Deze pagina bevat een lijst van sinds april 2002 gelezen teksten met commentaar.
De titel van dit boekje is zo intrigerend en wordt zo helder en waardevol verduidelijkt door Boerwinkel dat ik dit boekje graag aanbeveel als nog steeds actueel. Mijns inziens is inclusief denken (als levenshouding) een centraal aspect van verlichting in de boeddhistische zin. Boerwinkel heeft veel aandacht voor het sociaal-kritische en het wetenschappelijke denken maar juist daardoorheen en als grond daarvan is de houding die hij voorstaat, van blijvende en niet te onderschatten waarde. En zijn benadering van sociale vraagstukken is verkwikkend en heilzaam; dat geldt ook de boodschap van de ondertitel! Het is frapperend dat wat Boerwinkel bijvoorbeeld schrijft over de tegenstelling tussen Israel en de Arabieren in de grond nog zo actueel is. Boerwinkel is een "niet-dualist" die het gevaar van verabsolutering van het eigen standpunt onderkent. De verwerkelijking van de beoogde levenshouding blijft kennelijk voor alle generaties - en ieder individu afzonderlijk - het moeilijke punt en de grote opdracht.
Zeer aanbevolen.
24 april 2002
David R. Loy, Dead Words, Living Words and Healing Words: The Disseminations of Dogen and Eckhart, in: David Loy (ed.), Healing Deconstruction: Postmodern Thought in Buddhism and Christianity, Atlanta Georgia (Scholars Press) 1996, 33-51 [Het volledige artikel is op Internet te vinden: http://sino-sv3.sino.uni-heidelberg.de/FULLTEXT/JR-ENG/loy2.htm .]
In dit artikel laat Loy zien dat de kritiek van Derrida op de Westerse filosofie niet ver genoeg gaat, en dat hij daardoor geen oog kan hebben voor het religieuze in de taal dat zich op een niet-dualistische houding baseert. Hij laat bovendien aan de hand van een vergelijking van enkele Oosterse auteurs - Hui-neng en Dogen - en een Westerse - Eckhart - zien dat dit niet-dualisme zowel in het Oosten als het Westen wel aanwezig is, op een vruchtbare en inspirerende manier. Zeer waardevol.
24 april 2002
David R. Loy, PREPARING FOR SOMETHING THAT NEVER HAPPENS: THE MEANS/END PROBLEM IN MODERN CULTURE, in: International Studies in Philosophy, Vol. 26 Nr 4, pp. 47-67 [Het volledige artikel is op Internet te vinden: http://sino-sv3.sino.uni-heidelberg.de/FULLTEXT/JR-ENG/loy5.htm . De daar ontbrekende noten 35-41 vindt u hieronder op de pagina die u nu leest.]
In dit zeer rijke artikel met verwijzingen naar en inzichtelijke en rendabele verwerking van uiterst relevante bronnen laat Loy zien hoe actueel de cultuurfilosofie van Max Weber nog steeds is. De - objectiverende - doelrationaliteit heeft het in onze samenleving gewonnen van de inbedding in het grotere geheel. Deze overwinning is gepaard gegaan met een - subjectiverende - verinnerlijking om toch nog een zekere vrijheid over te houden voor het subject, wat een krampachtigheid heeft meegebracht op het gebied van de ethiek, de kunst en de erotiek. Aan de hand van het werk van Georg Simmel ('Die Philosophie des Geldes') laat Loy zien dat deze ontwikkeling zich ook verder op het vlak van de culturele symbolen heeft voorgedaan: het geld is de moderne God, kort gezegd. In alle opzichten hebben middelen de rol van doelen op zich genomen en is de dagelijkse leefwereld buitenshuis een ding-wereld geworden die weinig charme meer heeft, laat staan inspirerende kanten. Zelfs ons bewustzijn is verinnerlijkt en wel voorwerp van een industrie geworden. Loy vergelijkt dit met de boeddhistische uitleg van het niet tevreden kunnen zijn met het bestaan, de ervaring van duhkha. En stelt er het boeddhistische alternatief naast van het opgeven van de neiging van het zelf om zichzelf te funderen in een objectieve zekerheid, welke dan ook. In plaats van deze op vrees gebaseerde zichzelf afsluitende ernst verwijst hij onder meer naar het leven als spel, dat principieel open is, zonder dat verantwoordelijkheid of gebruik van middelen uitgesloten worden - ze worden alleen niet verabsoluteerd. Hierbij verwijst hij onder andere naar Nagarjuna's uiterst vruchtbare uitleg van het boeddhisme.
Omdat bij het internetartikel de noten 35-41 zijn weggevallen, treft u ze hier aan: Erich Kästner was al in mijn middelbare schooltijd (rond 1960) een bekende naam. Ik weet nu waarom: hij is een van de buiten Duitsland meest gelezen en vertaalde Duitse auteurs van de 20e eeuw geweest, zeker in de jaren veertig, vijftig en zestig. Hij schreef uiterst leesbare en toegankelijke teksten, vooral kinderboeken, cabaretteksten, enkele romans, veel filmscenario's, en veel toneelrecensies, en andere recensies, toneelstukken en ander mengelwerk. En tussendoor ook veel gedichten, vaak met commentaar op de tijd of op het menselijk leven, met moralistische en realistische elementen. Een schrijver met een uiterst grote taalbegaafdheid en werkkracht. En een interessante levensloop en carrière – in een moeilijke tijd. Alweer zo'n tien jaar geleden las ik 'Het volgende verhaal', wat ik een prachtige tekst vond. Adembenemend om te lezen, en me rakend op een diep, niet goed te omschrijven niveau. Met zeker een aantal interessante levensbeschouwelijke problemen erin. Verder las ik nog nooit iets van deze auteur tot ik er kortgeleden op gewezen werd dat 'Rituelen' twee spirituele zoekers naar verlossing als romanpersonen heeft, waarvan bovendien één die in Zen zoekt, en dat deze personen er niet bepaald positief afkomen. Ook dit boek is erg goed geschreven, al lijdt de vertelling enigszins onder de behoefte van de auteur om (zijn) problemen op tafel te leggen en te behandelen, en onder het uitstallen van zijn eruditie, al zijn die elementen op zichzelf ook weer aantrekkelijk. Deze roman uit 1980 ademt de problematiek van de jaren zeventig. Tegen een familieachtergrond die nog de bekrompenheid van voor de zestiger jaren uitstraalt, zoeken alle personen naar vernieuwing. Alle personen worden daarbij negatief afgeschilderd, alsof de schrijver er niet in slaagt ook maar iets positiefs in hun pogingen of in hun kans op resultaat te ontdekken (het laatste is wellicht heilzaam, het eerste mijns inziens in zijn algemeenheid te eenzijdig negatief). De auteur slaagt er wel goed in te laten zien waar het bij genoemde twee personen aanschort, ze vertonen een verkramptheid die niet heilzaam is en bij beiden tot de dood leidt (in het tweede geval via een evidente zelfmoord), al zou je die nogal gewrongen als verlossing kunnen interpreteren. De schrijver moet van ouderwetse westerse (in zijn geval roomse) spiritualiteit niets meer hebben, en het lijkt hem raadzaam in plaats daarvan de hang naar het oosterse niet tot een uiterste verkramptheid door te voeren. Ik kan dit alleen maar met hem eens zijn. De vraag is vervolgens nog wel of spiritualiteit meer dan verkramping kan zijn, want het gaat wellicht toch ook om onthechtheid, om openheid en – eventueel geoefende … -spontaniteit. Daarbij zou spiritualiteit zelf ook losgelaten kunnen worden, voor zover het een hinder is. Bij de romanpersonen van Nooteboom in dit boek gaat de verkramping samen met duidelijke zelfhaat, die om zou moeten slaan in verlossing maar slechts tot de dood leidt. Tegelijkertijd stralen zij een superieure kennis uit: zij weten veel en zij weten het precies en goed, en vooral: die wetenschap is voor hen een houvast. Een zo stevig houvast dat dat negatief afgeschilderd worden kan. Evenals spiritualiteit zijn kennis en wetenschap wellicht zaken die hun rol alleen ten volle kunnen spelen als men er niet te krampachtig zekerheid aan ontleent. Daarmee roert de auteur relevante thema's aan die in 1980 en nog steeds relevant zijn in de spirituele ontmoeting tussen oost en west en de verwerking daarvan door individuen. En dat bovendien op een erg leesbare manier. Het thema van deze prachtig gecomponeerde en vertelde roman is gebaseerd op de uitroeiing van een joods dorpje in de Oekraïene in de Tweede Wereldoorlog. Het verhaal is de zoektocht naar de historische waarheid, die in al haar gruwelijkheid steeds zichtbaarder wordt, doordat er zijdelings blikken op geworpen worden. De voorgeschiedenis van en het leven in het dorpje, waar de voorouders van alle hoofdpersonen vandaan komen, worden even beeldend neergezet als de hoofdpersonen en hun voorouders. Ondertussen worden vele dilemma's en emoties zichtbaar, die de lezer niet alleen een mooie roman maar ook het nodige te denken geven. Door de compositie en de bijzondere taal is het lezen een genoegen, ook intellectueel.
35 For more on this, see "The Nonduality of Life and Death: A Buddhist View of Repression" Philosophy East and West 40 no. 2 (April 1990), and "Trying to Become Real: A Buddhist Critique of Some Secular Heresies" International Philosophical Quarterly, vol. 32 no. 4, December 1992.
36 Simmel notes that "the whole structure of means is one of causal connection viewed from the front" (The Philosophy of Money, 431).
37 Friedrich Nietzsche,The Will to Power, tran. Walter Kaufmann and R. J. Hollingdale (New York: Random House, 1968), no. 478, p. 265. See also no. 666, p. 352.
38 The aporias of causality are well known in Western philosophy, mainly due to Hume's critique. Nagarjuna's version points to the contradiction necessary for a cause-and-effect relationship: the effect can be neither the same as the cause nor different from it. If the effect is the same as the cause, nothing has been caused; if it is different, then any cause should be able to cause any effect. (Mulamadhyamikakarika X:19, 22) Weber too abandoned the one-dimensional causal model, ordered from the foundation upward (e.g., Marxist materialism) in favor of what may be understood as a network model of causality. (For more on this, see Fleeing the Iron Cage, 48-9, and my Nonduality: A Study in Comparative Philosophy (Yale University Press, 1988), chapter six.)
39 This is discussed in the articles mentioned in fn. 35.
40 James P. Carse, Finite and Infinite Games (New York: Free Press, 1986), 15.
41 Friedrich Nietzsche, The Wanderer and His Shadow, no. 204, in Human, All Too Human, tran. R. J. Hollingdale (Cambridge University Press, 1986), p. 360.
1 mei 2002
David R. Loy, On the Duality of Culture and Nature, in: Philosophica, Vol. 55, January 1995, pp. 9-35 [Het artikel is op Internet te vinden: http://sino-sv3.sino.uni-heidelberg.de/FULLTEXT/JR-ENG/loy3.htm .]
In dit zeer rijke artikel met verwijzingen naar en inzichtelijke en rendabele verwerking van uiterst relevante bronnen laat Loy zien dat de in het Westen haast als onoverbrugbaar ervaren tegenstelling tussen natuur en cultuur wellicht vanuit een niet-dualistisch (boeddhistisch) perspectief gelezen kan worden, wat tot nieuwe inzichten en handelwijzen kan leiden die vruchtbaarder zijn dan een eenzijdige technologische onderwerping van de natuur of een romantische vereenzelviging met de natuur. Dit impliceert een nieuwe visie op cultuur die parallel loopt aan die welke zich hier en daar in de antropologie heeft ontwikkeld.
1 mei 2002
David Loy, 'A Buddhist Critique of Transnational Corporations', alleen op internet: www.bpf.org/loy-corp.html , plm. 7 pp.
Korte inhoud: Grote internationale ondernemingen (multinationals) zijn economisch even groot als de staten, maar hebben minder verantwoordelijkheden en grotere vrijheden. De opkomst van de moderne staten en die van deze ondernemingen is hand in hand gegaan met de opkomst van het koloniale tijdperk sinds de ontdekkingsreizen van Columbus en Vasco da Gama, die al snel handelsreizen werden. In feite hebben de ondernemingen heel veel te vertellen in de politiek, maar veelal achter de schermen. De juridische status en structuur van ondernemingen (geheel onpersoonlijk, maar met dezelfde rechten als van juridische personen) is zo vrij en zo sterk dat zij in principe onsterfelijk zijn want zich steeds kunnen omvormen, en zo ongrijpbaar blijven. Evenals de ondernemingen zelf zijn hun leiders niet in een positie om maatschappelijke verantwoordelijkheden te nemen want daarmee schaden ze zichzelf (hun winstmarges) en zetten zichzelf buiten spel. De grote invloed op het leven van mensen (werknemers, omgeving enzovoort) wordt niet geëvenaard door verantwoordelijk gedrag, tenzij vrijwillig en zolang het duurt. Daarom kunnen we ons afvragen of we deze structuur van ondernemingen willen handhaven of fundamenteel willen omvormen zodat zij verantwoordelijk zijn aan de gemeenschap waarbinnen zij functioneren, in plaats van een gevaar voor de toekomst.
2 mei 2002
Bram Moerland, Schatgraven in Nag Hammadi: Een inleiding tot de gnostiek, Den Haag (Synthese-Mirananda) 2002, met index en bibliografie, 194pp.
Bram Moerland heeft een prachtige inleiding in de gnostiek geschreven. Vooral zijn uitleg van de beeldentaal van de gnostiek is erg verhelderend en inspirerend. Hij is er echt in geslaagd van het ruwe goud van de Nag-Hammadi-teksten passende munt te maken. Dat kan alleen dank zij een groot inlevingsvermogen en een imposante hoeveelheid werk. Ik ken op dit moment geen nederlandstalige inleiding die de gnostiek van binnen uit - van de persoon uit - dichterbij brengt en actualiseert dan deze. De taal is fascinerend helder en aangrijpend; de lezer wordt direct aangesproken en uitgenodigd om spiritueel 'op te staan', LEVEND te worden.
Een addertje onder het gras is misschien dat de historische verbanden en verschillende oordelen over de betekenis ervan weliswaar erg helder zijn maar soms zo kort door de bocht, zo stellig, dat naar mijn gevoel enig gevaar bestaat dat voorbij gegaan wordt aan sommige dieper liggende vraagstellingen (historisch en filososofisch en psychologisch) en ook allerlei mogelijke gevoeligheden van sommige lezers (overigens ben ik op deze gebieden zelf ook geen full-time specialist, hoogstens een geïnteresseerde die in de loop der jaren het voorrecht heeft gehad zich hierin enigszins te kunnen verdiepen en op een aantal valkuilen geattendeerd te zijn). De geschiedenis, ook die van de godsdiensten, wordt nu eenmaal geschreven door de overwinnaars, en dat betekent dat de geschiedschrijving een mijnenveld en een toernooiveld tegelijk kan zijn. Deze inleiding maakt er weinig werk van dat duidelijk te maken, wat zijn voordelen heeft maar ook zijn nadelen. Van de hevige wetenschappelijke discussies is in dit boek niets te merken. Van een verwijzing naar de rol van antisemitisme in de geschiedenis en de godsdiensten (en de oorzaken ervan) evenmin. En ook niet van een breed gefundeerde visie op de verhouding van religie(s) en samenleving – want spiritualiteit is nu eenmaal een onderdeel daarvan en geen vlucht daaruit. En evenmin op de rol van filosofieën bij het ontstaan en vergaan van culturen (ik doel op de golfbeweging tussen vernieuwing en verstarring), waaruit we kunnen afleiden dat filosofieën vaak tegelijkertijd zowel de grondslagen als de vooroordelen van een cultuur weerspiegelen (voor dit laatste aspect verwijs ik graag naar de op deze pagina besproken artikelen van David R. Loy, zie boven, speciaal dat over de vooral in het Westerse denken problematische dualiteit van natuur en cultuur, en de daarin verscholen liggende dualiteit van vrijheid en veiligheid). En Moerland tipt - diep gravend en zijn vondsten uitleggend - al deze vraagstukken minstens impliciet aan. Weliswaar geeft hij een bibliografie maar die is nauwelijks toegelicht; of bedoelt hij dat alles wat in de door hem genoemde werken staat, zijns inziens ondubbelzinnig klopt? Natuurlijk ben ik mij bewust dat al deze zaken niet in één boek volledig behandeld kunnen worden, maar je zou zo graag willen dat er in ieder geval iets doorklonk van de worsteling ermee.
Het is belangrijk bij de gnostiek om te weten dat zij van oorsprong en in wezen net als het kerkelijke christendom en het rabbijnse jodendom een sterk joodse beweging is. Alle drie zochten ze in de hellenistische smeltkroes van het Romeinse Rijk naar nieuwe vormen, waarbij ze in meerdere of mindere mate de beperktheden van het voor-hellenistische jodendom probeerden om te zetten in breder bruikbare vormen en inhouden, daarbij gebruik makend van invloeden uit de omgeving, hetzij Griekse filosofie, hetzij Egyptische godsdienst, of nog andere, of zich daar juist tegen afzettend en zich terugtrekkend op een als onaantastbaar ervaren kern. Het christendom ontwikkelde de visie van het oude en het nieuwe verbond, ook wel opgevat als wet en evangelie (of wet en liefde, een model dat Moerland nog lijkt te hanteren), terwijl christendom en gnostiek beide een serie modellen van godsopvatting ontwikkelden waarin het karakter van de etnische stamgod Jahwe (verder) veranderde in een universele God van de kosmos, Vader(-Moeder) van alle mensen, en waarin plaats was voor Jezus als Gods aangenomen zoon of een andere hoge positie (en voor andere figuren zoals de Wijsheid, Sophia). Veel te ingewikkeld om hier te beschrijven (voor een eerste indruk zie bijvoorbeeld enkele boeken en nog enkele andere boeken van Jacob Slavenburg).
Enerzijds bleef de continuïteit met de voor-hellenistische joodse tradities onmiskenbaar, anderzijds zette men zich flink af tegen wat als te beperkt werd gezien. Zo nam de gnostiek stelling tegen de joodse god Jahweh die tot onder-god werd gedegradeerd, schepper van een slechte schepping. Maar de gnostiek was zelf wel door en door joods!
Wanneer Moerland op overigens verhelderende wijze laat zien hoe stammencultuur en individuele verantwoordelijkheid een dilemma vormden dat in de voorgeschiedenis van de gnostiek een rol speelde, vind ik het daarom jammer dat hij niet ook de waardevolle universalistische en sociaal-kritische elementen noemt die in de joodse profetieën een rol speelden. Nu wordt het accent wel erg op de tekortkomingen gelegd. Deze zijn in ieder geval niet (alleen en) typisch joods (en zover ze dat zijn, zijn ze ook het probleem van de gnostiek en het kerkelijk christendom). Leve het inclusieve denken!
Moerland heeft terecht niet veel op met dogmatische orthodoxe fundamentalistische wetticistische geloofs- en waarheidsfanatici die er alleen op uit zijn hun positie veilig te stellen. Hij zegt duidelijk dat gnostici niet het monopolie op de waarheid willen hebben omdat de spirituele waarheid alleen door ieder mens apart ontdekt kan worden. Door ervaring. Maar het lijkt me goed te beseffen dat we allemaal die dogmaticus en fanaticus in ons kunnen hebben, en dat het altijd gaat om hoe we omgaan met die dingen. Alleen benoemen wat we willen of wat we inzien, is nog maar het begin. Ik verwijs in dit verband ook graag nog naar de oosterse visie op het omgaan met dualiteiten in ons denken (het is opvallend dat Moerland aan het eind van zijn boek ook op enkele belangrijke dualismen uit komt, maar er zijn er uiteraard nog veel meer). Daar kunnen we veel van leren, evenals van de westerse tradities van spiritualiteit waarin gezocht is naar niet-dualistische vormen van denken en omgaan met de werkelijkheid.
In dit verband zou ik bijvoorbeeld het voorstel willen doen om de uitdrukking op blz. 165 van Moerlands boek, 'verbinden met de wezenskern', in gedachten eens te vervangen door 'realiseren van de wezenskern' (onderstrepingen van mij, BK). Dan komen er nog meer mogelijkheden in het spel dan de rijkdom die Moerland nu al biedt, bijvoorbeeld boeddhistische gedachten over de kern van de werkelijkheid en van de persoon.
Zonder volledig te willen zijn noem ik enkele concrete detailvragen die ik aan de lezing overhield. Ik vraag me af of de rol van de liefde en het mededogen die Moerland in de gnostieke teksten leest, daar ook werkelijk die (centrale) rol hebben; en zou daar graag meer over weten. Ik vraag me af of de verbanden van de gnostiek met haar Egyptische achtergronden niet nog een heel nieuw (aanvullend) licht op de gnostiek zullen werpen als daar meer over bekend wordt (wat het geval zal zijn, heb ik uit enkele wetenschappelijke publicaties begrepen). Ik vraag me af of Moerlands visie op de ideeën van zijn tegenstanders (wettische christenen en joden) hem er niet toe brengen Mozes een wetticistische pet op te zetten (p. 94) die in die kleuring pas van na de verwoesting van de Tweede Tempel in plm. 70 na Christus dateert. Is de bibliotheek in Alexandrië inderdaad door orthodoxe christenen aangestoken (ik dacht dat dit nog vermoedens waren)? Worden met psychici inderdaad stoïcijnen bedoeld of zouden het ook "katholieke" (lees: kerkelijke, orthodoxe) christenen geweest kunnen zijn? Verder zou ik graag meer weten over de Zarathoestra-invloed op de gnostiek en het jonge christendom (Johannes-evangelie).
Ik mis eigenlijk ook een verwijzing naar de overgang van matriarchale naar patriarchale samenlevingen en de rol die deze overgang gespeeld zou kunnen hebben bij de verandering in het gebruik van beelden van goden en mensen zoals de "vader-moeder", mijns inziens mogelijk ook samenhangend met variatie in de waardering van vrouwen en hun sociale en religieuze rol. Eveneens mis ik een visie op de samenhang tussen de verstrakkende organisatie van de typisch westerse samenleving in Griekenland na de vernieuwende ontwikkelingen rond 600 voor Christus met de verstrakkende tendensen in de westerse filosofie (de systematiek van met name Plato), vooral in sociaalfilosofisch opzicht. De spanning tussen vrijheid en orde (veiligheid!) in het Westen is niet alleen een religieuze of spirituele maar zeker ook een politieke en economische kwestie!
Zinnetjes als "De maatschappelijke vrijheid die de geallieerde soldaten bevochten stemt naadloos overeen met de innerlijke vrijheid die de kernboodschap is van de gnostische teksten die ik in dit boek bespreek" (11) of "Naastenliefde is het innerlijk gezag van een vrij mens" (131) zijn natuurlijk erg pregnant. Ze worden in hun context ook wel uitgelegd - Moerland ziet de gnostiek vooral als beweging tot innerlijke bevrijding - maar blijven niettemin allerlei vragen oproepen waarvan de beantwoording door de auteur aan de lezer wordt overgelaten. Dat lijkt me goed als het om hun innerlijke weg gaat. Maar als het om uitgebreidere historische informatie of om logische redeneerhulp gaat die de lezer daar soms absoluut bij nodig heeft, dan staat de lezer hier toch nog met lege handen en waren meer verwijzingen waardevol geweest. Innerlijke bevrijding staat immers niet los van de uiterlijke context in de meest nabije en de meest ruime zin? Ik verwijs nogmaals naar het genoemde artikel van Loy over de dualiteit van natuur en cultuur (die hij niet in verband brengt met die tussen natuur en 'bovennatuur' maar daar zeker mee in verband te brengen is). Vergelijk ook een aantal samenhangen van de gnostiek en maatschappelijke ontwikkelingen bij Elaine Pagels.
Wat de innerlijke weg betreft, wil ik echter verwijzen naar de volgend prachtige zin (het boek eindigt met een vergelijkbare uitspraak):
"De kern van de gnostische levensovertuiging is dat liefde alleen kan opbloeien in totale openheid voor al wat is. Alleen iemand die vrede met zichzelf sluit, de strijd tegen zichzelf staakt, kan deze openheid bereiken. Dat betekent in de praktijk van het leven dat men zichzelf ontwapent, zijn pantser aflegt, en bereid is geraakt te worden, ook door pijn en verdriet. In de vrije ruimte die deze openheid schept zal liefde zichzelf aandienen als een reële menselijke mogelijkheid." (83)
Een boeiend boek dat ik van harte aanbeveel. Er is buitengewoon veel waardevols in te vinden mits het goed - laat ik zeggen: niet-dualistisch en niet-exclusivistisch - gebruikt wordt. Laat u treffen en genezen, niet alleen door dit boek maar door uw eigen weg te vinden. (En inzake mogelijke historische of verstandelijke eenzijdigheden: zoek die zo mogelijk uit, los ze op, vermijd ze.) En ook: spiritualiteit is natuurlijk niet de oplossing voor ieder probleem, hoewel zeker een voorwaarde daarvoor. Ieder moment kunnen we vanuit de geciteerde openheid pogen te werken aan wat ons te doen staat, al is het maar zo goed mogelijk naar de situatie (inclusief eventueel elkaar) te luisteren. Dat moet ik ook maar eens leren, in alle bescheidenheid.
6-26 juni 2002
Franz Josef Görtz / Hans Sarkowicz, Erich Kästner: Eine Biographie: unter Mitarbeit von Anja Johann, München / Zürich (Piper) 1999-4 (1998-1), met registers en geselecteerde bibliografie, 371pp.
Kästner werd in 1899 geboren, promoveerde in 1925, werd belangrijk redacteur van kranten rond 1930 en kreeg een schrijfverbod van de nazi's. Hij emigreerde niet maar hield zich in leven, mede dank zij buitenlandse contacten, schnabbels, relaties binnen de schrijverswereld – zonder zich te compromitteren of zich openlijk te verzetten. Van de last van die tijd (zie bijvoorbeeld de dagboeken van Victor Klemperer) is van hem weinig gedocumenteerd, zijn dagboeken zijn nog niet volledig gepubliceerd.
Na de oorlog kreeg hij het al snel erg druk bij de wederopbouw van het culturele leven, hij vervulde weer een redacteursrol bij de belangrijkste krant, en schreef cabaretteksten. In 1951 werd hij voor een tiental jaren de eerste PEN-voorzitter van Duitsland.
Behalve als schrijver in een bijzondere tijd is Kästner ook interessant vanwege zijn persoon. Hij was een kind niet van zijn officiële vader; zijn echte vader was vooraanstaand joods arts. De speciale band met zijn moeder uitte zich in vrijwel dagelijkse brieven tussen die twee. Hij had een bijzondere band met zijn vrouwen. Uiteindelijk werd hij ook nog vader.
Dit erg leesbare boek is voor mij interessant geweest vanwege het aanvullende beeld op Duitsland in de jaren twintig, dertig en veertig. En vanwege het beeld van het literaire bedrijf. En vanwege de persoon van Kästner: zeer begaafd, levend in een tragische tijd, een Duitser met een lichtvoetige aard die zichzelf wist te blijven in allerlei tragische persoonlijke en tijdsomstandigheden, daar althans naar streefde en er tot op zekere hoogte in slaagde. Het is een voorrecht om dit leven en deze persoon al lezend iets nader te komen.
1 juli 2002
Cees Nooteboom, Het volgende verhaal: EEN UITGAVE VAN DE STICHTING COLLECTIEVE PROPAGANDA VAN HET NEDERLANDSE BOEK TE GELEGENHEID VAN DE BOEKENWEEK 1991, CPNB, [Amsterdam (Uitgeverij De Arbeiderspers) 1991], 92pp.
Idem, Rituelen: Roman, Amsterdam/Antwerpen (Uitgeverij De Arbeiderspers) 1998-18e druk (1980-1e), 191pp.
Toch zie ik niet uit naar andere romans van deze auteur omdat ik er gecamoufleerde verhandelingen in vrees over thematieken die ik al ken in plaats van nadruk op de kracht van het verhaal zelf met de thema's meer terloops verwerkt, zoals in 'Het volgende verhaal'. Maar misschien doe ik me (en de auteur?) daarmee te kort. Ik heb uit 'Rituelen' een heleboel geleerd over de auteur, denk ik. En zeker dat hij goed schrijven kan, belangrijke thema's aanroert en veel weet. Lijkt de auteur op zijn romanpersonages? En wij misschien ook?
11 juli 2002
Jonathan Safran Foer, Alles is verlicht, Vertaald door Peter Abelsen, Amsterdam(Anthos)2002, 302pp.
4 september 2002
J.M. Coetzee, Portret van een jongeman, Vertaald door Peter Bergsma, Amsterdam (Rainbow Pockets) 2004, 217pp.
De hoofdpersoon van deze roman - nu in pocketvorm te koop - is een ongeveer twintigjarige jongeman die uit Zuid-Afrika naar Londen gaat om daar het geluk te beproeven. Hij heeft een aantal relaties, korter of langer durend, hij vindt werk als computerprogrammeur dat niet echt bij hem past, en hij is vooral nog op zoek naar zichzelf. Hij beschouwt zich als dichter in spé.
Ook deze roman van Coetzee vind ik weer dicht bij komen. Zeker ook vanwege het tijdsbeeld maar natuurlijk vooral vanwege verschillende dilemma's die hij schetst.
Hoe afstand nemen tot een moeder die je in haar brieven nog steeds omhult met haar oude verwachtingen - en geen enkele behoefte toont om afstand te nemen tot de Zuid-Afrikaanse apartheid - terwijl je zelf met heel andere zaken bezig bent, of tot een - mislukte - vader op wie je in een heleboel zaken beslist niet wilt lijken? Hoe evenwicht vinden tussen in je brood voorzien en jezelf verwerkelijken als de kunstenaar die je denkt te (willen of moeten of alleen maar kunnen) zijn? Hoe evenwicht vinden tussen eenzaamheid ofwel snakken naar menselijk contact en dat contact tegelijk weer uit de weg gaan omdat het je niet genoeg raakt, omdat het niet voldoende oproept aan wat je voelt dat je diepste wensen zijn? Hoe vermijden dat je anderen gebruikt? En zo zit deze roman vol niet opgeloste en misschien ook niet oplosbare dilemma's terwijl er toch geleefd moet worden. Behalve de innerlijke dialogen zijn de observaties indringend en boeiend. Van mensen, van de stad, van de werkomgevingen, de huurkamers, appartementen en woonhuizen waar de hoofdpersoon komt. De terug- en vooruitblikken op Zuid-Afrika en op de internationale politieke verhoudingen (koude oorlog, Vietnam-oorlog). In al deze zaken zit veel unieks van de auteur maar ook veel dat voor andere minstens herkenbaar is.
Tussen haakjes: de vertaling leest alsof je je in de huid van de auteur voelt zitten, dus dat zit wel goed.
Coetzee beschrijft zijn leven met indringende eerlijkheid. De eenzaamheid van de grote stad, de moeite van het doorkomen van de stille zondagen, zijn mislukkingen in relaties met vrouwen, zijn onzekerheid over wat hij nu eigenlijk wil en hoe groot zijn inzet daar voor zal zijn. Hoe ver Coetzee er mee gekomen is? Hij ziet al nadenkend wel in dat hij er met spitsvondigheid ook niet uitkomt. En aan zich neerleggen bij de feiten, aan toegeven dat innerlijke vrede al heel wat is, was hij in die tijd nog niet toe (nu ook nog niet vrees ik). Als je jong bent denk je immers dat je nog iets aan de wereld toe te voegen hebt, ook al weet je nog niet heel helder wat. Je weet alleen dat je krachten een keer in dienst zullen staan van het unieke doel dat jij gaat realiseren, niet zo iets dufs en burgerlijks als dat van de meeste mensen om je heen. Daarmee stel je jezelf natuurlijk buiten de werkelijkheid van de bestaande orde, maar dat mogen jonge mensen. Als je volwassen wilt worden, zul je die fase door moeten maken. Misschien dat daarna de fase van de wijsheid komt, dat je zowel de beperktheden van jezelf als van de anderen en de hele ervaarbare wereld ziet, en er je weg mee leert vinden, niet definitief maar met begrip en welwillendheid. In plaats van je vreselijk druk te maken om alles wat nog niet klopt gemeten aan jouw wensen en idealen, accepteer je de feiten van nu en waardeer je ze, en ga je niettemin door met werken aan wat je wilt en kunt.
Coetzee is later verder gegaan met lesgeven en schrijven. En hoe! De voorboden ervan dienen zich bij de hoofdpersoon in dit boek al aan die veel schrijvers van poëzie en proza - Pound, Elliot, James, Brodsky, Herbert, Beckett - leest en afweegt op hun kwaliteit, ook hun kwaliteit als voorbeeld voor zijn eigen toekomstig werk als schrijver.
En zo rijgen zich de mooiste passages van dit boek aaneen, de een na de ander. Een paar noem ik speciaal.
“Wat hem zal genezen, als het er ooit van komt, zal de liefde zijn. Hij mag dan niet in God geloven, hij gelooft wel in de liefde en in de krachten van de liefde. De geliefde, de voorbestemde, zal onmiddellijk door het vreemde en zelfs saaie uiterlijk heen kijken dat hem aankleeft en het vuur zien dat in zijn binnenste woedt.” (10v.)
“Het komt tot een uitbarsting als Jacqueline, terwijl hij niet in de flat is, zijn dagboek zoekt en leest wat hij over hun leven samen heeft geschreven. Bij zijn terugkomst is ze haar spullen aan het pakken.
'Wat is er aan de hand?' vraagt hij.
Met opeengeklemde lippen wijst ze op het dagboek dat open op zijn bureau ligt.
Hij ontsteekt in woede. 'Je kunt me er niet van weerhouden om te schrijven!' bezweert hij.” … “Is dat de moraal van het verhaal van hemzelf en Jacqueline: dat het maar het beste is voor kunstenaars om alleen een verhouding met kunstenaars te hebben?” (16-20)
“Normale mensen vinden het moeilijk om slecht te zijn. Als normale mensen slechtheid in zich voelen oplaaien, beginnen ze te drinken, te vloeken, geweld te plegen. Voor hen is slechtheid als koorts: ze willen het weer uit hun lichaam bannen, ze willen weer normaal worden. Maar kunstenaars moeten met hun koorts leven, wat de aard ervan ook is, goed of slecht. Juist de koorts maakt hen kunstenaar; de koorts moet brandend gehouden worden. Daarom kunnen kunstenaars nooit ten volle in het leven staan: één oog moet altijd naar binnen gericht zijn. … Daarom moet je je tegen vrouwen verweren, ook al houd je van ze. Ze mogen niet zo dicht bij de vlam worden gelaten dat ze hem kunnen uitknijpen.” (45)
“Hoe langer hij met de computerbranche te maken heeft, des te meer lijkt het in zijn ogen op schaak: een eng, uit verzonnen regels bestaand wereldje dat jongens die er op een bepaalde manier gevoelig voor zijn opslokt en halfgek maakt, net zo halfgek als hij, zodat ze al die tijd dat ze in de waan verkeren dat zij het spelletje spelen, het spelletje in werkelijkheid hén speelt.” (193)
“Ervaring. Dat is het woord waarop hij zou willen terugvallen om zichzelf tegenover zichzelf te rechtvaardigen. De kunstenaar moet alles ervaren, van het edelste tot het laagste. …Het is een rechtvaardiging die hem geen moment overtuigt. Het is spitsvondigheid, meer niet, verachtelijke spitsvondigheid. …Er valt niets voor te zeggen; en evenmin, om genadeloos eerlijk te zijn, valt er iets voor te zeggen dat er niets voor te zeggen valt. Wat genadeloze eerlijkheid aangaat, genadeloze eerlijkheid is niet moeilijk te leren. Integendeel, het is het gemakkelijkste wat er is. Zoals een giftige pad nooit zichzelf zal vergiftigen, zal men heel gauw eelt ontwikkelen tegen zijn eigen eerlijkheid. Dood aan de rede, dood aan het praten! Het enige wat telt is dat je het juiste doet, of het nu om de juiste of de verkeerde reden is of om geen enkele reden.
Het is niet moeilijk om er achter te komen wat het juiste is om te doen. Hij hoeft niet lang na te denken om te weten wat het juiste is. Hij zou., als hij een keus maakte, met welhaast onfeilbare precisie het juiste kunnen doen. Wat hem doet aarzelen is de vraag of hij dichter kan blijven als hij het juiste doet. Als hij zich probeert voor te stellen wat voor poëzie er zou voortkomen uit keer op keer het juiste doen, ziet hij alleen maar ijle leegte. Het juiste doen is saai. Zodoende verkeert hij in een impasse: hij is liever slecht dan saai, hij heeft geen respect voor iemand die liever slecht is dan saai, en evenmin heeft hij respect voor het vernuft om zijn dilemma keurig onder woorden te brengen.” (211v.)
“Natuurlijk weet hij in zijn hart dat zijn lot hem alleen zal bezoeken als hij het daartoe dwingt.” (213)
“Hij beseft heel goed dat zijn mislukking als schrijver en zijn mislukking als minnaar zo nauw verwant zijn dat ze misschien wel één en hetzelfde zijn. Hij is de man, de maker, het actieve beginsel, en de man wordt niet geacht te wachten op de toenadering van de vrouw. … Als hij niet de wilskracht bezit om het heft in handen te nemen, zal er niets gebeuren, in de liefde noch in de kunst. Maar hij vertrouwt de wilskracht niet. Net zoals hij zichzelf niet kan dwingen om te schrijven maar op de hulp van een of andere kracht van buitenaf moet wachten, een kracht die vroeger Muze werd genoemd, kan hij zichzelf niet zomaar dwingen om een vrouw te benaderen zonder een voorgevoel (waarvandaan? - van haar? vanuit hemzelf? van boven?) dat zij voor hem is voorbestemd. … Er is een andere, boudere manier om hetzelfde te zeggen. … Maar de boudste manier is wel zeggen dat hij bang is: bang voor het schrijven, bang voor vrouwen.” (214v.)
Vergeleken met Coetzee's Jongensjaren is hij hier zelfstandiger aan het worden. Zijn strijd is niet alleen meer om een eigen persoon, een eigen identiteit te ontwikkelen ten opzichte van ouders en omgeving. Maar zijn calvinistische achtergrond doordrenkt hem nog tot in zijn botten al neemt hij er met zijn intellect afstand van. Hij blijft een gekwelde ziel, bovendien. “Van geluk, houdt hij zichzelf voor, leer je niets. Ellende, daarentegen, staalt je voor de toekomst. Ellende is een leerschool voor de ziel.” (88) Kenmerk van calvinisten is dat zij aan rationaliteit een hoge waarde toekennen evenals aan de ermee gepaard gaande (veronderstelde) beheersbaarheid van situaties. Het gevaar is dat zij die wil tot macht verabsoluteren, en het intellect isoleren van zijn functie in de wereld, en tot doel in zichzelf maken. Dan gaan mensen in zichzelf rondtollen. Misschien heeft Coetzee daar wel een heel klein beetje van. Toch zijn calvinisten met hun rationaliteit - net als wetenschappers en technici en dogmatici wanneer zij aan reductionisme de voorrang geven boven onderzoek via experiment en ervaring - wellicht een graadje minder riskant dan die fundamentalisten die zich volledig opofferen aan de vertegenwoordigers van een almachtige God en de vestiging van diens rijk op aarde of in de hemel - ik bedoel de situaties waarin de nood van mensen zo hoog is dat zij zich laten gebruiken in fascistische destructieve structuren en programma's, mentaal en sociaal. Zo ver zie ik Coetzee niet komen, juist niet, zijn worsteling ermee lijkt groot, met name met zijn Zuid-Afrikaanse ervaring en zijn kritische kijk op onze Westerse cultuur. Tegelijk heb ik zeker de indruk dat Coetzee ook op latere leeftijd tot op zekere hoogte een gekweld mens gebleven is, denk aan de vele problemen die het weefsel vormen van zijn prachtige roman Elizabeth Costello - een weefsel dat tegelijk de rijkdom van het bestaan op magnifieke wijze voor ons oproept.
Van de literatuur die dat heeft opgeleverd, valt ondertussen erg veel te genieten, behalve natuurlijk te leren. Ik zou wel eens willen weten hoe Coetzee tegen de psychologie van Jung en tegen het boeddhisme aankijkt - misschien wijzen die wel in de richting van een geneesmiddel voor dat probleem van verabsolutering. Maar dat is een ander verhaal. Ik laat nog enkele citaten volgen die mij persoonlijk aanspreken.
"Ellende is zijn element. In ellende voelt hij zich als een vis in het water. Als ellende zou worden afgeschaft, zou hij niet weten wat hij met zichzelf aan moest."(88)
"In het begin stelde het hem teleur dat Londenaars maar zo weinig ambities hadden. Nu begint hij net zo te worden als zij. Elke dag wordt hij door de stad gekastijd, getuchtigd; als een geslagen hond leert hij zijn les." (147)
"Uitgeput vouwt hij op een zondagmiddag zijn jasje tot een kussen, strekt zich uit op het grasveld en valt in een slaap of halfslaap waarin het bewustzijn niet verdwijnt maar op de achtergrond aanwezig blijft. Het is een toestand waarin hij nooit eerder heeft verkeerd: alsof hij het gestage draaien van de aarde in zijn bloed voelt. De verre kreten van kinderen, het gezang van vogels en het gezoem van insecten zwellen aan en versmelten tot een jubelend loflied. Zijn hart juicht. Eindelijk! denkt hij. Eindelijk is het gekomen, het moment van extatische vereniging met het Al! … Hij is naar de grote donkere stad getogen om op de proef gesteld en getransformeerd te worden, en hier op dit stukje groen onder het zacht lentezonnetje, komt het verrassende bericht dat hij vooruitgang heeft geboekt. Hij mag dan geen volledige gedaanteverandering hebben ondergaan, hij is wel gezegend met een teken dat hij thuishoort op deze aarde."(152v.)
"De eerste film die hij met zijn nieuwe bril op ziet, is Het evangelie volgens Mattheus van Pasolini. Het is een verwarrende ervaring. Na vijf jaar katholiek onderwijs had hij zich voorgoed immuun gewaand voor de verlokkingen van de christelijke boodschap. Maar dat is hij niet. … tranen als gevolg van een vervoering die hij zelf niet begrijpt stromen over zijn wangen, tranen die hij stiekem moet wegvegen voordat hij zich weer in het openbaar kan vertonen." (199v.)
Zeer aanbevolen.
15 november 2004
URL: http://www.bk-books.eu/lezen6.html
Version 13 = latest revision of 15 November 2004 (Version
1: 8 April 2002)
© 2002,2004 Boudewijn Koole; copying admitted
in case
acknowledgement is provided (at least reference to site: www.bk-books.eu and with link to url (unique resource location or web-address) of the text copied or referred to; if wished so with your valuation)