hij heeft tevens het onvergelijkelijke lijden en het kwaad van zijn kamptijd en die van zijn lotgenoten omgezet in levenslessen inzake mededogen en menselijke waarde, door onder andere scherpe observaties en principiële standvastigheid, en het brengen van onvoorstelbaar zware offers.
3 november 2001 / 11 januari 2002

Adalbert Stifter, Nachsommer: Eine Erzaehlung, Mit einem Nachwort von Emil Staiger, Muenchen (Wilhelm Goldmann Verlag) z.j. [pocketserie Goldmann Klassieker deel 7544], 640 pp.

Ik kocht deze roman van de Oostenrijkse auteur uit de negentiende eeuw in 1978 en beëindigde de lezing ervan in 2001. Na het grootste deel ervan met verwondering en genoegen gelezen te hebben, bracht ik jarenlang niet het geduld op de soms monotone tekst uit te lezen, want een lange roman is het. Nu ik hem uit heb, deel ik toch de bewondering van velen - waaronder Nietzsche (waarover verderop meer) die dit boek met enkele andere het waard achtte om steeds weer gelezen te worden. Het boek brengt idealen in beeld en beschrijft geen echte werkelijkheid. De idealen zijn echter uitzonderlijk - respect voor de ritus van het alledaagse leven, de samenhang van handwerk, wetenschap en kunst, en vele andere die met datgene te maken hebben wat als elementair voor menselijk leven beschouwd kan worden, zoals familieverhoudingen en menselijke omgangsvormen (zij het in die van een bepaalde cultuur tot uitdrukking gebracht). En bijzonder is ook dat de vormgeving die idealen weerspiegelt en de lezer in dat idealisme binnenleidt. Dat gebeurt onder andere door middel van de opbouw en door de taal en de stijl. Daarover kan ik weinig zeggen omdat ik de woorden er niet voor weet. Maar misschien komt een vergelijking in de buurt: het is alsof Stifter zijn roman de vorm van een tempel heeft gegeven die ons zijn idealen indrukwekkend voor ogen stelt, inprent. Inderdaad imponerend - al is er nu meer geduld voor nodig om dat ideaal te leren kennen dan in de tijd dat het boek werd geschreven. Want het levensideaal van deze roman staat ver af van de haastcultuut die ons in de tweede helft van de twintigste eeuw als normaal werd voorgehouden. Stifters cultuur is een rijpingsideaal. En zo is het verhaal van begin tot eind gesponnen: van de op een berg wandelende student die om een opkomend onweer te vermijden onderdak vraagt op een idyllisch kasteel / landgoed / herenhoeve waarvan hij de bewoners en de bijzondere vormgeving en de er gepraktiseerde cultuur steeds beter leert kennen - en uiteindelijk zelf rijper geworden de heer wordt zodat hij de traditie van die biijzondere cultuur voort kan zetten. Natuurlijk in de eerste plaats door haar zich zo eigen mogelijk te maken in de wetenschap dat hij er een eigen vorm aan zal moeten geven - en evenzeer door tot de bewoners in een familierelatie te komen die als de bekroning en als hoop voor de toekomst wordt voorgesteld. Lees deze roman - ook een ervaring als het beluisteren van een uitgesponnen symfonie als van bijvoorbeeld Bruckner - en ontdek dat dat zeer de moeite waard is! Ik ben op het spoor van deze roman gekomen doordat ik omstreeks 1978 in een column in Hervormd Nederland van Johan Winkler (als ik me niet vergis de vroegere redactiesecretaris van dat blad) las over de vier boeken die Nietzsche het waard geacht zou hebben steeds weer gelezen te worden (zonder ze alle te noemen). Ik heb deze titels toen aan de heer Winkler gevraagd en hij schreef mij dat ze in 'Menschliches, allzu Menschliches' voorkomen. Het zijn: Eckermanns 'Gespraeche mit Goethe', Lichtenbergs Aphorismen, Gottfried Kellers Leute von Seldwyla en deze roman. Aan Nietzsches voorkeur voor deze roman zou door Ernst Bertram in zijn boek 'Nietzsche, Versuch einer Mythologie' (dat Winkler 'nog steeds onovertroffen' noemde; uitgegeven bij Bondi in Berlijn) een heel hoofdstuk gewijd zijn.
3 november 2001

Vladimir Nabokov, Pnin: Roman, Vertaling Else Hoog, Amsterdam (Uitgeverij De Bezige Bij) 1993, 177 pp.

Een leesgenoegen en een intellectueel genoegen. De vermakelijke geschiedenissen van de uit Rusland afkomstige Professor Pnin in de Verenigde Staten van Amerika werpen ongetwijfeld veel zijwaarts licht op de wederwaardigheden die Nabokov zelf heeft meegemaakt: het Russische milieu voor 1917 en daarna van de emigré's in Parijs en verder, vervolgens het academisch milieu in de vijftiger jaren (en misschien lange tijd ervoor en erna) - en vooral de scherpzinnigheden en eigenaardigheden van Nabokov zelf, die als auteur treffende observaties trefzeker weergeeft en over grote kennis, een zeer goed geheugen en veel humor beschikt.
12 november 2001

Tjeu van den Berk, Het mysterie van de hersenstam: Over basisfuncties, psychosomatiek en spiritualiteit, Zoetermeer (Meinema) 2001

Vergeleken met de vorige editie van dit boek, in 1987 bij Kok Agora verschenen onder de titel De wijsheid van de hersenstam (ondertitel: Leven met onze basisfuncties), is er bij van den Berk enige verschuiving opgetreden. De vorige versie sprak mij aan door de combinatie van thema's: nuchtere en goede informatie over basisfuncties, gevoel voor oosterse en andere spiritualiteit, en een waardevolle uitleg van Socrates' visie. Hij keert zich nu duidelijker tegen een louter mechanische geneeskunde waarin de patiënt in de eerste plaats als lichaam zonder ziel (lijk), als object of artefact, benaderd wordt en pas in de tweede plaats als levend geheel en onderdeel van een levende kosmos (waaraan van den Berk voorrang wil geven zonder dat van den Berk de geneeskundige bijdrage van de mechanische benadering loochent). Het is de vraag of het boek voldoende draagkracht heeft om in die discussie – die in de geneeskunde zelf en in de media uitvoerig en soms diepgaand wordt gevoerd – volop mee te kunnen doen. Als correctie van eenzijdige theologische en psychologische inzichten blijft het boek van van den Berk naar mijn smaak echter onovertroffen; het boek is dus vooral waardevol voor wie juist daaraan nog behoefte (zouden moeten) hebben. Een tweede verschuiving is dat van den Berks verwijzingen naar oosterse inzichten nu meer door het boek heen, en dus terloopser, naar voren komen en dus iets meer op de achtergrond zijn komen te staan. Meer accent hebben gekregen de noodzaak om onze angsten open tegemoet te treden en de daarbij helende verbondenheid met de natuur. Het boek blijft in veel zaken algemeen (dat heeft zijn voordelen want het blijft overzichtelijk en helder), wordt niet persoonlijk (dat vind ik zelf een gemis, want er zit zeker een persoonlijke geschiedenis achter en het gaat steeds om zaken die pas als ze een persoonlijke betekenis krijgen, werkelijk van betekenis worden). De verwijzing naar relevante moderne en een veelheid aan klassieke bronnen en de verwerking ervan blijft een genoegen om te lezen, al is het oorspronkelijke hoofdstuk over Socrates nu ingekrompen (het komt in een prachtige nieuwe versie voor in van den Berks recente boek Mystagogie waar het meer tot zijn recht komt) en is het meer een ondergeschikte illustratie geworden. Lees dus eventueel ook dit wat moeilijker boek Mystagogie, een 'inwijding' in het symbolisch bewustzijn.
Door de verschuivingen in deze herdruk is het boek voor mij minder aansprekend geworden. Dat komt vooral doordat de nieuwe accenten in al hun relevantie toch minder uitgewerkt worden dan ik zou hopen en aantref in bijvoorbeeld publikaties van de filosoof David Loy (zie Literatuurlijst Zen en Oosters en Westers denken). Dat gebrek aan uitwerking voel ik ook bij het nogal geïsoleerde citaat van Irene von Lippe-Biesterfeld op de prominente slotpagina van dit boek: wat voegt dit toe? Het komt natuurlijk niet alleen op de theorie aan, daarvan ben ik mij net als Tjeu van den Berk bewust.
29 november 2001 / 29 april 2002

Frida Vogels, De harde kern [3e deel = 2e boek]: Met zijn drieën, Amsterdam (Uitgeverij G.A. van Oorschot) 1994-5e druk
Bert Weijde, Onder het ijs: Psychiatrisch dagboek, Dromen en monologen, Amsterdam (Uitgeverij G.A. van Oorschot) 1994

Frida Vogels en Bert Weijde behoren met J. Voskuil tot een kring van literair geïnteresseerde studenten eind jaren veertig van de twintigste eeuw, en ambieerden en realiseerden alle drie het schrijverschap. Hun belangrijkste werken werden pas in de jaren negentig gepubliceerd. Zij delen met elkaar een soort realisme, in de zin dat zij de door hen persoonlijk ervaren werkelijkheid zo natuurgetrouw mogelijk willen weergeven, al schuwen zij daarbij stijlmiddelen niet. Voskuil heb ik tot nu toe niet gelezen, ik vind het allemaal zo herkenbaar dat ik denk dat ik het al weet. Natuurlijk doet dat geen recht aan de aparte werkelijkheid van Voskuil maar ik heb aan die werkelijkheid qua roman (nog?) niet zo'n behoefte, en qua werkelijkheid heb ik andere voorkeuren om me in te verdiepen.
Frida Vogels' derde deel van haar Harde kern - door mij al enkele jaren geleden gelezen - gaat voornamelijk over haar jeugd. Ik vind het wel knap geschreven (en herinnerd in de eerste plaats) maar ook bij haar roman heb ik sterk het gevoel: waarom zijn haar persoonlijke belevenissen (hoe helder ook beschreven) het nu waard om als roman gepresenteerd en gelezen te worden? Haar persoonlijkheid is interessant (en haar persoonlijke worsteling triest en moedig tegelijk), dat zeker, maar ik herken toch te weinig van mijzelf in de beschreven situaties om de roman spannend te vinden. Het is geen lichte kost bovendien.
Bert Weijde's boek is evenmin lichte kost. Hij is psychiatrisch patiënt en beschrijft zijn gang door het medisch circuit en op de zalen in de inrichtingen (Valeriuskliniek en Wolfheze). Tevens streeft hij naar het realiseren van zijn schrijverschap door middel van een bepaalde methode, het achteraf beschrijven van wat hij deed en beleefde inclusief de uiterlijke en de innerlijke dialogen die hij zich meestal nog goed herinnert (en anders vult hij ze zo werkelijkheidsgetrouw mogelijk in). Soms leidt dat tot een ontroerend fragment, namelijk waar je als lezer tussen de regels door even echt contact met de schrijver meent te krijgen. De schrijver laat je echt delen in zijn worsteling met het medisch circuit en met zichzelf. (N.B. De auteur Voskuil en zijn vrouw met wie Weijde contact had, komen als M. en N. voor in zijn boek.)
Ik heb deze boeken met name uitgelezen omdat mijn vrouw er van onder de indruk was en in het geval van Weijde mij ertoe uitnodigde het boek te lezen. Het is inderdaad intrigerend maar ik beleef er toch niet veel vreugde aan. Mijn eigen sores zijn me al pittig genoeg. Het is dus wel een knap boek maar niet iets waar ik voor kies. Tja, het leven is vaak een ramp en een grote moeite, dat moge gezegd zijn. Daar staat tegenover dat bij beide auteurs duidelijk is dat hun leven en hun schrijven ook heel kostbare zaken zijn, en dat is hoop ik net als bij ons eigen leven misschien soms een troost.
25 december 2001

Carry Slee, Moederkruid, Amsterdam (Prometheus) 2001, 202 pp.
Jessica Durlacher, De dochter: Roman, Amsterdam (Uitgeverij De Bezige Bij) 2000, 278 pp.

Beide boeken las ik omdat mijn vrouw mij er opmerkzaam op maakte. Carry Slee beschrijft in haar boek uit het oogpunt van een klein meisje de onveilige thuissituatie waarin zij opgroeide, samen met haar zusje. Het boek is autobiografisch. Haar vader heeft grote pretenties maar maakt die niet waar en is een schuinsmarcheerder en haar moeder slaagt er niet helemaal in om dat op te vangen en recht te breien, al maakt zij in de loop van het boek een zekere emancipatie door; de relatie van de ouders is niet best. In dit boek zijn de lach en de traan altijd vlak om de hoek. Het leest heel gemakkelijk.
Het boek van Jessica Durlacher is adembenemend. Knap van compositie en met een paar zinnetjes die je zo uit je hoofd zou willen leren omdat ze zo treffend een psychische situatie weergeven. Durlacher is sterk in het omschrijven van emoties, de aanleidingen ertoe en de innerlijke dialogen erbij. Het onderwerp van het boek zou je droog kunnen samenvatten als het ontwarren van de verwarring die goed en fout zijn in de oorlog en de schuld en vergeving die daarmee gemoeid zijn, op kunnen leveren en hebben geleverd – met alle langdurige gevolgen vandien voor degenen die de oorlog weliswaar overleefd hebben maar in iedere vezel nog met zich meedragen. In het boek komt een boek voor waarin een overlevende zijn verhaal vertelt en het is duidelijk dat het schrijven van dat boek de auteur het nodige gekost heeft. Dat geldt ongetwijfeld ook van Jessica Durlacher. Dat is een van de bijzondere kanten van dit boek, dat bovendien leest als een detective zo spannend is het, en dat leest als een verhaal dat je helemaal meeneemt zo goed zijn de compositie, de thema's en de verwoording ervan.
25 december 2001

Sangharakshita, Het wezen van ZEN, Rijswijk (Elmar) 2001, 72 pp.

Sangharakshita is een Engelsman die onder andere door een lang verblijf in Azië, met name India, goed thuis is in het boeddhisme en daar een groot aantal lezingen over heeft gegeven en boeken over gepubliceerd. Hij behandelt Zen aan de hand van een oud Chinees vierregelig gedicht dat de uitgangspunten ervan weergeeft: 'Een bijzondere overdracht buiten de schriften; Niet afhankelijk van woorden of letters; Rechtstreeks wijzend naar de geest; De eigen natuur doorziend en boeddhaschap verwezenlijkend.' Sangharakshita is een prettig leesbare auteur en zijn boekje is vol soms originele inzichten waar ieder zijn voordeel mee kan doen. Duidelijk is dat de auteur soms meer put uit vergelijkingen met oude boeddhistische soetra's die hij goed kent, dan uit de (latere) klassieke Zen-literatuur. Ook al is over Zen (nog) veel meer te zeggen dan in dit boekje, het is leerzaam en stimulerend.
14 januari 2002




Retour naar overzichtspagina gelezen teksten

Google
"To Serve Divine Wisdom, in Full Awareness of Death and Life
Waiting for Her unmistakable Signs,
Tapping from and Revering the Source of True Healing, the Kingdom of Complete Eternity
Manifesting Always through All Polarities and Changes Here and Now" (Kalliopeia)

Ieder apart wezen compleet en diep één met zijn eeuwige grond, verbonden in één gewaar-zijn


URL: http://www.bk-books.eu/lezen4.html
Version 14 = latest revision of 8 October 2004 (Version 1: 17 May 2001)
© 2001-2004 Boudewijn Koole; copying admitted
in case acknowledgement is provided (at least reference to site: www.bk-books.eu and with link to url (unique resource location or web-address) of the text copied or referred to; if wished so with your valuation)