Lezen (of juist niet)! 8


Deze pagina bevat een lijst van sinds voorjaar 2003 (en een in 2000) gelezen teksten met commentaar.

Retour naar overzichtspagina gelezen teksten





Gelezen - (in 2000 en) sinds 2003

Read - since 2003




[Actual links referring to this page or parts of it:



Opmerking vooraf bij de hierna volgende vermeldingen (van de auteurs Van Rijckenborg tot en met Huijs) betreffende Rozenkruisers, mysteriescholen en theosofie.
De aard van het onderwerp maakt het per definitie delicaat om erover te schrijven. Dit onderwerp is: de geestelijke (en vervolgens materi?le) wedergeboorte van de mens en de kosmos, en de zelfopoffering die daarbij zichtbaar wordt. Het achteraf of vooraf in woorden pogen aan te duiden hiervan is delicaat omdat de verandering ook het gebruik van de taal betreft en de verandering nooit geheel in woorden te vangen is. Het schrijven of spreken over de verandering heeft vanuit het standpunt van de reeds verwerkelijkte of nog te verwerkelijken verandering ook alleen maar zin als het naar die verandering verwijst, ertoe oproept en ermee in overeenstemming is, en zowel de verandering zelf als het spreken erover zijn processen die nog niet af zijn en wellicht altijd door gaan. Dat is de eerste reden waarom mijn opmerkingen bij deze teksten (en de teksten zelf ook!) bij voorbaat beperkt zijn. Overigens gaat het bij de vermeldingen hieronder zowel om publicaties met een appellerend karakter en een bewuste afstand tot de wetenschap als om enkele wetenschappelijke publicaties, of publicaties die nadrukkelijk met eisen van de objectieve wetenschap en informatieverstrekking rekening houden.
Het tweede is dat ik mij uiteraard moet beperken tot wat ik zelf ervaren heb of denk te begrijpen. En hoe veel of weinig dat is kan ik zelf nauwelijks beoordelen. Bovendien probeer ik graag zo objectief mogelijk te zijn terwijl het hier eerder gaat om de vraag in hoeverre mensen zich persoonlijk door deze wedergeboorte aangetrokken voelen en wat zij er mee willen, dus ook een vraag aan mijzelf. Mijn persoonlijke interesse speelt er net zo'n grote rol in als de aanleidingen die mijn interesse wekten. Maar ook los van de hier aan de orde zijnde tradities zijn er grote veranderingsprocessen in mensen mogelijk, en daarvoor kunnen andere terminologie?n in gebruik zijn; en ook al interesseert het thema mij hevig, wat ik er mee wil (of liever wat de hoogste of zo men wil diepste "wil" zelf aan ieder van ons meedeelt, brengt en vraagt - het lijkt mij dat er iets alomvattends is dat zelfs aan de diepste en hoogste wil te boven gaat, ten grondslag ligt en dat dit de tweeheid tussen mij en die wil "opheft") is - voor mij - vaak nog zo ver weg en vaag dat ik er goed aan doe erover te zwijgen; luisteren - zo goed mogelijk en steeds opnieuw - is mij beter. Behalve dat het om soms moeilijk onder woorden te brengen zaken gaat, zijn mijn opmerkingen dus vanuit een nogal beperkte invalshoek gemaakt.
Het derde is dat de kringen waaruit deze geschriften voortkomen, vaak nadruk leggen op het besloten en verborgen (want slechts voor ervarenen begrijpelijke) karakter van een deel van wat in hun kringen plaatsvindt, en wel een essentieel deel. Zodat een buitenstaander - ik heb de voorbije winterperiode op basis van persoonlijke interesse in de onderwerpen enkele cursussen uit het uitgebreide aanbod van het Lectorium Rosicrucianum kunnen volgen maar hoe leerzaam die dank zij de grote welwillendheid en inzet van de organisatoren, inleiders en begeleiders ook waren, ik kan moeilijk zeggen dat ik iets van de besloten activiteiten begrijp want die heb ik niet heb meegemaakt - zich bescheiden dient op te stellen. Om dezelfde reden vind ik het belangrijk onderscheid te blijven maken tussen deelnemen aan de besloten activiteiten van een organisatie, zeg maar "lid worden", en een pad van persoonlijke verandering bewandelen. Ik heb ook nog geen definitief oordeel over de betekenis, de waarde en het belang van de beslotenheid: zij kan bescherming bieden voor een kwetsbaar proces (de rups die vlinder wordt heeft een cocon nodig) maar moet mijns inziens geen hindernis worden maar een hulp op het pad zijn (wat niet wil zeggen dat hulp en het veranderingsproces zelf altijd pijnloos zijn). Maar over deze subtiele zaken kun je misschien beter niet te snel algemene uitspraken doen. Wie weet wat ons wacht ... ! (Ik voeg graag toe dat de begeleiding in de genoemde publieke cursussen die ik meemaakte, vaak van naar mijn indruk groot psychologisch inzicht in spirituele processen getuigde, al ervoer ik mij ook gespiegeld in een begeleider die sterk in theorie maar zwak in zelfkennis en zelfrelativering was ...)
Ik verzoek de lezer dan ook zich van mijn beperkingen bij de volgende notities bewust te zijn. Zij zijn niet volledig, raken bovendien vaak slechts een beperkt aspect van het onderwerp of de publicatie. Desondanks heb ik toch mijn opmerkingen aan de openbaarheid prijs gegeven want ik vind zowel het onderwerp als de publicaties als de zaken die ik noem, belangwekkend, althans ik kan mij voorstellen dat er mensen zijn die er wat aan kunnen hebben. Ik hoop dat ik ze met respect heb genoteerd en verzoek de lezer ze eveneens met respect te lezen. Voorzover ze hier en daar kritische vragen inhouden, verzoek ik de lezer zich bewust te zijn van de mogelijkheid van verschillende invalshoeken en van de betrekkelijkheid van mijn invalshoek(en). En wat nog prettiger zou zijn, misschien kan iemand met meer kennis dan ik een bepaalde vraag simpel beantwoorden of zo verhelderen dat de vraag overbodig wordt. Maar ook al zou de objectieve vraag beantwoord zijn, dan nog blijft de subjectieve, persoonlijke vraag een app?l doen, in ieder geval minstens op wie er gevoelig voor zijn en wanneer ze dat zijn. Samengevat: voor mij zijn deze notities, hoewel ik er een belang in zie, in hoge mate onaf, minstens in de zin dat ik er bewust veel in buiten beschouwing - en hopelijk open - laat. Ik geef ook nauwelijks samenvattingen, hoogstens een summiere aanduiding van de inhoud.
Tenslotte, voor veel belangrijke algemene vragen en opmerkingen verwijs ik naar het hieronder genoemde boek van Dietzfelbinger, een werkelijk prachtige inleiding in de mysteriescholen in de Westerse traditie. Hij wijst op vele valkuilen zowel voor de beginners op het pad als voor de gevorderden en voor de scholen zelf.
Een laatste noot vooraf: wanneer ik hieronder over "platonisme" spreek, heb ik het over de westerse traditie die een sterk onderscheid tussen ziel en lichaam (geest en materie) maakt en daarbij vaak het lagere als intrinsiek veel slechter dan het hogere opvat - op een naar mijn inzicht te onevenwichtige wijze. Hiermee hangt samen de problematiek van de sterk hi?rarchische opvattingen in sociale en politieke verhoudingen bij Plato en de zich op hem funderende tradities: vergelijk het artikel van Theo G. Sinnige, 'Gezagsverhoudingen bij Plato', in: Tijdschrift voor Filosofie 32 (1970)455-470; vergelijk ook diens ingezonden brief 'Plato' in NRC Handelsblad, Cultureel Supplement pag. 2 van 22 juni 1990. 22 juli 2003

J. van Rijckenborg, Elementaire wijsbegeerte van het moderne Rozenkruis, Haarlem (Rozekruis Pers) 1981, derde herziene druk, 214 pp. + bijlage bij de hoofdstukken X en XI

Zie de
opmerking vooraf.
Op het eerste gezicht maakt dit boekje een heldere indruk. De teksten stammen van lezingen uit 1944-1946.
Hoofdstukken 18 en 19 gaan over levenshouding en vegetarisme en het niet gebruiken van drugs (nicotine, alcohol enzovoort). Het zijn de enige hoofdstukken die ik tot nu toe las, vanwege deze onderwerpen.
Alvorens hierop te reageren, merk ik op dat ik vegetarisme als een goed ideaal beschouw vanwege onze verbondenheid met de rest van de kosmos, en het meest met de levende wezens die ons na staan. Verder dat ik te weinig bekend ben met de Rozenkruisers en hun idee?n en leefwijzen om het vegetarische ideaal in die context te kunnen plaatsen; dat bedoel ik dus ook niet te doen.
Ten aanzien van het vegetarisme stelt de auteur dat het vanzelf spreekt voor ieder die een spirituele levenshouding nastreeft en ook dat het een noodzakelijke voorwaarde voor deze laatste is. Dit tweede kan ik niet volgen, het lijkt mij dat de spirituele levenshouding het uitgangspunt is en de leefwijze het eventuele gevolg. Bij een verplichting span je, vrees ik, de wagen voor het paard. Overigens lijkt vegetarisme mij beslist niet voor iedere mens haalbaar, om praktische economische en medische redenen. Op de achtergrond speelt bij de auteur ook een visie op vlees als behept met krachten die de mens omlaag trekken. Dit geldt echter mijns inziens bij alle fysieke voedsel dat een mens nodig heeft. Waar het mijns inziens om gaat is dat men zich er niet door laat verleiden. En dat men zich er niet door laat overheersen en er niet (teveel) aan hecht.
Overigens is ook mijns inziens iedere bijdrage aan het gesprek over en de bevordering van gezond en van tegenover onze leefomgeving verantwoord eten en leven van groot belang, inclusief het zo min mogelijk vlees eten of de natuur schaden. In fysieke zin maken wij echter ook ten volle deel van de natuur uit, zijn wij ten volle ook dierlijk, en dat zie ik niet als louter negatief. Waar ik moeite mee heb, is dat het vegetarisme als verplichting en noodzakelijke voorwaarde wordt voorgesteld terwijl een sterke aanbeveling ervan voldoende is. Ik wijs niet af dat vegetarisme of andere levenswijzen die hier als noodzakelijke voorwaarden worden voorgesteld, een belangrijke vermindering van hindernissen op de weg kunnen zijn. Ik geloof alleen niet zonder meer in een automatische werking buiten het bewustzijn om.
Vergelijk eventueel de interessante argumenten en voorbeelden over het vegetarisme als (niet altijd en overal verplicht) boeddhistisch ideaal, in: P. Harvey, An Introduction to Buddhist Ethics, Cambridge (Cambridge Univ. Press) 2000, pp. 157-165.
Overigens is hiermee uiteraard niets over andere aspecten gezegd die mogelijk van even groot of groter belang zijn. Zoals ik een Rozenkruiser hoorde zeggen: wie dit pad gaat, komt wel voor grotere beslissingen te staan dan alleen het zich houden aan het vegetarisme en het zich onthouden van bepaalde drugs. Maar dat hoeft natuurlijk geen reden te zijn om het gesprek uit de weg te gaan.
Zie verder enkele opmerkingen over de Rozenkruisers bij de vermeldingen van de Vermaning van de ziel en de Stem van de Stilte.
Voorjaar 2003

Hermes Trismegistos, Vermaning van de ziel, Haarlem (Rozekruis Pers) 1993, 80 pp.

Zie de
opmerking vooraf.
Krachtige tekst, toegeschreven aan Hermes Trismegistos, stammend uit een aantal Arabische manuscripten. Deze vertaling is gebaseerd op een Latijnse vertaling en een gedeeltelijke Duitse vertaling uit de 19e eeuw.
Deze tekst interesseerde mij omdat zij geciteerd wordt in een (openbare) cursus van de Rozenkruisers. Het is een aansporing aan de ziel om zich niet te verliezen aan, maar zich los te maken van de aardse wereld van de samen- en tegenstellingen en zich volledig te richten op de eeuwige, goddelijke wereld van de eenvoud. De aardse wereld wordt gelijk gesteld met de zintuigen en het lichaam, en met de verleiding van de vrouw, en met een droom waaruit men dient te ontwaken. Ik herken er dezelfde platonische thema's in die in veel christelijke mystiek - en dogmatiek - voorkwamen. Zij zit dicht in de buurt van de gnostiek (negatieve visie op het aardse en stoffelijke; terugkeer naar de goddelijke oorsprong) maar ook van de hermetische filosofie (zich richten op de goddelijke eenwording). Zij is wel duidelijk ?vrouwonvriendelijk? in haar taal en de vooronderstellingen daarvan, overigens zoals de hele cultuur waaruit zij voortkwam. Niettemin een sterk staal van religieuze psychologie, zoals de oudheid en het christendom (en de islam?) die ons overleverden.
De Rozenkruisers hebben openbare activiteiten en besloten activiteiten. Mijn indruk uit enkele openbare activiteiten is dat zij bewust in deze wereld leven maar dat hun heimwee naar de goddelijke wereld groot is, en dat hun levenspraktijk daardoor gestempeld wordt. Zij zijn zich sterk bewust dat wereldlijke activiteiten aan de terugkeer naar de goddelijke wereld geen bijdrage kunnen leveren maar zijn bewogen met het lot en het lijden van alle mensen. Doordat de Rozenkruisers zich richten op het herstel van hun goddelijke kern worden zij ook fysiek hervormd, is hun overtuiging. Uiteindelijk zal ook de uiterlijke wereld zich weer richten naar de goddelijke, via deze omvorming van binnen uit (waarom uiterlijk handelen in deze wereld als forceren wordt beschouwd, als het niet 'van binnen uit' komt, en dit laatste kan evenmin geforceerd worden; wij hebben daar geen invloed op, al kunnen we door onze gehechtheden - en ons bewegen tussen de extreme polariteiten in de aardse wereld - te neutraliseren de hindernissen zo klein mogelijk houden). Over de besloten activiteiten kan ik uiteraard niets zeggen, daar heb ik geen kennis van; ik neem echter aan dat dit ook gewoon wereldlijke activiteiten zijn, zoals ook de activiteiten van alle andere godsdienstige, spirituele of religieuze groepen, besloten of niet, en zij het dan wel met een heel apart karakter namelijk godsdienstig, spiritueel of religieus. Uit de openbare activiteiten proefde ik een streven naar eenvoud en grote hartelijkheid, en een mengeling van gerichtheid naar binnen en sterke aandrang om zich in te zetten voor de groepsactiviteiten.
De Rozenkruisers verwijzen in de openbare cursussen naar een grote traditie van gnosis en hermetica en de geschriften die daarvan getuigen, en behandelen die daar ook in hoofdlijnen. De geschriften zijn ook te koop.
Voorjaar 2003

H.P. Blavatsky, De Stem van de Stilte: Fragmenten gekozen uit het 'Boek van de Gulden Voorschriften': Voor het dagelijks gebruik van lanoes (discipelen), Vertaald en van aantekeningen voorzien door 'H.P.B.', [vertaling van de oorspronkelijke editie van 1889 van The Voice of the Silence, ]met Noten en Index, Den Haag (Thesophical University Press Agency) 2001-2e druk, 121 pp.

Zie de
opmerking vooraf.
Aansporingen aan de leerling om op pad te gaan naar de verlichting. Gekozen wordt voor de boddhisattva-weg, die van het mededogen met allen die nog niet verlost zijn en zolang ze dat nog niet zijn. Aanduiding van moeilijkheden op het pad. Het pad wordt als erg moeilijk voorgesteld, het einddoel als het grootste goed.
Pathetische stijl en gebruik van veel vreemde (oosterse) begrippen, zodat de lezer extra onder de indruk kan raken. Het boek wordt onder meer gebruikt in cursussen van de moderne Rozenkruisers waar ik het tegen kwam (zie de opmerkingen bij de vermelding van het boek De vermaning van de ziel). Ik geef een voorbeeld van een parallel. In dit boek wordt de stoffelijke wereld en ons bewustzijn als illusie voorgesteld waaraan wij moeten ontstijgen, om te beginnen door onze begeerten te doden dus door ons te onthechten (N.B. de tegenstelling tussen hindoe?sme en boeddhisme wordt niet uitgewerkt, dit boek maakt in filosofisch opzicht een hindoe?stische indruk maar in de heilsleer een boeddhistische). Terwijl bij de moderne Rozenkruisers (het Lectorium Rosicrucianum in de traditie van J. van Rijckenborg) deze wereld van de tegenstellingen door ons geneutraliseerd wordt teneinde ons geheel te richten op terugkeer naar de goddelijke wereld waar we oorspronkelijk vandaan komen (ook de Rozenkruisers lijken niet volledig systematisch in hun filosofie, wat niet wil zeggen dat hun praktijk niet stevig gestructureerd is, vooral psychologisch; zij combineren wel veel diverse elementen).
Bij beide is de solidariteit met de medemens groot als het gaat om het hervinden en gaan van de weg naar het spirituele doel, dat tevens de weg uit het lijden vandaan is.
Voorjaar 2003

Johannes Amos Comenius, Unum necessarium [Het ene nodige], Haarlem (Rozekruis Pers) 1983, [Uit het Latijn vertaald en van een woord vooraf en noten voorzien door R.A.B. Oosterhuis, Tweede herziene druk, Bewerkt naar de eerste uitgave, Utrecht 1929] 155 pp.

Zie de
opmerking vooraf.
De 77-jarige Comenius schreef dit 'testament' in Amsterdam twee jaar voor zijn dood. Het verscheen daar in 1668. Ook als men het niet in alles met de auteur eens is, zal men getroffen zijn door de geest van dit meesterwerk en er veel van kunnen leren. Het voorwoord is zeer informatief over leven en werken van Comenius.
Voorjaar 2003

DAS ERBE DES CHRISTIAN ROSENCREUTZ: Vortraege gehalten anlaesslich des Amsterdamer Symposions 18. - 20. November 1986 : Johann Valentin Andreae 1586 - 1986 und die Manifeste der Rosenkreuzerbruderschaft 1614 - 1616, Amsterdam (In de Pelikaan) 1988, [met personenregister], 288 pp.

Zie de
opmerking vooraf.
Ik heb dit boek als geschenk ontvangen na het symposion als gast te hebben bijgewoond - een bijzondere ervaring! Over de totstandkoming van de Fama, de Confessio en de Chemische Bruiloft en de weerklank die zij opriepen is de laatste decennia veel bekend geworden dank zij de inspiratie van de door de heer J. en mevrouw R. Ritman gestichte Bibliotheca Philosophica Hermetica en het onder meer door Dr C. Gilly (bibliothecaris van genoemde bibliotheek) verrichte onderzoek dat geleid heeft tot tal van publicaties.
1988-Voorjaar 2003

Mani's Lichtschat: een bloemlezing uit manichese teksten, Haarlem (Rozekruis Pers) 1997,[ met illustraties en inleiding en register van eerste regels,] 220pp.

Zie de
opmerking vooraf.
Vooral liederen die het heimwee en de terugkeer van de ziel naar de gebieden van haar oorsprong, de goddelijke wereld, bezingen. En de strijd die daaraan voorafgaat. Indrukwekkend, speciaal voor personen die dit levensgevoel herkennen: heimwee naar God, verdriet over de wereld. De houding ten opzichte van deze wereld is nogal negatief.
Voorjaar 2003

K. Dietzfelbinger, Mysteriescholen: Van het oude Egypte via het oerchristendom tot aan de rozenkruisers van deze tijd, Deventer (Ankh-Hermes) 2000,[vert. uit het Duits,] 317pp.

Zie de
opmerking vooraf.
Prachtige beschrijving van de basisidee?n van de Egyptische religie, de school van Pythagoras, die van Socrates en Plato, het hellenistische christendom van de school van Paulus, de gnostieke scholen, de katharen, de graal (met name ook het epos Parcifal van Wolfram von Eschenbach; N.B. dit deel over de graal ontbreekt in het Duitse origineel), de rozenkruisers. Als rode draad hanteert de auteur de inwijdingsweg als terugkeer tot de goddelijke oorsprong, herstel van alle geestelijke en materi?le onevenwichtigheden die ooit zijn ontstaan. Dit blijkt een haalbare en boeiende interpretatie. Of de auteur daarmee aan alle beschreven verschijnselen historisch recht doet, kan ik niet beoordelen maar ik heb geen reden om zijn weergave te wantrouwen, al schrijft hij wel naar zijn rode draad toe, en geeft (overigens niet in het Duitse origineel van dit boek) aan dat hij ge?nspireerd is door het Lectorium Rosicrucianum, speciaal de geschriften van J. van Rijckenborg, die zich als een moderne variant in deze traditie beschouwt. Maar dat hindert mijns inziens op geen enkele wijze de leerzaamheid van dit boek, dat bovendien uiterst prettig leest voor zo'n soms in eerste instantie complex lijkend onderwerp.
Iets anders is of ik mij in de mythe volledig kan herkennen. Ja, als het gaat om het beeld en het ideaal van de transformatie van de mens (de menselijke geest). Niet helemaal, als het gaat om de houding tegenover de tastbare wereld en de wereld van de demonen en lagere geesten (de geestelijke wereld in zover zij niet samenvalt met de goddelijke wereld). Want het ideaal van de transformatie houdt weliswaar in dat ook deze werelden weer in evenwicht komen - vanuit het hernieuwde evenwicht op het hoogste niveau - maar de veronderstelling lijkt toch nogal platonisch in de zin dat het materi?le en lagere geestelijke voortvloeit uit en secundair is ten opzichte van het goddelijke, en in de huidige vorm geheel vernietigd moet worden. Mijn vermoeden is dat geest en materie twee aspecten zijn van ??n werkelijkheid, en dat de transformatie ook in de materi?le en lagere geestelijke wereld haar beslag moet krijgen, sterker nog, dat materie en lagere geestelijke wereld net zo goed 'voorwaarde voor' (en onderdeel van) de transformatie zijn als de goddelijke wereld. Ik beschouw ziekte en dood niet uitsluitend als gevolgen van misstappen maar ook als minstens gedeeltelijk natuurlijke processen. Voor wie heimwee hebben naar een wereld waar alles goed is, is deze mythe een fantastisch mooie uitwerking van en herinnering aan dat heimwee. Al kunnen we niet beweren dat de mysteriescholen en hun mythen op dit punt exclusief zijn - wat de auteur ook niet doet. Misschien is mijn interpretatie van het ideaal van de transformatie volgens dit boek wat te negatief. Zolang het ideaal de bewegingen in positieve zin op gang kan brengen, is het waardevol, en natuurlijk komt het nieuwe slechts door de dood van het oude tot stand. Maar waarom dan niet gewoon zeggen dat het nieuwe een nieuwe vorm van het oude is? Het ideaal moet geen dogma worden, zegt de auteur zelf al. En de wereld van de geest niet alleen tegengesteld aan de concrete wereld maar een subtiel-energetische verbindende en vormgevende 'kracht' waaraan wij en de hele kosmos deel hebben en waarvoor wij open kunnen staan.

Mythen worden steeds hernieuwd. Ik beschouw dit boek als het zichtbaar maken en wellicht daarmee vernieuwen van een belangrijke maar vaak slecht gekende westerse mythe, of samenstel van mythen. Belangrijk om te kennen, alleen al om historische en culturele redenen . Voor sommigen daarenboven ongetwijfeld een persoonlijke leidraad. De vraag is vervolgens hoe deze mythen gerealiseerd en overgedragen kunnen worden in deze deels - maar niet volledig - zinnelijke en demonische wereld, zonder de universele strekking van de mythe tekort te doen en zonder andere wezens en elementen in deze wereld te schaden c.q. zonder de betrokkenheid op deze kwijt te raken. De waarde van mysteriescholen ligt immers juist in hun aanwezigheid in deze wereld, en die is dus kennelijk van het hoogste belang. Zelfs de schijn van wereldmijding past daar niet bij - benadruk ik graag, al lees ik nergens dat de auteur of de mysteriescholen zelf deze wereldmijding propageren. Bij het Lectorium Rosicrucianum wordt wel nadrukkelijk gesteld dat gerichtheid op de wedergeboorte altijd prioriteit heeft boven aardse solidariteit, of welke aardse doeleinden dan ook; de vraag is natuurlijk wat dit in de praktijk inhoudt. Vraagt men ruimte vragen voor afstemming op de goddelijke wereld, wat mij legitiem lijkt, of ontlenen zij daaraan de aanwijzing om zich aan de verantwoordelijkheden van het leven in deze wereld te onttrekken (overigens, uiteraard zonder dat omgekeerd anderen hun de wijze van in praktijk brengen mogen voorschrijven)? Overigens geeft de auteur veel aandacht aan de valkuilen zowel voor de beginners op het pad als voor de gevorderden en voor de scholen zelf. De voornaamste zijn de 'waterproef' en de 'vuurproef'. De waterproef houdt in dat men de symbolen niet als beschrijving van de goddelijke werkelijkheid moet opvatten (die men dan vervolgens als dogma kan hanteren) maar als verwijzing ernaar. Wie het hogere verloochent uit angst voor verlies van zijn eigen zekerheden (de groep waartoe hij behoort bijvoorbeeld), zoals Petrus toen hij ontkende bij Jezus te horen, slaagt niet voor de waterproef. De vuurproef houdt in dat men als men eenmaal krachten ontwikkelt heeft op de weg van de wedergeboorte, deze niet voor zichzelf aanwendt of met het oog op een effect in deze lagere wereld - zoals bij het verraad van Judas - maar alleen met het oog op het realiseren van het hoogste goddelijke plan. Dit gaat alle aardse doeleinden te boven (al is het niet met alle aardse doeleinden in strijd; het gaat er echter om dat dit niet in onze handen ligt). De auteur laat niet na bij voortduring te herhalen dat degene die het pad wil bewandelen, er zelf niet beter van moet willen worden omdat dit een grote hindernis wordt op het pad.

Samenvattend, dit is een prachtig boek vol waardevolle informatie. Maar het is meer. Het is impliciet ook een boek dat verwijst naar en oproept tot een weg van geestelijke en materi?le wedergeboorte. En daarbij bevat het vele praktisch en psychologisch belangrijke aanwijzingen en kritische kanttekeningen. Zeer aanbevolen. P.S. Wie de moeite wil nemen, kan zichzelf belonen door naast het hoofdstuk over Socrates en Plato in dit boek het (achtste) hoofdstuk over Socrates in het boek Mystagogie van Tjeu van den Berk te lezen, dat een magnifieke en inspirerende interpretatie van Socrates' optreden bevat die die van Dietzfelbinger bevestigt en waardevol aanvult.
Voorjaar 2003

Grace F. Knoche, De Mysteriescholen door de eeuwen heen, Den Haag (Theosophical University Press) 2001,[ met literatuurlijst en index,] 108pp.

Zie de
opmerking vooraf.
Wie wil weten hoe in de theosofische beweging tegen de inwijdingstradities van mysteriescholen (zoals de theosofie zelf, maar ook de Rozenkruisers zijn hier sterk verwant aan) wordt aangekeken, vindt het belangrijkste helder bij elkaar in dit boekje. De basisgedachte is dat een groep van hoogste meesters voor de daarvoor in aanmerking komende goede luisteraars onder de mensen hulp biedt op het pad naar wijsheid. De meesters geven deze hulp niet openlijk maar via de mysteriescholen.
Voorjaar 2003

K. Dietzfelbinger (red.), Rozenkruisers toen en nu, Haarlem (Rozekruis Pers) 1998, 157pp.

Zie de
opmerking vooraf.
Heldere inleiding in de beweegredenen en opvattingen van de traditionele en moderne Rozenkruisers. Vooral de hoofdstukken 6 en 7 gaven mij een aanvullende indruk van wat de Rozenkruisers bezielt en wat ze onder elkaar uitwisselen, van hun atmosfeer. Ook in de latere en eerdere hoofdstukken is veel wetenswaardigs te vinden. Over de gesloten werkzaamheden van de moderne Rozenkruisers is hier uiteraard weinig of niets te vinden, behalve tussen de regels door! (Voor de gesloten werkzaamheden lijken mij - dit is slechts een vermoeden! - de eerdere uitgaven van de Rozekruis Pers, met name de werken van J. van Rijckenborg en Catharose de Petri, kenmerkender, maar naar mijn indruk zijn deze dan ook veel meer gericht op de eigen kring van leerlingen die het pad gaan, en op de moeiten daarvan en het uitzicht daarbij.)
Voorjaar 2003

Jan van Rijckenborg / Catharose de Petri, De universele gnosis, Haarlem (Rozekruis Pers) 1992-3e druk, 185pp.

Zie de
opmerking vooraf.
Dit boek bevat 20 'brieven', opstellen die samen een indruk geven van de wedergeboorte waartoe de ware gnosis (kennis) toe leidt. Hoewel de auteurs op het standpunt staan dat hun leer voorzover zij concrete uitspraken doet over het menselijke stelsel ook wetenschappelijk juist is (hoewel zij veel dieper gaat dan de wetenschap), is hun boodschap zeer idiosyncratisch, ofwel van een eigen aard. Dit heeft geleid tot een betoverende, prachtige taal, die echter net als de boodschap alleen of vooral door leerlingen herkend kan worden en voor leerlingen geschreven is. Want er zijn twee soorten belangstellenden: (1) ?als ge?nteresseerden? en (2) ?uit innerlijke nood? - en alleen de laatsten zijn te helpen (101). Het zijn opwekkende, appellerende teksten vanuit een standpunt van (bijna) alwetendheid, in ieder geval grote betrokkenheid bij de innerlijke nood van de mens en de wereld.
Het eigenaardige karakter beperkt de publieke waarde van deze teksten uiteraard nogal, zij zijn moeilijk herkenbaar en verifieerbaar voor de gemiddelde lezer. Maar toch zijn er ook aspecten aan die dat wel zijn, zoals de herkomst van bepaalde opvattingen of beelden of gedachten, of de verwantschap ervan met die van andere geschriften of auteurs. Een grote intelligentie kan mijn inziens aan de auteurs niet worden ontzegd, evenmin als een diep inzicht in de menselijke psychologie. Tegelijk krijg ik uit sommige regels de indruk dat in de kring van leraren en leerlingen processen plaats vinden die ik niet zonder meer toejuich of kan plaatsen, zoals het nemen van de maat aan elkaar, pp. 49vv, met name 53. Hoewel de auteurs duidelijk zeggen dat het niet kan gaan om intellectueel of emotioneel begrijpen van zaken - wat ik me voor kan stellen - ben ik bevreesd dat zij hier toch grenzen overschrijden die gewone mensen niet kunnen overzien. Omdat de leerlingen aangeraden wordt hun ik-centraliteit op te geven, komt dit mij als vreeswekkend voor (ik zie hier een parallel met de leraar-leerlingverhouding in sommige verschijningsvormen van zen-boeddhisme waar de autoriteit van de leraar boven elke norm verheven lijkt). Wat ik me kan voorstellen is dat de auteurs duidelijk zouden willen maken dat men zonder verlies van het oude ik geen stap verder komt, en dat is natuurlijk niet gemakkelijk uit te leggen. Daarom schrijven de auteurs wellicht ook bij het begin van die passages dat het zeker niet de bedoeling is over deze zeer particuliere aangelegenheden te schrijven, zij willen alleen opmerkzaam maken op bepaalde risico's en kansen: het gaat om alles of niets. Zij wijzen er juist op dat het geen schade oplevert voor wie binnen de kring staat. Dit aspect van binnen en buiten de kring staan lijkt mij belangrijk om zich te realiseren voor wie aan dit boek begint. Er is altijd meer aan de hand dan woorden of gevoelens kunnen zeggen en omvatten als het om religie - in dit geval om de meest diepingrijpende vorm van wedergeboorte en omvorming - gaat. Dat noopt mij - die niet erg bescheiden ben - tot bescheidenheid en terughoudendheid. Het komt niet alleen op de kwaliteit van teksten aan maar vooral op de kwaliteit van de persoon, in de zin van de geest die door de persoon of op andere wijze tot ons komt, binnen of buiten de kring - en er zijn nu eenmaal meerdere kringen. Hoewel ik de uitdrukking zelf in dit boek niet ben tegengekomen, zeggen de auteurs zelf ook voortdurend dat het niet om de leer gaat maar om de praktijk, ofwel ?aan de vruchten herkent men de boom?. Ik zou er dus voor pleiten dat leerlingen toch geheel de vrijheid behouden om naast de lessen en oordelen die ze in de groep en van de leraren ontvangen, in geestelijk opzicht - en daar valt zelfbeoordeling ook onder - toch geheel vrij en zelfstandig te zijn. Geldt dat niet ook voor de leraren en de groep zelf? Overigens wordt in het Lectorium Rosicrucianum steeds opnieuw nadruk gelegd op de zelfautoriteit die iedere leerling hier heeft: men kan de weg alleen zelf gaan, een ander kan het niet voor je doen. Tegelijk wordt er nadruk op gelegd dat wedergeboorte niet het oppoetsen van het huidige ik is maar de dood daarvan ten gunste van een helemaal nieuwe geestelijke kern waaruit men leeft.
Interessant is ook een meer concrete aanduiding van de groei van het Lectorium Rosicrucianum zelf (84) waar de auteurs spreken van de inspanning die van de leerlingen gevraagd wordt om het aantal brandpunten (lees: centra van werkzaamheid) uit te breiden. ?Het is ons bekend dat, wanneer de leerlingen zich op voldoende wijze zullen inspannen en zich op de enig mogelijke wijze geven, er nog meer zullen volgen. De bedoelde inspanning zal evenwel niet van u worden gevraagd: ze moet spontaan en van binnenuit door u worden gegeven.? Vervolgens keren de auteurs terug naar de betekenis van het groeiende begrip onder de leerlingen waardoor dezen meer open zullen staan voor de krachten die tot hun wedergeboorte zullen leiden. Ik beschouw het als waardevol dat de auteurs er hier op wijzen dat in het geestelijke gebied dwang niet helpt. Ik neem aan dat niet bedoeld is dat de leerlingen beoordeeld worden op de mate van hun materi?le inzet - of het nu om simpele aanwezigheid, om financi?le bijdragen of om concrete inspanningen gaat - bij het vaststellen van hun geestelijke stand van ontwikkeling; de auteur wijst dat zelf expliciet af (169). De vrijheid van het geven is immers juist geen vrijheid als het stille of openlijke dwang is, en al zeer zeker niet in de geestelijke sfeer. In feite gaat het hier natuurlijk om processen die zich overal in groepen mensen afspelen, en ook Rozenkruisers zal niets menselijks vreemd zijn. Maar juist omdat hun werk om geestelijke redenen deels besloten is, is het belangrijk zich goed te realiseren dat het spanningsveld tussen het hoge geestelijke doel en het met vallen en opstaan vinden van een weg door onze aardse beslommeringen heen, altijd zal blijven zolang wij nog op aarde zijn. En dat zeggen de auteurs ook duidelijk, zij geven helder aan dat het gaan van het pad moeilijkheden zal opleveren die dan weer als kans zullen werken voor wie verder mogen gaan. Dat is uiteraard niet alleen in geestelijk opzicht zo, maar ook in concrete samenwerkingsverbanden waar ook het Lectorium Rosicrucianum er een van is. Opmerkelijk vind ik dan wel dat de leerling het zich zo moet voorstellen dat de School (lees: de leraren) de offers hebben gebracht en brengen, en dat de leerling voorlopig niets goed kan doen, alleen na lange oefening. Sterker, de volgende uitspraak roept vraagtekens bij mij op: ?Versta dan ook de roep, dat dit offer met actueel resultaat van uw zijde moet worden betaald, wil het evenwicht bewaard blijven en u als leerling van de School zult kunnen worden gehandhaafd.? (169) Dit zal niet als dwang bedoeld zijn maar werkt het in de praktijk anders?
Misschien moeten we zulke uitspraken lezen als omzichtigheid die de leraar ten toon spreidt om de leerling niet de illusie te geven dat het allemaal zo gemakkelijk zal gaan op het pad, en vooral dat welke inzet dan ook niet automatisch leidt tot het bereiken van het geestelijke doel. Op 180v. wijst de auteur er nog eens expliciet op dat men tot de School niet moet toetreden als men er aardse winst van wil verwachten in welke zin dan ook. Al het aardse moet worden afgelegd, en wel zuiver geweldloos. Het streven naar wedergeboorte zal winnen - van elk innerlijk en uiterlijk verzet - door niet te strijden. Op p. 184v. zegt de auteur het nog eens en nog anders: de macht die werkelijk nodig is om het pad van wedergeboorte te gaan, is het bezit van de Heilige Geest (die niet van deze aarde is). Heeft men die, dan is de komende wedergeboorte voor die Godszoon of -dochter een zekerheid. Zoniet, dan is men vooralsnog een vreemdeling. Het blijft dus alles of niets. De auteur zegt dat de leerling het alleen zelf kan doen, zich overgeven aan het werk dat aan haar of hem gedaan wordt, en daarop het antwoord geven (169). Wat betekent de School voor degenen die binnen en buiten de School op deze weg zijn? Hoe belangrijk is binnen en buiten staan voor de deelnemers aan de School? Is het allemaal geestelijke vrijheid of is er ook sprake van geestelijke dwang of terreur? Hoe kan men dat weten, hoe leert men het interne werk van de School kennen zonder haar of zijn vrijheid geheel te verliezen? Of zonder dat de School te grote concessies moet doen aan de kwaliteitseisen die het gaan van het pad stelt?
Ik kan me de passages waar ik deze vragen bij heb, voorstellen als verwijzingen naar de hulp die men in de beschermde kring van de school kan krijgen bij het proces van wedergeboorte. Natuurlijk is daarbij van de leerling een openheid hiervoor te verwachten, en natuurlijk een positieve instelling jegens deze hulp en helpers, en ook is het nodig dat men zich laat kennen, de basis voor verandering. Maar juist waar die processen op gang komen, lijkt iedere hulp die deze openheid en positieve instelling (ook) gebruikt voor uiterlijke aanpassing aan de kennis en het gedrag van de helpers in plaats van (uitsluitend) als openheid voor de onvoorspelbare werkingen van de goddelijke geest die ons met het ene en het geheel verbindt in en door onze in tegendelen en dialectiek uiteenvallende werkelijkheid (die ook wel genoemde kennis en gedrag omvat maar naar ik aanneem niet alleen), mij minder aangewezen. In ieder geval dient het laatste (openheid) en niet het eerste (aanpassing) voorop te staan, lijkt me.
Uiterst boeiend, en een voorbeeld van een verbinding met zeer oude en zeer waardevolle tradities die midden in de moderne tijd volop leven en leven kunnen brengen aan degenen die erdoor aangesproken worden. Iedere mens zal haar of zijn eigen weg hebben te gaan, en daar is ook het pad van de Rozenkruisers een variant van en een oproep toe.
Zomer 2003

P.F.W. Huijs, Als een Bovenaardse Rivier: De verborgen stuw van de Gnosis in Europa, Haarlem (Rozekruis Pers) 2001, met register en literatuurverwijzingen, 327pp.

Zie de
opmerking vooraf.
In dit boek heeft de auteur een aantal interessante hoofdstukken bijeengebracht over inspiratiebronnen van de moderne Rozekruisers, met name van het Lectorium Rosicrucianum waarin hij zelf deelneemt als redacteur van het tijdschrift Pentagram. Het bronnenmateriaal is per hoofdstuk erg uiteenlopend en dit werkt ook wel door in het karakter van de verschillende hoofdstukken, soms kan een tijdlang een bron gevolgd worden en dat levert dan een iets andere stijl en toon op dan in een ander stuk. De onderwerpen omvatten onder meer (!) Egypte, de Essenen, Hermes Trismegistos, Mani, de Bogomielen, Johannes Tauler, Paracelsus ("de eerste rozenkruiser"), Jacob Boehme, Johann Valentin Andreae, J.A. Comenius, en J. van Rijcenkborg. De meeste informatie is erg interessant, ook al is de tekst het ene moment zakelijk en het andere moment overlopend van inspiratie. Ik kan niet goed beoordelen of de auteur er in geslaagd is de zeer uiteenlopende stof in ??n perspectief te behandelen, daar heb ik vragen bij, ook of dat wel zou kunnen. Maar erg waardevol is het boek vanwege het feit dat de geboden informatie, met name ook de zakelijke, vaak nergens anders zo goed is te vinden in inleidende vorm. De auteur heeft naar evenwicht gestreefd en is daar grotendeels in geslaagd, en hetzelfde geldt voor het gebruik van zijn bronnen en hoe hij dat verantwoordt. Wie tijd heeft om de aparte onderwerpen zelf te bestuderen en de moeilijkheidsgraad aankan, zal de bronnen zelf kunnen raadplegen en de studies die er over te vinden zijn, maar als inleidend overzicht is dit een belangrijk boek. Waar vind je deze informatie over de belangrijke Paracelsus zo bijeen en zo toegankelijk? [Zie inmiddels de gloednieuwe vertalingen in het Nederlands van werken van Paracelsus bij Uitgeverij Woudezel!]En dat geldt voor meer hoofdstukken. De verwijzingen naar wetenschappelijke literatuur zijn vaak erg beperkt of ontbreken; daar staan andere waardevolle verwijzingen tegenover naar kwalitatief goede populaire en goed leesbare werken.
Opmerkelijk vond ik in het hoofdstuk over de stichters van het Lectorium Rosicrucianum de passage (306) over de categorische afwijzing van de gehele leer en het onderricht in de astrologie in 1945 nadat die in de jaren daarvoor een wezenlijk deel van het onderricht hadden uitgemaakt. ?Want, aldus de leiding, dat heeft allemaal betrekking op de oude dialectische persoonlijkheid en op het Hoger Zelf, en niet op de centrale geestkern, die als een totaal nieuwe persoonlijkheid in de microcosmos zal ontwaken.? Daar leid ik uit af dat ook in het denken binnen deze mysterie- of geestesschool zich een groei naar een sterkere eigen identiteit heeft voorgedaan, een concentratie op en doorwerking van wat als het wezenlijke wordt ervaren. Tegelijk wordt daarin zichtbaar hoe de doorwerking van het wezenlijke - de verbinding met de ene geestelijke wereld die onze gespleten en veelvormige lagere wereld in alles te boven gaat - altijd ook een mengeling van het menselijke en het 'goddelijke' is.
In hetzelfde hoofdstuk vond ik nog een passage (307-308) erg opvallend, waar de ontwikkeling van zeven werkvelden van de school beschreven wordt, waarvan de zesde en zevende voornamelijk te maken hebben met het werk der innerlijke graden van de mysterieschool (308). Uit de publicatie De Roep van het Rozenkruis (21, 85: ?[De Rozenkruisers] delen geen inwijdingen uit.?) en andere publieke mededelingen heb ik begrepen dat er in deze school geen uiterlijke rangen zijn (wel organisatorische taakverdelingen). Ieder is 'leerling' en als zodanig gelijke van alle anderen; hoe zou dat ook anders kunnen als de weg naar het hoogste doel de volkomen zelfopoffering omvat (idem 78). Overigens spreekt het uiteraard vanzelf dat onderwijs gericht moet zijn op het niveau van de leerling en dat dat niveau kan uiteenlopen. Maar ook hier proef ik toch dat er een plaats is waar niveauverschillen vastgesteld kunnen worden in de innerlijke ontwikkeling. Hopelijk komen de resultaten daarvan ten goede aan degenen die dat verdienen, en beperkt dat niet nodeloos iemands vrijheid en verantwoordelijkheid maar stimuleert die (ik zie hier opnieuw een parallel met sommige vormen van zen-boeddhisme, met de voor- en nadelen van deze zeer persoonlijke relatie met hooggeachte geestelijk leidende personen). In dit boek wordt net als in alle geschriften uit de kringen van Rozekruisers duidelijk dat wie echt leert luisteren, haar of zijn gedrag vervolgens laat bepalen door de wijsheid, de liefde, de solidariteit en de "realiseringsimpuls" die men zo heeft ervaren. Tegelijk is het mijns inziens goed om nuchter vast te stellen dat de organisatorische kanten van de school en de menselijke kanten van allen die erin functioneren, dezelfde kenmerken lijken te vertonen als die van alle organisaties en mensen in onze wereld. Geen religieuze organisatie is permanent de "hemel op aarde" geweest, al hebben sommigen er soms de "hemel" in ervaren, of hebben in die kring van de "hemel" geleerd (Jacob Boehme zegt bijvoorbeeld dat wij in principe altijd met de "hemel" verbonden zijn en er toegang toe hebben, al verliezen wij soms dat bewustzijn). Dat geldt ongetwijfeld niet minder voor andere organisaties, menselijke relaties en individuele ervaringen. Wie zal trouwens ontkennen dat die ervaring en die lessen al heel, h??l veel waard kunnen zijn?
En welke kansen dienen zich vervolgens aan?!
"Niet mijn wil ..." (Evangelie naar Lukas 22 vs 42).
"Men late het aan de goden zelf over ons het waarlijk bevorderlijke te verlenen en bidde hun alleen om een gezond lichaam en een gezond mensenverstand (orandum est, ut sit mens sana in corpore sano)" (Iuvenalis, Satires X 356; hij bedoelde hiermee overigens niet dat een gezond lichaam voorwaarde, of zelfs enige voorwaarde, laat staan garantie is voor een gezonde geest - zoals dit citaat in de moderne tijd vaak verstaan is; de context van zijn uitspraak is namelijk een voorafgaand betoog tegen de veelal dwaze verzoeken die mensen hun goden doen, vaak gericht op beperkte genietingen).
Zomer 2003

R.M. Geraci, Revolution in Early Christianity: The Gospel of Thomas, Honors Thesis University of Texas in Austin, May 1999, een als goed ('Honors') beoordeelde doctoraalscriptie (Bachelor of Arts), gevonden als newgospeltom.doc op een studentenwebpagina: http://www.uweb.ucsb.edu/~reinbold/newgospeltom.doc

Gebruikt om mij in te lezen in een aantal stellingnames inzake het Evangelie van Thomas, met name het wetenschappelijk onderzoek. Interessant.
September 2003

Valentinus, Inayat Khan en Hermes Trismegistus: Terug naar de Bron 2, Bijdragen van G. Quispel, H.J. Witteveen, J.R. Ritman: Symposion van het Lectorium Rosicrucianum, Internationale School van het Gouden Rozenkruis, Haarlem(Rozekruis Pers)2003, 43 pp.

Heldere lezingen van drie Nederlandse nestoren van de spirituele kennis, gehouden op 10 mei 2003.
September 2003

Han M. Stiekema, Het Grote Leerproces[, beginpagina,] 2000 en volgende

Nederlandse versie van de beginpagina The Great Learning, verwijzend naar een conglomeraat van teksten en webpagina's over het aanbod aan inzichten en geneeswijzen van de auteur. Deze zijn hoofdzakelijk geordend naar drie onderwerpen: spiritueel herstel door terugkeer naar de Grote Moeder ofwel Moedergodin, natuurgenezing door reiniging en speciale behandelingen, en herstel van de politieke orde door een hervorming van onderaf. Stiekema is opgeleid als arts en als natuurgeneeskundige en heeft bijzondere ervaringen gehad die hem aanleiding gaven zich dienaar en boodschapper (Sermes ofwel Servant-Messenger) te weten van de Grote Moeder. Zijn kennismaking met oosterse verlichting en de werkelijkheidsvisie die ermee verbonden is, deed hij aanvankelijk op in de invloedssfeer van Bhagwan Sri Rahneesj maar hij maakte later een geheel zelfstandige ontwikkeling door waarbij onder andere het boeddhisme een rol speelde. Stiekema ontwikkelde een geheel eigen mythologie waarbij het evenwicht tussen polariteiten op alle gebieden centraal staat, met name ook de verhouding van man en vrouw (androgynie), en de verhouding tussen patriarchaat en matriarchaat. Op dit laatste gebied is hij zeer belezen in veel ook recente literatuur (en geeft bruikbare verwijzingen naar zijn bronnen!) en ik ervaar zijn idee?n als sterk verwant aan - en in zekere zin een bevestiging en waardevolle 'uitwerking' of minstens grote verbreding van - de feiten, intu?ties en vermoedens die ik beschreef in mijn boek Voorbij het patriarchaat uit 1989, dat hij overigens nog niet lijkt te kennen. Ik heb hieraan sinds die tijd niet veel aandacht besteed, en het werk van de auteur herinnert mij enerzijds aan het grote belang van - en de toch brede interesse in - het onderwerp, anderzijds voorzie ik niet dat ik er in de toekomst veel aandacht aan kan besteden anders dan door een integratie in mijn persoon en levenshouding (dus waarschijnlijk niet studieus). Mijn indruk is dat de auteur op buitengewoon intellingente wijze historische en mythologische gevens met elkaar verbindt, zonder al te veel verwarring op het gebied van idee?n of van de bekende feiten te veroorzaken.
Zijn teksten en webpagina's worden nog voortdurend verbeterd en aangepast, krijg ik de indruk, en ik kan dan ook niet zeggen waar Stiekema uiteindelijk uit zal komen. Stiekema presenteert zich als 'boodschapper' ofwel spiritueel (bege)leider en genezer, als verlichte met een roeping, en dat be?nvloedt zijn stijl direct. Gezien de unieke inhoud van zijn teksten en de verreikendheid ervan en de helderheid waarmee hij ze vaak formuleert, acht ik zijn teksten voor de kritische lezer erg waardevol om het eigen denken en het eigen onderzoek te stimuleren (niet om klakkeloos alles over te nemen) op gebieden waar de meeste huidige leiders en voorlichters en wetenschappers minder te bieden hebben. Op de terreinen van geneeskunde en politiek ben ik niet deskundig genoeg om een oordeel te kunnen geven. Zelf ben ik nog niet helemaal door alle teksten heen (in ieder geval niet door het op het eerste oog bepaald interessante 'politieke' deel - dat eveneens voorzien is van een waardevolle literatuurlijst), omdat het een grote hoeveelheid betreft en omdat het niet gemakkelijk is om het geheel te overzien en kritisch te vergelijken met het weinige betrouwbare wat op deze gebieden elders te vinden is. Bovendien kan ik nergens een aanknopingspunt vinden om de interessante idee?n te toetsen aan de praktijk want ik ken die van de auteur niet (hij biedt onder andere lezingen, consulten en cursussen aan in Amsterdam en andere plaatsen in Europa) en hoewel de auteur uitvoerig, vaak openhartig en in vele opzichten verduidelijkend over zijn leven schrijft, is dat voor mij als lezer uiteraard altijd een beperkte vorm van kennismaking. Voor mij staat echter vast dat ook los van de spirituele en persoonlijke ontwikkeling van de auteur of van een kennismaking met hem zijn idee?n en teksten veel bevatten dat een waardevolle inspiratiebron kan vormen en veel interessante feiten biedt en vragen kan oproepen. Hopelijk doet de voortdurende aanpassing van sommige teksten aan de mogelijkheid tot verkenning ervan geen afbreuk. Enkele teksten zijn eerder in druk verschenen en bij de auteur te bestellen.
September-december 2003

Esther/Jerry Hicks, Sara en haar gevederde vriend: Een inspirerend verhaal over de ervaringsreis van een kind naar het w?ten dat alles goed is. (Dat is echt zo.), Epe (Uitgeverij Petiet) 1999, 169 pp.
Idem, Sara en Seth: De vrolijke veerloze vrienden van Salomon de uil, Laren NH (Co?p. Uitgeverij Petiet) 2001, 223 pp.

Het eerste boekje is er ??n met een simpel, herkenbaar en erg leesbaar kinderverhaal dat tegelijk kan helpen om stevig en zelfbewust in de wereld te staan. Speciaal voor opgroeiende kinderen - maar misschien nog meer voor volwassenen die in de put zitten of een steuntje in de richting van positief denken kunnen gebruiken. Een boekje om telkens naar terug te grijpen, er zit in kort bestek veel in, ook al is die boodschap subjectief.
Psychologisch heel sterk, omdat de nodige realiteitszin niet ontbreekt (het is wel zo dat deze bewust wordt gesubjectiveerd).
Verwijzingen naar vergelijkbare titels - maar dan ook voor volwassenen en speciaal voor mensen in een traject van herori?ntatie op hun werksituatie of van persoonlijke ontwikkeling - zijn te vinden op de site van
Loopbaandienstverlening Langenberg, speciaal op de pagina " http://www.loopbaan-langenberg.nl/ontwikkeling/boeken.htm ".
Het tweede boekje vervolgt de ingezette lijn, leest opnieuw erg prettig en is opnieuw psychologisch sterk, hoewel nuchter beschouwd enigszins simplistisch. Maar zoals iedereen weet: imaginatie (ofwel inbeelding en verbeelding) werkt! De hoofdstelling van dit deel is: "Wat je je zelf via '(terug- en vooruit-)denken aan' aan stemming voorhoudt, heeft invloed op hoe je de wereld ervaart en dus ook op hoe de wereld wordt". En let maar op, dit geldt ook voor 'objectieve' feiten (zijn die er zo ge?soleerd?!). Kortom, lezenswaard en zelfs voor degenen met de meeste reserves tegen deze 'magische' werkelijkheidsopvatting misschien wel een verademing of een impuls die 'te denken' kan geven (en dan ...?!).
Voor mij is dit geen absolute tegenstelling: magie is 'begrijpelijk' wanneer men het loslaten van het oordelen erin opneemt. Dit loslaten van het oordelen ofwel van het maken van onderscheidingen, stoelt op het intu?tieve weten dat alles ??n is, ondeelbaar, of het verstand er nu bij kan of niet. Ik verwijs hiervoor naar het niet-dualistische denken waaraan elders in deze website aandacht is besteed, en ook naar de woorden van Jezus over het oordelen.
Met andere woorden, om de werkelijkheid helemaal te kunnen 'begrijpen' is het nodig het begrijpen op te geven. Natuurlijk niet om wat binnen bepaalde afspraken onlogisch is, logisch te noemen. We mogen ons verstand best gebruiken waar dat zinvol is. Maar om datgene waar we met (onze waarneming en) ons verstand niet bij kunnen, de ruimte en de erkenning en de tijd te geven die het verdient.
Iets anders is of deze boekjes dit laatste ook bedoelen. Of laten zij ook ruimte voor een opvatting van 'magie' die 'de wereld ook objectief naar onze hand zet'? Dan zou dat samenvallen met een technocratische visie, zij het in magische vorm. Dat lijkt mij bij hen niet het geval.
16 januari/22 maart 2004

Lisa Ann Bargeman, THE EGYPTIAN ORIGIN OF CHRISTIANITY, [ met bibliografie en noten,] 1stBooks - rev. 07/14/03 (e-book), 2002, 124 pp.

Fascinerende titel, helaas is dit voor een leek in de egyptologie en de andere culturen van de oudheid een niet in alle opzichten direct inzichtelijk boek (ook verschenen met hardcover en met paperback). Boeiende en treffende parallellen tussen de egyptische religieuze teksten en gebruiken enerzijds en bijbelse en christelijke, met name rooms-katholieke, anderzijds. Maar weinig wetenschappelijk inzichtelijke verheldering van achtergronden en van de - overigens zo te zien goede - motieven van de auteur. Wellicht dat iemand die de onderwerpen, de bronnen en de genoemde literatuur beter kent, beter kan beoordelen wat de waarde van dit boek is. Verder dan het aangeven van parallellen en van de noodzaak van verdere studie komt dit boek nauwelijks. Wel wordt duidelijk dat van dit onderwerp veel meer te maken is. De auteur verantwoordt de keuze van haar vergelijkingen en de indeling van haar onderwerp ook niet voldoende om houvast te bieden. Hopelijk komt een en ander ooit beter uit de verf. De verbanden tussen Egypte en het hellenisme, en tussen Egypte en het christendom in wording lijken dat te verdienen. Waarom de auteur ook chinese en andere parallellen aanhaalt, begrijp ik niet goed, tenzij om aan te duiden dat vergelijkende godsdienstwetenschap zinvol is. Maar dat is maar ??n aspect. Vervolgens zou je toch alle vergelijkingen afzonderlijk en gezamenlijk op hun waarde en op hun relevantie beoordeeld willen zien, en dat gebeurt hier nog niet. Maar misschien is dat bij de huidige stand van de wetenschappen op dit terrein nog een te grote wens. Waar is - of wie kent - het nog interessantere boek of overzichtsartikel op dit terrein?
26 februari 2004


Retour naar overzichtspagina gelezen teksten


Google
"To Serve Divine Wisdom, in Full Awareness of Death and Life
Waiting for Her unmistakable Signs,
Tapping from and Revering the Source of True Healing, the Kingdom of Complete Eternity
Manifesting Always through All Polarities and Changes Here and Now" (Kalliopeia)

Ieder apart wezen compleet en diep één met zijn eeuwige grond, verbonden in één gewaar-zijn


URL: http://www.bk-books.eu/lezen8.html
Version 9 = latest revision of 18 June March 2007 (Version 1: 22 July 2003)
© 2000-2007 Boudewijn Koole; copying admitted
in case acknowledgement is provided (at least reference to site: www.bk-books.eu and with link to url (unique resource location or web-address) of the text copied or referred to; if wished so with your valuation)