Uitgebreide versie van de lezing die op 13 december 2003 gehouden werd in Middelburg op het Symposion van de Spirituele Sociëteit Zeeland, gehouden ter aanbieding van 't Vuufde evangelie, de vertaling in het Zeeuws van het Evangelie van Thomas door Quidam (Dr Hans de Vos)
Aan het eind vindt u enkele bronvermeldingen en verwijzingen naar mogelijk interessante literatuur
(1) We komen dus uit bij de uiteenlopende manieren waarop de leerlingen en volgelingen van Jezus na zijn einde aan het kruis de beelden en de verhalen en de uitspraken die zij van hem hadden, aan zichzelf en elkaar voor ogen stelden en aan belangstellenden en buitenstaanders doorgaven. We knopen aan bij wat we eerder vonden: alleen al binnen het etnisch-religieuze Jodendom van die tijd waren er uiteenlopende stromingen zoals een uitgebreide wijsheidstraditie, messiaanse tradities en esoterische tradities. En om het belang en de betekenis van Jezus weer te geven werden de sterkste beelden uit die tradities ook voor Jezus gebruikt. Maar daarbij waren er ook invloeden van niet-joodse tradities. De Joden in en buiten Palestina werden in vele opzichten sterk beïnvloed door de hellenistische cultuur om hen heen. En zo ontstonden er nieuwe stromingen, zoals de joodse gnostiek, die zich onder meer sterk manifesteerde in het Egyptische Alexandrië waar honderdduizenden Joden woonden. Ook de sterk door de platonische filosofie beïnvloede Joodse filosoof Philo woonde daar. Maar het ging ook om verschillende andere mysteriereligies, met hun eigen levensbeschouwingen en heldenfiguren, goden en godinnen waar zowel de Jezus volgende Joden als de andere Joden mee in gesprek raakten. En om datgene naar voren te brengen wat zij belangrijk vonden gebruikten ze allemaal elkaars taal en beelden en namen die soms zelfs vergaand over zij het vaak met een nieuwe inhoud. Tekstuitgaven
De geschiedenis van deze processen is nog niet samenvattend in kaart gebracht omdat er nog zoveel ontdekkingen gedaan worden en verwerkt moeten worden, onder andere die van de geschriften bij de Dode Zee in Palestina en in Nag Hammadi in Egypte. We beperken ons in het volgende tot enkele zaken die de beeldvorming over Jezus betreffen. Zoals gezegd in het kader van de ontwikkeling van de enthousiaste maar simpele en arme Jezusbewegingen tot een invloedrijke staatskerk met machtige leiders, en van de bijzondere Jood Jezus die het Koninkrijk verkondigde aan de armen tot de Zoon van de God van alle volken, de Christus ofwel Messias die allen die in hem geloven, van zonde verlost.
Er was nog geen Nieuwe Testament, er was ook geen vaste kerkelijke organisatie, er waren alleen groepen die Aramees spraken, of Grieks, of nog een andere taal (vergeet niet dat 'Thomas' in een Koptische uitgave werd gevonden!) en in heel verschillende landen en plaatsen. En maatschappelijke invloed hadden de Jezus-mensen ook maar heel weinig. Men was vooral blij met de onderlinge gemeenschap, en de vrijheid en gelijkheid en de broederschap die men ondervond. De verschillen tussen de ideeën waren wel belangrijk maar daar maakte men geen probleem van; allemaal kwamen ze van Jezus of sloten ze toch wel goed bij die van Jezus aan, ervoer men of veronderstelde men maar al te graag want de naam Jezus was beslist een naam met gezag. Ieder van die opvattingen en elk van die geschriften waarin ze te vinden waren, hoorden vaak slechts bij één bepaalde gemeente of beweging en verschilden vaak heel veel van de vele andere. Er waren vele varianten. Er zijn niet voor niets vier evangeliën en heel veel brieven alleen al in het Nieuwe Testament. Het leefde allemaal naast elkaar voort. Het is overigens belangrijk om te bedenken dat de ons bekende versies van de evangeliën grotendeels gebaseerd zijn op handschriften die pas dateren uit de vierde eeuw na Christus, en die als er eerdere fragmenten zijn vaak met die fragmenten verschillen. Op die gronden kunnen we niet zo maar aan het Nieuwe Testament een groot gezag toekennen, althans niet in de zin van historisch het meest authentiek en 'dus' het meest betrouwbaar. Hierover bestaat voldoende toegankelijke literatuur (het meest actueel bijgehouden in de noten van het boek van Elaine Pagels, zie onder).
Sommigen zagen in Jezus de rabbi een echte Joodse volksgenoot, anderen een soort Cynische filosoof die mensen wakker schudde (ons huidige woord 'cynisch' is afgeleid van het Griekse woord 'kunos' = 'honds'; in die tijd was dat een verwijzing naar het ongewone gedrag waarmee deze 'Cynici' hun kritiek duidelijk probeerden te maken; maar het had dus niet de betekenis van ons huidige 'cynisch'). Nog weer anderen - de meeste gnostici - zagen in hem een hemels wezen in aardse gedaante dat de verbinding met de hoogste God herstelde die door de val in de materie en de zonde bijna of geheel verloren was gegaan. En weer anderen zagen in Jezus de Christus, de Messias, maar hij was - iets waarmee zij niet gerekend hadden - een lijdende Messias. Zij herinnerden zich: Jezus had over zichzelf als "de mens" gesproken - juist op die momenten wanneer hij met al te hoge verwachtingen ten opzichte van hem geconfronteerd was. Hij had - zagen zij nu - aan het algemene begrip "mens" een Messiaanse waardigheid gegeven en gehoopt dat hij in de rol van deze "mens" zou verder groeien en haar in de nabije toekomst zou vervullen. Nu zagen zij: Hij was "de mens", aan wie God volgens een voorspelling in Daniël 7 alle macht in hemel en op aarde zou geven. Voor hen schoof Jezus op tot aan de zijde van God; Mensenzoon was een titel van hem. Hij was ook de lijdende Messias die voor de zonden van alle mensen stierf, die de Heer (Kurios) van het universum was geworden - beide niet bepaald zelfbeelden van Jezus - en die de solidariteit tussen alle mensen en volken zou herstellen bij zijn terugkeer op aarde.
Het geloof in Jezus de Christus scheidde zich steeds meer hellenistisch gekleurd in de loop van de eerste en tweede eeuw na Christus bij stukjes en beetjes van de andere takken van het Jodendom - waaronder de rabbijnse - af zoals dat er na de tempelverwoesting in het jaar 72 uit was gaan zien. Maar pas in de vierde eeuw werden op concilies een aantal opvattingen en bewegingen die tot dan toe volwaardig hadden meegeteld, in de ban gedaan. Die ontwikkelingen omvatten het steeds belangrijker worden van de hellenistische vormen en opvattingen waarin de aanhangers van Jezus hun religie beleefden, en het minder belangrijk worden van de etnisch-joodse tradities gebaseerde religieuze vormen en opvattingen. De banden met het jodendom werd steeds minder uiterlijk zichtbaar. De typisch Joodse beelden en verhalen over Jezus kregen hellenistische varianten naast zich, en werden er mee vermengd; en dat gold ook voor gebruiken. De volgelingen van Jezus leken naar buiten toe op de andere mysteriereligies, al stelden zij het naar binnen toe op prijs zich als voortzetting van de Joodse tradities te zien, het Nieuwe Verbond dat het Oude afloste (steeds vaker in de zin van een zich sterk afzetten tegen de joden die Jezus niet volgden). Uiteindelijk wonnen die christelijke groepen het die de sterkste organisatie, leer en geschriftenverzameling hadden, en die zich de katholieken ofwel 'algemenen' noemde. Zij wezen de gnostische en andere stromingen af als verwarde ketterijen, al hadden die net als zij al enkele eeuwen aan Jezus' inspiratie vorm gegeven. Uiteindelijk werd Jezus beschouwd als onderdeel van de Triniteit geworden en als Gods Zoon al vóór de schepping (en niet alleen als bij zijn doop door God aangenomen 'zoon').
Toen de invloed van de katholieken als staatskerk groeide, nam de betekenis en zelfs de kennis van de andere stromingen af; zij werden al dan niet opzettelijk vergeten en kwamen alleen af en toe in andere vormen terug, waarbij de 'katholieke' kerken er altijd in slaagden de uiterlijke invloed ervan te minimaliseren. Dat is tegenwoordig opvallend anders, mede door genoemde ontdekkingen die allerlei verloren inspiraties, belevingen en vormgevingen onder de aandacht brengen. Duidelijk wordt steeds meer welke opvattingen gewonnen en verloren hebben in de eerste eeuwen. We kunnen ook zien dat bepaalde aspecten van Jezus en zijn boodschap in de latere kerk naar de achtergrond verdwenen zijn, of een andere kleur hebben gekregen. Aanvankelijk werden volgelingen van Jezus vervolgd door de Romeinse overheid omdat zij afstand namen van de goddelijkheid van de keizer; ook namen zij niet deel in het Romeinse leger. Behalve het beroep van soldaat onthielden zij zich ook van andere beroepen en bezigheden die verontreiniging meebrachten; ook dit zwakte later af. Aanvankelijk stond innerlijke vrijheid (de werking van de geest) en een vrije wil voorop bij de volgelingen van Jezus; later verving Augustinus de vrije wil door de erfzonde, precies in de tijd dat het christendom staatskerk werd (enkele decennia voor Augustinus had de Egyptische bisschop Athanasius al geschreven dat de mens wel naar Gods beeld geschapen was en dit beeld in beginsel nog in zich droeg maar dat dit beeld door de zonden van de mensen inmiddels zo corrupt geworden was, dat het pas weer door Jezus hersteld kon worden; op eigen krach kon de mens er volgens hem niets meer mee). Ook lijkt het er op dat in de eerste eeuwen de kuisheid of maagdelijkheid erg populair was bij de volgelingen van Jezus, zeker ook bij vrouwen, terwijl deze na de vastlegging van de kerkelijke structuur voornamelijk gepropageerd werd voor monniken en voor de hogere functionarissen in de kerk. Het huwelijk werd voor lekenchristenen allengs meer gedoogd al was de officiële visie op seksualiteit, in de eerste eeuwen uiteenlopend gewaardeerd, nu nog negatiever.
Omgekeerd lijkt het steeds beter mogelijk in de buurt te komen van wat de historische Jezus werkelijk gezegd en gedaan heeft, wat zijn boodschap was en hoe hij over allerlei zaken dacht. Daarbij is het belangrijkste dat Jezus zelf in zijn eigen boodschap niet of nauwelijks voorkwam en de kerk evenmin; het ging Jezus immers om de komst van het koninkrijk van spirituele verlichting en maatschappelijke solidariteit.
Juist de betiteling van Jezus als Heer (Kurios) heeft geen parallel in de tijd dat Jezus nog leefde. En het is ook precies die titel die aan Jezus het formele gezag van een autoriteit verschaft die bij wijze van spreken met die van de Romeinse keizer kon concurreren. Die maakte immers ook op absolute autoriteit aanspraak, als wereldlijk keizer die zich tevens als god beschouwde. Over Jezus' titels zou veel meer gezegd dienen te worden maar daarvoor moet naar andere studies verwezen worden die verschenen zijn maar waarover het laatste woord nog niet gezegd is.
Merkwaardig genoeg zijn ook de oorspronkelijk vrijwel helemaal Joodse Jezusbewegingen daarbij vergeten. Daarom nu eerst iets over de dichter bij Jezus staande en soms sterker traditioneel-Joodse Jezusbewegingen in Palestina en Syrië en vervolgens over de Joods-gnostische Jezustradities meer buiten Palestina, onder andere in de grotere steden en soms sterk beïnvloed door niet-Joodse religieuze tradities.
(2) Naast en voorafgaand aan de Grieks-hellenistische Jezusbewegingen waren er dus Joodse Jezusbewegingen waar Aramees en misschien ook deels Grieks gesproken werd. Zij waren de kenmerkende vorm van Jezus' erfenis in Palestina en Syrië. Voordat de tempel in Jeruzalem verwoest werd in 72 na Christus, waren er Aramees- en Griekssprekende Jezusgroepen in Jeruzalem, met als belangijkste leider Jezus' broer Jacobus die in 62 werd vermoord. Daarover staat veel te lezen in het boek Handelingen van de Apostelen, namelijk dat de etnisch-Joodse Jezus-aanhangers trouw waren aan de tempelgebruiken en ook liever wel de thora nastreefden en de besnijdenis handhaafden, in tegenstelling tot de Griekssprekende groepen in bijvoorbeeld Klein-Azië. Na die verwoesting van de tempel hergroepeerden de Joden zich overal in plaatselijke synagogen, zowel binnen als buiten Palestina, die dan of de Farizeese richting opgingen en vasthielden aan Hebreeuws en Aramees van Tenach en Talmoed, of de christelijk-joodse richting van bisschoppen (letterlijk: 'toezichthouders', een ouder Nederlands woord ervoor is 'opzieners') en hun gemeentes met gebruikmaking van de Griekse taal en meer aanpassing aan hellenistische voorstellingen en denkbeelden, zoals Paulus ook al vroeg had gedaan. In Jeruzalem gebruikte men later het evangelie van Mattheüs, dat - evenals de evangeliën van Thomas en van Johannes - duidelijk meer een Aramese en etnisch-Joodse achtergrond verraadt dan de evangeliën van Marcus en Lukas.
Nog interessanter voor ons, in verband met 'Thomas', is dat de evangeliën van Johannes en van Thomas waarschijnlijk hun oorsprong vinden in gebieden ten (Noord-)Oosten van Jeruzalem, ook al hebben ze hun uiteindelijke vorm die wij nu kennen waarschijnlijk pas later gevonden in een Griekssprekende omgeving. Waarschijnlijk kenden de 'Thomas'- en de 'Johannes'-groepen elkaar goed en waren ze ook verwant. 'Johannes' en 'Thomas' hebben vele uitdrukkingen gemeen waaronder een die niet in de andere drie evangeliën voorkomen namelijk 'de Levende Vader', en hebben ook als opvallende gemeenschappelijke element dat er niets over de instelling van een heilige maaltijd verteld wordt (bij 'Johannes' staat op die plaats de voetwassing). Bij 'Thomas' is zelfs evenmin iets te vinden over de dood van Jezus en over zijn opstanding. Het Jeruzalemse evangelie van Mattheüs kent deze laatste wel maar dat is overgenomen uit het Markusevangelie, en niet uit het eigen materiaal van 'Mattheüs'. In het Johannesevangelie kunnen deze elementen terechtgekomen zijn toen deze groepering vanuit zijn Oostelijke gebied naar Efeze verhuisde, de Griekse stad in het uiterste Westen van Klein-Azië, nu Turkije. Zowel de 'Thomas'-groep als de 'Johannes'-groep bestonden mogelijk voor een groot deel uit rondreizende asketen, die ook later in die gebieden nog eeuwenlang een bewezen belangrijke rol hebben gespeeld. Zij stelden Jezus voor als een verlichte wijsheidsleraar, het licht van de wereld aan wie men gelijk kon worden door ook verlicht te worden met hetzelfde licht. Als men drinkt van het water van het leven en de ogen worden geopend zal men de dood niet smaken maar eeuwig leven. Beide evangeliën brachten de boodschap van Jezus zeer waarschijnlijk voor mensen die zich buiten de maatschappij voelden staan, die arm waren maar die veel werk maakten van onderlinge steun en liefdebetoon. De johanneïsche geschriften - met name de brieven die op naam van 'Johannes' staan - laten dat zien. Samen verschillen zij van de evangeliën van Marcus, Mattheüs en Lukas doordat zij verwijzen naar 'het begin' van de wereld als referentiepunt: verlossing is terugkeer tot de eenheid van het begin, terwijl de genoemde drie evangeliën voor de verlossing naar 'het einde' van de wereld verwijzen waar Jezus' optreden en dood en opstanding op vooruitlopen en naar verwijzen.
Dat de groepen ook verschilden kan men afleiden uit het neerzetten van Thomas als een twijfelaar, juist in het evangelie van Johannes. Er was dus rivaliteit. Johannes ziet Jezus duidelijk als een goddelijke gestalte, denk maar aan het beroemde begin van dat evangelie: "Het Woord - bedoeld is Jezus - was God." Bij Johannes is alleen Jezus zelf het unieke licht van de wereld, en vindt de mens dat licht door Jezus te erkennen, door "in hem te geloven", en na te volgen. Terwijl wij volgens Thomas als belichamingen van het licht gelijk kunnen worden aan Jezus in zijn verlichting, is dat volgens Johannes niet het geval. Bij Thomas wordt het eeuwige leven teruggevonden doordat de mens die - in tegenstelling tot bij Johannes - als beelddrager van het licht het goddelijke licht in zich draagt, er - op aansporing en in navolging van Jezus - weer mee leert zien en zo zijn teruggevonden goddelijke licht weerspiegeld ziet in alles. Bij Johannes kan dat - in tegenstelling tot Thomas - alleen doordat men in Jezus die zich als Zoon van God presenteert, gaat geloven.Ook was Thomas er volgens Johannes in tegenstelling tot de evangeliën van Mattheüs en van Lukas niet bij toen Jezus zijn leerlingen - behalve Judas Iskariot die hem verraden had - tot apostelen aanstelde door hen uit te zenden, en hen de Heilige Geest inblies en hen de macht verschafte om zonden te vergeven. Thomas moest het later eerst allemaal nog eens zien. Dat beeld van Johannes over de ongelovige Thomas hebben wij de eeuwen door overgenomen, maar is Johannes' typering die zo duidelijk verschilt van die van Mattheüs en van Lukas terecht?
Later werd 'Johannes' door bisschop Irenaeus in de tweede eeuw goedgekeurd - en aan de evangeliën van Markus, Mattheïs en Lukas vooropgesteld - en 'Thomas' afgekeurd door middel van zijn lijstje met 'beste geschriften'. Met het gevolg dat de ene later in het Nieuwe Testament kwam en de ander niet. Maar dat is - letterlijk - van later zorg want het Nieuwe Testament kreeg zijn definitieve samenstelling pas enkele eeuwen daarna. Sterker nog, Irenaeus vond dat het evangelie van Johannes met zijn verheven visie op Jezus Messias het eerste moest heten en de andere drie naar dit evangelie van Johannes uitgelegd moesten worden. Alleen hebben wij ondertussen het voorrecht 'Thomas' weer ontdekt te hebben. De interessante wereld van de syrische kerken in de volgende eeuwen en van de eveneens oostelijke Nestorianen die hen opvolgden in nog later eeuwen moet ik hier op een enkele aanduiding na buiten beschouwing laten. In het Westen zijn wij die vergeten.
Een eerste betekenis van de vondst van de geschriften van Nag Hammadi is dus dat het evangelie van Thomas ons weer wijst op de Aramese, Oosters-semitische tak van de Jezusbewegingen (en hun latere Syrische en Oosterse opvolgers), waar Jezus' opvattingen over de verlichting en het eeuwige leven even sterk naar voren komen als zijn voorkeur voor de armen en maatschappelijke buitenstaanders, gecombineerd in een visie waarin onthechting ten opzichte van het vastroesten in het materiële leven centraal staat. Een evangelie waarin we niets lezen over een speciale betekenis van Jezus' dood, of over zijn opstanding, over Jezus als God, of over een heilig avondmaal dat hieraan herinnert. Maar dat iedereen aanspreekt die het licht in zich voort wil brengen, ook mensen buiten de etnisch-Joodse of -Syrische of hellenistisch-Griekse van zijn ontstaanstijd. Sommigen zien er verwantschappen in met andere niet-dualistische wijsheidsleren, bijvoorbeeld uit het Verre Oosten. Omdat 'Thomas' nadruk legt op de zuiverheid van de oorsprong, op het onverdeeld zijn in plaats van de tweeheid, de dualiteiten van man en vrouw en zo meer. De onschuld van het kind, dat een oude wijze de weg zal wijzen. Omdat het niet verstrikt is in de tegenstellingen. Een onschuld die we zodra we haar weer zien, direct terug kunnen vinden. Vergelijk de geciteerde uitspraak 22 waar de schepping van de mens naar het beeld van God weer ongedaan gemaakt wordt: de mens wordt gelijk aan zijn beeld, het beeld waarnaar hij geschapen is. De cirkel is rond; de mens is weer terug bij zijn oorsprong. Onschuldig, bekleed met het licht van God in plaats van bezoedeld met aardse 'kleren'. Voor 'Thomas' en de Syrische kerk na hem betekende dat een keuze voor het ongetrouwd blijven, voor het verenigen van de tegenstellingen in zichzelf, het onverdeeld blijven. Deze enkratitische traditie die aansloot bij enkratitische tendenzen in de hellenistische wereld (enkrateia = onthouding) had een grote invloed bij de volgelingen van Jezus, zoals we in het Nieuwe Testament nog duidelijk kunnen zien op de plaatsen waar het huwelijk (onder andere door Jezus) wordt afgewezen of als tweederangs wordt voorgesteld. Er is een hele diskussie in de christelijke beweging van de tweede eeuw geweest over de houding tegenover het huwelijk. Maar dat voert hier te ver, hoe belangrijk en onontkoombaar die thematiek ook is. Want voor vele volgelingen van Jezus in die eerste eeuwen was de verlossing behalve een geestelijke wedergeboorte tegelijk ook een verlossing uit het huwelijk, althans uit de aardse bezoedeling daarvan.
(3) Dat lag iets gecompliceerder in de gnostische Jezustradities. De vondst van Nag Hammadi maakt ten tweede duidelijk dat in de gnostische bewegingen van de eerste eeuwen een sterke invloed van de verhalen over Jezus is aan te wijzen. Ook deze belangrijke stromingen verdienen hier vermelding, hoewel we hier weinig ruimte hebben om er uitvoerig op in te gaan. Zeker is dat hun complexe mythen ontstaan zijn uit een interpretatie van de joodse religieuze geschriften, met name scheppingsverhalen, en dat binnen de gnostiek diverse stromingen te onderscheiden waren met aandacht voor vele figuren uit de scheppingsverhalen, en met diverse leerlingen van Jezus als boodschapper waaronder Maria Magdalena in een aantal geschriften als belangrijkste leerling! De verwantschap met de geschriften van Paulus is groter dan met de synoptische evangeliën. Deze laatste zijn na de eerste ontstaan, en bedoeld om door het leven van Jezus uitgebreid weer te geven nadruk te leggen op zijn betekenis als een bijzondere figuur, in feite als de Zoon van God, een hellenisering van het beeld van Jezus in de gemeenten waarin die evangeliën ontstonden. Die synoptische evangeliën schetsen Jezus als mens met een unieke universele betekenis, namelijk dat hij zoon van God is; dat Jezus een historische persoon was, wordt nog helemaal verondersteld, niet genegeerd. Zij staan in een traditie van de verhalen over hem maar werken die in hun eigen kader om, naar hun eigen kader toe. Het laatste - niet synoptische - evangelie van Johannes doet dat het sterkst, daar komt Jezus in het begin van het evangelie al uit de hemel vallen, bij wijze van spreken. In de synoptische evangeliën daarentegen zegt Jezus niet van zichzelf dat hij Zoon van God is, in het latere evangelie van Johannes juist heel nadrukkelijk. Deze vier evangeliën roepen op om in Jezus te geloven. In tegenstelling tot deze nieuwtestamentische evangeliën komen de gnostische geschriften meer voort uit een hellenistische omgeving waarin de mysteriescholen bekend waren. Daarin ging het om zelfkennis, om het groei- of bewustwordingsproces dat mensen kunnen doormaken als zij de weg terug naar hun oorsprong vinden. De mensen zijn gevallen goden, in wie een residu van goddelijk beginsel is overgebleven. In sommige geschriften wordt uitgebreid verteld hoe de ons bekende wereld van de tegenstellingen uit de goddelijke wereld voort is gekomen, van de oorspronkelijke Vader of Vader-Moeder die we nauwelijks meer kennen, via allerlei tussenvormen tot de oermens Anthroopos ofwel Adam en zijn vrouw de Wijsheid ofwel Sophia, en hoe in ons nog een kleine vonk is overgebleven die ons herinnert aan onze onbesmette oorsprong waarheen we terug kunnen keren door ons onze oorsprong te herinneren, en de terugweg af te leggen. Die weg is een weg van loslating van bindingen aan deze wereld, een weg van spirituele groei, van eenwording met onze Vader of Vader-Moeder. Soms wordt die eenwording of wedergeboorte voorgesteld als de ontmoeting in het geestelijk bruidsvertrek, en heet dan ook het bruidsvertrek, en dat wordt een sacrament genoemd zoals in het evangelie van Philippus. Evenals de joodse christen Paulus waren de gnostici volop bezig de in de kring van hellenistische joden en joodse christenen levende ideeën om te zetten in universele begrippen, die ook voor niet-joden begrijpelijk waren. De omvang van en de variatie binnen de gnostische beweging moet niet onderschat worden. Er zijn bovendien nog vele verbanden met niet-Joodse en niet-christelijke stromingen zoals de hermetica en de filosofie, waaronder het platonisme en het stoïcisme. Een wereld van mythen, thema's en inzichten is hier te bestuderen. Laten we ondertussen één ding vaststellen: de neiging om het belang van Jezus aan te duiden door niet alleen zijn eigen boodschap voorop te stellen maar - ook al gaf Jezus daartoe in zijn opvattingen over zichzelf geen aanleiding - door zijn persoon een nieuwe "spiritueel hoge" betekenis te geven, delen vrijwel alle groeperingen, zowel de joods-christelijke als de paulinische als de katholieke als de gnostische en nog andere. Want zowel het van Jezus een (Zoon van) God maken zoals in de nieuwtestamentische evangeliën - de synoptische evangeliën nog voorzichtig, dat van Johannes echter zonder terughouding en voorop - als het stellen van een eeuwige universele God boven de beperkte Joodse Schepper-God zoals in vele gnostische geschriften vallen daaronder. Maar wij moeten het hierbij laten.
In vele gnostische geschriften vervult Jezus de rol van boodschapper, die die herinnering opwekt en de terugweg mogelijk maakt door hem zelf te gaan. Daar spelen zijn dood en opstanding een grote rol bij maar vaak iets anders dan in de strak georganiseerde doorsnee Jezusgemeenten van de katholieke bisschoppen. Die wilden niet zo'n ijle en subtiele spirituele groei maar een leer die de bisschop kon uitleggen, ook voor de gewone man en vrouw simpel te verwoorden opvattingen. Aanvankelijk zal de reden hiervoor heel simpel geweest zijn: de indruk die Jezus maakte was zo overweldigend en het enthousiasme dat in het spoor van zijn optreden ontstond was zo groot, dat dit overweldigende succes leidde tot een bijna chaotisch aandoende variëteit aan reacties. Begrijpelijk maar niet met het verstand te volgen. En daar brachten bisschoppen en geleerden graag enige ordening in aan. Daar heeft - zeker later - ook machts-'politiek' een rol in gespeeld, natuurlijk vooral toen de Jezusbewegingen en christelijke groeperingen een grotere maatschappelijke invloed kregen en zich daarbij aan moesten passen. Overigens speelde ook de sociale en culturele positie van de eerste en latere door Jezus en zijn boodschap geïnspireerde groepen waarschijnlijk geen kleine rol. Vaak zal de meerderheid in die groepen bestaan hebben uit eenvoudige arme mensen - met enkele gegoeden in de leiding - terwijl in een aantal groepen, aanvankelijk niet vele, de gegoeden in de meerderheid waren, wat het cultureel en spiritueel klimaat in beide gevallen sterk beïnvloed zal hebben. Hoe precies, verdient nader onderzoek en toelichting.
Een uiterst belangrijk probleem in alle toenmalige "christelijke" bewegingen was hoe men de kruisdood van Jezus kon verklaren - tenzij men er genoegen mee nam dat met het kruis Jezus' leven en macht geëindigd waren, en dat zijn leven en boodschap zin hadden maar zijn smadelijke dood niet. Het gaat niet zo zeer om de voorstelling van de opstanding (die liepen sterk uiteen!). Want die voorstelling geeft per richting meer aan wat als de oplossing van het probleem beschouwd werd dan wat de oorzaak en de verklaring ervan was. De beste of misschien de enige min of meer acceptabele verklaring was die van het zoenoffer. Dat leidde echter tot een volgend probleem: wat moest verzoend worden? En zo is de gedachte van de verzoening voor onze zonden, voor de zonden van alle mensen van de hele wereld, ontstaan. Althans binnen de katholieke richting die aansloot bij de synoptische evangeliën en het evangelie van Johannes (zoals gezegd werkt Augustinus dit uit tot de deprimerende gedachte van de erfzonde waar later de unieke - vaak tot hen beperkte - genade aanwijzende en doorgevende rol van de kerkelijke leiders, predikanten en priesters, aan werd toegevoegd zodat de mensen niet buiten hen, dat is de kerk, om konden. En anderen nog later in de vreselijke voorstelling van de predestinatie, de voorbeschikking vooraf tot hemel of hel). Binnen het Jodendom was er voor zo'n gedachte geen plaats, omdat God daar niet zelf geofferd wordt of kan worden, en de zonde niet gekoppeld werd aan een eeuwige erfzonde (maar aan de concrete relatie tussen mensen en tussen God en mens). Bij de gnostici evenmin omdat men zich er eenvoudig niet druk over maakte. De ware opstanding, de geestelijke wedergeboorte, de verlichting zo men wil, is voor hen niet van de materie en een lichamelijke opstanding afhankelijk. En de smadelijke dood van Jezus wijst op het proces dat wij doormaken als we de weg van de gnosis gaan, dat is al meer dan genoeg. Soms denk ik dat de katholieke richtingen meer aansloten bij de gewone, arme man en vrouw van toen, en de gnostische meer bij de iets meer gevestigde, de iets rijkere 'burgers' in de steden; de katholieke richtingen meer bij de culturele en economische middelmaat, en de gnostische meer bij de cultureel en economisch ontwikkelden. Aanvankelijk was er vooral enthousiasme en inspiratie (op basis van de herkenning waarvan er ook later steeds charismatische bewegingen ontstonden) maar na verloop van tijd stroomden deze beekjes wat rustiger, en kreeg de katholieke richting de overhand; kennelijk was de gnostische richting in haar ogen een van de grootste afwijkingen van de vastere opvattingen en orde, misschien door haar deels intellectuele, althans cultureel geavanceerde en gevarieerde karakter en haar uitgebreide mythologie ter aanduiding van de geestelijke weg.
Dadelijk keren we terug naar het evangelie van Thomas. Want waar stond dat in dit geheel? Sommigen hebben 'Thomas' gnostisch genoemd maar er is niets te vinden van een nadruk op subtiele sprituele ontwikkelingsprocessen, al is 'Thomas' daar ook niet mee in strijd. 'Thomas' staat voluit in de joodse tradities van de wijsheid, en van de verzamelingen van wijsheidsspreuken. Jezus is de Wijsheid zelf, Vrouwe Sophia, de grote Wijze Leraar. Een groot verschil met de duidelijk gnostische geschriften (die zich overigens ook graag - en terecht - als boodschappen en vormen van wijsheid voorstelden, en die een speciale rol voor de figuur van Sophia of zelf meerdere Sophia's hadden!) is de dynamiek van 'Thomas'. 'Thomas' roept letterlijk op tot het prekend rondgaan, tot het onmiddellijk openen van de ogen voor het Koninkrijk. Bij de gnostici is het Koninkrijk vaak verinnerlijkt en op een complex en langdurig spiritueel proces gericht, bij 'Thomas' is het overal voor degenen van wie de ogen zijn opengegaan. Wiens ogen zijn opengegaan ontdekt dat hij of zij zelf de tweelingbroer of -zus van Jezus is, net als Thomas zelf. Ieder heeft het in zich om direct de ogen te openen. 'Thomas' spreekt niet van een lange weg terug. Het koninkrijk is overal direct te zien voor wie dat wil.
Van het syrische christendom waartoe 'Thomas' behoort en haar nadruk op askese ofwel onthouding is veel invloed uitgegaan op de sexuele moraal en op de voorschriften voor het leven van monniken en nonnen. Een bekend verschijnsel in die eerste eeuwen waren groepen vrouwen of mannen die zich losmaakten uit het huwelijk of uit hun maatschappelijke functies: de verlossing als verlossing van het huwelijk. En ook de rondreizende paren van predikers, een man en zijn geestelijke zuster, deze vrouw en haar geestelijke broeder, waaraan door Paulus nog wordt herinnerd. In deze tradities vindt ook het celibaat, niet verplicht maar vrijwillig, haar oorsprong.
En van de gnostici - en in een bredere context van de hellenistische mysteriereligies - zijn bepaalde modellen toch wel terug te vinden in de dogmatiek van het officiële christendom, al is het maar doordat het verzet ertegen zo goed te onderkennen is en doordat men soms om de tegenstander de wind uit de zeilen te nemen hun voorstellingen gewoon over nam; zo kwamen we aan Jezus als de goddelijke zoon van God in plaats van de mens die naar Gods beeld leefde, aan Maria als de moeder van God, aan de maagdelijke geboorte (in het Nieuwe Testament alleen bij het evangelie van Lukas), de theorie van de verzoening van Jezus voor de erfzonde, en aan de onbevlekte ontvangenis (een voorstelling die in het christendom voor lijkt te komen in het rooms-katholicisme van de 17e tot 19e eeuw!). Zoniet van de gnostici dan wel van andere tradities zoals de oeroude seksualiteit vererende vruchtbaarheidsreligies en hun tegendelen, de Egyptische en Griekse goden en hun symbolen. Alle stromingen hanteerden zonodig modellen uit hun omgeving om de lof te zingen van hun Jezus, hun Messias en Heer, Kurios Christos; en dat deden ze lang niet allemaal even orthodox, ze speelden graag leentjebuur. En dat gaven ze achteraf ook een zin. De gnostici bijvoorbeeld zijn het geweest die de drieslag heidendom - jodendom - christendom als positieve ontwikkeling introduceerden, en dat model kunnen we nog steeds overal in het christendom aantreffen waarin ook de uitleg van het Oude en het Nieuwe Testament hun eigen bijzondere functie krijgen. En die van de uitleggende kerk uiteraard, die het vooruitgangsproces verder mag brengen.
IV We eindigen weer bij 'Thomas'. Brengt de ontdekking van 'Thomas' ons een stap dichter bij de indruk die de oorspronkelijke ooggetuigen van Jezus kunnen hebben gekregen?
Het wereldwiel wentelt verder, en ook de orthodoxie zal over een tijdje niet meer lijken op wat ze vroeger was, en waarom zou dat ook. We kunnen zelfs altijd proberen te vergelijken met de boodschap van Jezus zelf, die van Gods nabijheid veel verwachtte en de tekenen daarvan zichtbaar maakte, en die Gods nabijheid verwerkelijkte - maar die zeker geen aanspraak maakte op alle titels die hem in de latere hellenistische wereld allemaal toegekend werden, laat staan dat hij bepaalde daarvan de voorkeur zou geven. Daar ging het immers niet om, het ging om de nabijheid van God, om zijn koninkrijk, dat in allen zou zijn die naar Jezus' woorden wilde luisteren en handelen. Niet speciaal de rijken of machtigen of godgeleerden, maar zeker ook hen. Het richten van pijlen op anderen heeft meestal een boemerang-effect tot gevolg. Volgens 'Thomas' hoeven we de pijlen alleen op onszelf te richten en kunnen we helemaal wakker worden - dat is: volledig ontvankelijk en creatief, volledig levend.
Jezus zei:
Eên die a aoles weet dat a ter bestaèt,
en die a z'n eigen nie kan losmaeke,
die ouw overaol nog an vast.
Jezus zei:
Wie het Al (denkt te) kennen
maar niet zichzelf
blijft volkomen in gebreke
Thomas 70:
Jezus zei:
Je mò ter eên in j'n eigen gebore laète worre.
A die der komt, dan za ten je redde.
Maer a die der nie komt, dan ontbreek ter wat van binnen,
en dat wor je doôd.
Jezus zei:
Als julie verwerven wat in jezelf is
zal wat je hebt je redden.
Als je het niet in je hebt
Zal dat wat je niet in je hebt, je doden.
Thomas 75:
Jezus zei:
Der staè vee volk an de deure,
maer alleênig de vriegezellen kunne gaè trou:we.
Jezus zei:
Velen staan bij de deur,
Maar het zijn de eenlingen
die het bruidsvertrek zullen binnengaan.
Thomas 77:
Jezus zei:
Ik bin 't licht dat overaol op schient;
ik bin aoles dat a ter bestaèt.
Aoles is uut mien ekomme,
en ik bin overoal wee in'ekomme.
A je een stik out klie:ft, an zit ik daè in.
en a je een steên oplicht, dan zie je mien daè onder zitte.
Jezus zei:
Ik ben het licht dat boven allen is.
Ik ben het Al.
Het Al is uit mij voortgekomen en
het Al is tot mij gekomen.
Kloof een stuk hout en ik ben daar, til een steen op en jullie zullen mij daar vinden.
Thomas 99:
De leêrliengen zei:e tegen z'n:
Je broers en je moeder stae buten.
Ie zei trug:
De me:nsen ier die a doe:e wawt a m'n Vaoder wil,
da bin m'n broers en m'n moeder.
Wan da bin de me:nsen
die an naè 't keunikriek van m'n Vaoder gae.
De leerlingen zeiden tegen hem:
Uw broers en uw moeder staan buiten.
Hij zei tegen hen:
Deze hier, die de wil van de Vader doen
zij zijn mijn broers en mijn moeder;
zij zijn het die zullen binnengaan
in het Koninkrijk van de Vader.
Thomas 113:
Z'n leêrliengen vroge an z'n:
Oeneêr kom 't keunikriek noe?
Ie zei: Je za 't keunikriek nie an zie komme.
Je za gin me:ns ôre zegge:
Kiek, daè kom tet, of: Kiek, daèzò.
't Keunikriek van de Vaoder
ei z'n eige a over eêl de wèreld verspreid,
mae de me:nsen zie:e 't nie.
Zijn leerlingen zeiden tegen hem:
Wanneer zal het Koninkrijk komen?
[Jezus zei:]
Het komt niet door het te verwachten;
zij zullen niet zeggen: Zie hier, of: Zie daar.
Maar het Koninkrijk van de Vader
is uitgespreid over de aarde
en de mensen zien het niet.
Heeft 'Thomas' ons dichter bij de historische Jezus en zijn oorspronkelijke boodschap gebracht? Zij die het kunnen weten zeggen dat een vergelijking van de spreuken met hun parallellen in de evangeliën van in het Nieuwe Testament, wat oorspronkelijkheid betreft duidelijk in het voordeel van de spreuken van 'Thomas' uitvalt. 'Thomas' brengt niet alleen een adembenemende boodschap van verlichting - die in de geschiedenis van de godsdiensten verder alleen te vergelijken valt met die in het boeddhisme, speciaal Zen - maar ook de indruk dat we hier met woorden uit Jezus' eigen mond te maken hebben: alsof je dicht bij de oorspronkelijke wijze leraar uit Galilea staat en hem zelf hoort spreken. Maar er blijven nog genoeg historische raadsels over, waaronder spreuken in 'Thomas' zonder parallellen met de evangeliën uit het Nieuwe Testament. Degenen die zijn spreuken in dit geschrift optekenden zullen er later zeker nog wel eens één aan hebben toegevoegd die niet in die vorm precies van hem afkomstig was, zoals de evangeliën allemaal onderling veel verschillen vertonen. Verschillen die vaak wel veel zeggen over de omgeving waarin de verzameling functioneerde. Bij 'Thomas' zijn dat onder andere enkele hermetische spreuken en andere die aan Alexandrië doen denken waar veel over het begin van mens en wereld werd nagedacht door de vele duizenden joden die er woonden. Ook zinswendingen die bijna aan gnostische geschriften doen denken. Dat levert veel vragen en interessante probleemstellingen op waarvan er hierboven enkele zijn aangeduid. Mijn leermeester professor Gilles Quispel maakte in vroegere publicaties onderscheid tussen joods-christelijke, enkratitische en hermetische bronnen die 'Thomas' waarschijnlijk gebruikt heeft; als gnostisch beschouwde hij 'Thomas' zeker niet. Tegenwoordig worden in het Evangelie van Thomas een Judeese en een Alexandrijnse brontekst onderscheiden waarbij de laatste een enkratitische bewerking van de eerste is. Veel woorden van Jezus komen namelijk in twee varianten voor. De hermetische invloeden komen ook uit Alexandrië en zijn in de enkratitische bewerking opgenomen of net als enkele latere invoegingen door de eindredacteur toegevoegd. In al deze zaken zullen verdere ontdekkingen en studies ongetwijfeld nog verdere, soms wellicht verrassende, inzichten kunnen opleveren. Verrassend vooral ook omdat er veel spraakverwarring heeft geheerst, deels veroorzaakt doordat de aanwezige feiten vaak meerdere interpretaties mogelijk maken, die bovendien gemakkelijk door sterke vooroordelen of door gebrek aan kennis beïnvloed kunnen worden. Maar het belangrijkst zijn op dit moment toch niet die toekomstige historisch-wetenschappelijke inzichten - hoe onmisbaar in bepaalde opzichten ook - maar de inzichten waartoe 'Thomas' ons direct oproept!
Het bijzondere is dat 'Thomas' het allemaal heel erg direct, en ogenschijnlijk ongecompliceerd houdt. Of is dat gewoon simpel geweest en simpel bedoeld? Want als je ingewikkelde verbanden, waarbij weglatingen een grote rol spelen, gaat veronderstellen, dan zou het om een geconstrueerde simpelheid gaan van een redacteur uit latere eeuwen, de tweede of de derde eeuw wellicht. Dat lijkt mij niet waarschijnlijk, hoewel op een enkel punt ook niet helemaal uitgesloten, zoals dat bij vrijwel alle belangrijke geschriften uit die tijden het geval is. Zeker is op dit moment dat er nog geen algemeen erkende sleutel is tot de opbouw van 'Thomas': de volgorde van de spreuken kan moeilijk verklaard worden, behalve dan misschien enigszins door een lang niet altijd dwingende thematische samenhang. Maar ook al weten we van dit raadselachtige evangelie nog niet veel, het blijft een van de mooiste om te lezen en te horen - en er ons wakker door te laten maken.
Deze spreuken zijn hoewel vele misschien een Aramese oorsprong hebben, waarschijnlijk in deze samenhang in het Grieks opgeschreven, en ze zijn niet alleen in het Koptisch en Syrisch vertaald, maar later ook in het Frans en Engels en Duits, en alle verdere grote talen, in het Nederlands en nu ook in het Zeeuws. Ze hebben via vele omwegen onder andere de reis gemaakt van een bescheiden dialect in een uithoek aan de Middellandse Zee naar een bescheiden dialect aan de Noordzee. En ze klinken nu ook daar alsof ze in het Zeeuws voor het eerst gesproken zijn. Als dat geen vooruitgang is! De vertaler in het Zeeuws heeft prachtig werk verricht, we zijn hem waardering schuldig.
Bron- en literatuurverwijzingen
B.L. Mack, De verloren woorden van Jezus: Het Boek Q en de oorsprong van het christendom [Een reconstructie van boek Q], Den Haag 1994 [ de oudste kern van Q op pp. 91-97; een complete tekst van deze oudste kern, Q1, is nu ook te vinden op deze website, samen met een poging van mij tot aktuele verwoording ervan ]
Jacob Slavenburg/Willem Glaudemans, Nag Hammadi Geschriften I /II: een integrale vertaling van alle geschriften uit de Nag Hammadi-vondst en de Berlijnse Codex, Deventer (Ankh-Hermes) meerdere drukken; er zijn van de hand van de grote Nederlandse kenner (en uitgever van de Koptische tekst met vertaling) van het Thomas-evangelie, Professor Gilles Quispel, in de loop van vijftig jaren meerdere vertalingen van dit evangelie verschenen in het Nederlands, de meest recente, met uitvoerig commentaar, is in oktober 2004 verschenen bij Uitgeverij 'In de Pelikaan' in Amsterdam onder de titel Het Evangelie van Thomas, vertaald en toegelicht door Gilles Quispel. Deze uitgave kon niet meer geraadpleegd worden voorafgaand aan het maken van deze lezing maar volg de link voor mijn latere bespreking van dit boek.
Quidam [Hans de Vos], 't Vuufde evangelie, Kwadendamme 2003 (deze uitgave van de Zeeuwse vertaling van het Thomas-evangelie is behalve in de boekhandel verkrijgbaar bij de auteur, via email: Hans.deVos@Planet.nl)
Historische context
Gerd Theissen / Annette Merz, Der historische Jesus: Ein Lehrbuch, Göttingen (Vandenhoeck und Ruprecht) 2001
De Zoon van God, Teleac 2003 [2 videobanden]; instructief door de waardevolle invalshoeken en commentaren, onder andere van Gilles Quispel en Elaine Pagels (voor de laatste zie ook hieronder)
B.L. Mack, Wie schreven het Nieuwe Testament werkelijk?: Feiten, mythen en motieven, Deventer (Ankh-Hermes) 1997 [goedkoop verkrijgbaar bij De Slegte]. Mack besteedt ook ruime aandacht aan het oorspronkelijke boek Q (zie hierboven ook zijn aparte boek daarover) en aan het evangelie van Thomas. In een schrijven aan mij van 23 October 1997 naar aanleiding van de verschijning van deze vertaling zei mijn leermeester professor Gilles Quispel: " Ik (...) ben natuurlijk blij met de positie van Thomas. Ik zelf zou meer nadruk leggen op Jeruzalem, Judees Christendom, Enkratisme en de historische Jezus." (Je kunt zeggen dat Quispel deze belofte nu heeft ingelost door zijn recente Thomasuitgave met uitgebreid commentaar, al zou de geschiedenis van de Joodse en later heidenchristelijke volgelingen van Jezus in Jeruzalem mogelijk uitgebreider behandeld kunnen worden dan nu gebeurt. De meest recente Nederlandse publikatie hierover lijkt mij: Dr J. van Amersfoort, De kerk van Jacobus, Verkenning en Bezinning, Dec. 1985 (19, nr. 4); een zorgvuldig gemaakte tekst in een brochure van een kleine honderd pagina's.) Het is inderdaad opmerkelijk dat Mack in zijn boek zoveel aandacht aan het evangelie van Thomas schenkt, en het is niet minder een feit dat die ontwikkeling sterk van Utrecht uitgegaan is, door het levenswerk van Gilles Quispel via zijn nationale en internationale colleges en optredens, zijn publicaties, zijn leerlingen en zijn medewerking aan vele nationale en internationale TV-documentaires. Zelf vind ik het jammer dat Mack betrekkelijk weinig expliciete aandacht schenkt aan de 'gnostische' bewegingen en geschriften, met name die welke later afgewezen werden in het latere christendom, en wat hun karakter en inhoud was. Daarvoor moeten we bij anderen - zoals de hieronder genoemde boeken van Slavenburg en Pagels - terecht, als we uitgebreider geïnformeerd willen worden en ook als we de verhouding met het hen afwijzende 'katholieke' christendom willen begrijpen. Dat doet mijns inziens niets af aan het feit dat geen boek zo goed als dat van Mack de achtergronden, de motieven en de opbouw van de afzonderlijke geschriften van het Nieuwe Testament verduidelijkt en bij de lezer brengt.
Voor uitgebreidere informatie over de fundamentele betekenis van Jezus' doop door Johannes, over de rol van Christusvisioenen en woorden van Jezus als wijsheidsleraar bij zijn volgelingen na zijn dood, en over de verwording van deze impulsen tot 'wedergeboorte' tot een dogma over Jezus in een reactionaire kerk, zie het prachtige boek van J. Slavenburg, De oerknal van het christendom: Veelkleurig perspectief van een impuls (Haarlem, Rozekruis Pers, 2003, 219 pp., met uitgebreid notenapparaat incl. literatuurverwijzingen, en met zeer handzaam register). Bij het maken van deze lezing had ik dit boek nog niet bestudeerd maar het past er wonderwel bij.
Voor een eerste indruk van de Oostelijke tak van het christendom (met name de Chinese tak, waaraan echter onder meer Syrische, Perzische en Indiase takken voorafgingen en parallel liepen, voornamelijk ontstaan aan of als uitvloeisel van de zogeheten Zijderoute naar het Oosten; de Mongolen die Marco Polo ontmoette waren nog christenen voordat ze tot de Islam overgingen) zie nu het fascinerende en ook wetenschappelijk goed onderbouwde boek: Martin Palmer, De Tao van Christus: De ontdekking van een christelijke beschaving in het oude China: Met de 'Jezussoetra's', Chinees-christelijke teksten uit de 7e tot de 11e eeuw, [met illustraties en literatuurverwijzingen, ]Utrecht / Amsterdam (Kosmos-Z&K) 2001, 223 pp.
Voor de door Quispel Aramees genoemde Oostelijke tak van het vroege christendom (want in de eerste eeuwen ging het om het West-Aramees sprekende christendom in Palestina en omgeving en om het Oost-Aramees ofwel Syrisch sprekende christendom in Edessa en ruime omgeving) en zijn verhouding tot de Griekse en Latijnse (Westelijke) takken van het christendom zie behalve de hierboven genoemde Thomascommentaar van Quispel nu ook de Nederlandse vertaling met inleiding en commentaar van de Keulse Mani-Codex, van Qispel en zijn leerling professor Hans van Oort. Daarin komt de relatie van deze Aramese tak met de christelijke kerk van Mani en met de Islam van Mohammed aan de orde.
Voor verdere historische achtergronden met betrekking tot de Joden in Palestina in de eeuwen voorafgaand aan tot en met de eerste eeuw van onze jaartelling zie ook het boek van Stephen Hodge, De Dode-Zeerollen, Deventer (Ankh-Hermes) 2002. Een van de Joodse opvattingen uit deze periode is bijvoorbeeld de uitverkiezing - die natuurlijk ook andere wortels heeft in voor-hellenistische Joodse tijden en geschriften. En zo komen meer interessante thema's in dit boek naar voren. In mijn bespreking van dit boek noem ik ze en werk ik een aantal aspecten van mijn zich ontwikkelende visie op de historische Jezus en zijn groepen volgelingen nader uit.
Veranderende visies op de christelijke groeperingen, tradities en teksten in de eerste eeuwen voor het totstandkomen van de christelijke staatskerk
Jacob Slavenburg, Valsheid in geschrifte: De gespleten pen van de bijbelschrijvers, Zutphen (Walburg Pers) meerdere drukken
Jacob Slavenburg, Opus Postuum: Een onthullende blik op het vroegste christendom (30-70 n.Chr.), Deventer (Ankh-Hermes) 2001
Boudewijn Koole, Voorbij het patriarchaat: tegenbeelden van de westerse kultuur: de relatie van westerse spirituele tradities tot de fundamenten van de kultuur, Kampen (Kok Agora) 1989
Boudewijn Koole, Verlichting en het niet-dualistisch omgaan met tegenstellingen: parallel tussen Westerse en Oosterse spiritualiteit? Lezing met stellingen 2002
G.J.D. Aalders, De grote vergissing: Kerk en staat in het begin van de vierde eeuw, Kampen (Kok) 1979; zeer leesbare weergave van de belangrijkste gebeurtenissen en bronnen, ook van de eeuwen 1 tot 3
G.J. Heering, DE ZONDEVAL VAN HET CHRISTENDOM: Een studie over christendom, staat en oorlog, Vijfde druk met een inleiding door Prof. Dr. J. de Graaf, 'De voortgang van het denken over evangelie, oorlog en vredesdienst in de periode 1950-1980', Utrecht (Bijleveld) 1981; zie met name de hoofdstukken 1 en 2 voor de weergave van bronnen.
L. de Blois / A.H. Bredero (red.), Kerk en Vrede in oudheid en middeleeuwen, Kampen 1980; zie met name het gedeelte over de oudheid voor belangrijk bronnenmateriaal, helder op een rijtje gezet.
Voor verdere verdieping zijn alle boeken van Elaine Pagels aan te bevelen, zij is hoogleraar theologie aan de Harvard Universiteit. Speciaal het zojuist verschenen Ketters en rechtgelovigen (Engels: Beyond belief), Utrecht 2003-2e druk, dat - zie mijn bespreking - onder veel meer over de evangeliën van Johannes en Thomas gaat en tevens de momenteel beste en meest actuele literatuurverwijzingen bevat voor wie zich verder in dit gebied wil verdiepen. Mijn bespreking van bovengenoemd boek van Stephen Hodge over de Dode-Zeerollen biedt een nog iets verder uitgewerkt perspectief.
De Gospel of Thomas Homepage bevat een schat aan goede informatie en verwijzingen voor wie zich verder wil verdiepen in het Evangelie van Thomas en aanverwanten.
Met betrekking tot de betekenis van de 'opstanding' van Jezus herinner ik mij de hardnekkigheid waarmee ik als beginnend theologiestudent de ('uiteraard' ook lichamelijke) opstanding van Jezus als historische gebeurtenis - als goede vertegenwoordiger van mijn gereformeerde opvoeding - verdedigde als een 'voor de theologie en voor het geloof onmisbaar fundament' tegenover mijn medetheologiestudent Hans Scheewe, die mij met veel geduld maar zonder resultaat poogde duidelijk te maken dat men daar best anders over zou kunnen denken. Nu ik de beperktheid van mijn toenmalige standpunt inzie, betuig ik hem graag respect voor zijn geduld. Hoewel ik er toen waarschijnlijk van uit ging bij voorbaat al 'uitgepraat' te zijn ('stond de waarheid niet "vast"?' ...), denk ik nu dat elke betekenis steeds opnieuw vastgesteld ofwel gerealizeerd zal behoeven te worden wil zij 'waar' zijn (en zich dus ook steeds zal vernieuwen, iets waar ik toen in het genoemde opzicht niet toe bereid was). Dit nog afgezien van hoe de betekenissen historisch tot stand gekomen zijn (anders dan vele latere christenen is geleerd), te weten datgene wat mij hier - naast (de symboliek van) de geestelijke 'opstanding' ofwel de wedergeboorte - niet het laatst of het minst interesseert.
URL: http://www.bk-books.eu/lezing2003-b.html
Version 9 = latest revision of 3 March 2005 (Version
1: 19 February 2004)
© 2004-2005 Boudewijn Koole; copying admitted
in case
acknowledgement is provided (at least reference to site: www.bk-books.eu and with link to url (unique resource location or web-address) of the text copied or referred to; if wished so with your valuation)