Jezus, Thomas en het latere christendom: spirituele verlichting en maatschappelijke solidariteit

Een zoektocht naar de oorspronkelijke boodschap van Jezus - en hoe daar vele uiteenlopende boodschappen over Jezus van gemaakt zijn

Uitgebreide versie van de lezing die op 13 december 2003 gehouden werd in Middelburg op het Symposion van de Spirituele Sociëteit Zeeland, gehouden ter aanbieding van 't Vuufde evangelie, de vertaling in het Zeeuws van het Evangelie van Thomas door Quidam (Dr Hans de Vos)
Aan het eind vindt u enkele bronvermeldingen en verwijzingen naar mogelijk interessante literatuur

Voor andere pagina's zie de overzichtspagina.

[Actuele links die naar deze webpagina verwijzen:


Inleiding en opbouw

Na de inleiding volgen:
I. Schetsen van de tijd, waarin de wijze man en genezer Jezus leefde
II. De belangrijkste gegevens van Jezus' leven volgens de geschiedwetenschap: de historische Jezus
Tot hier vindt u de tekst op deze pagina. Op de volgende pagina vindt u:
III. Wat vertelden zijn volgelingen over hem en hoe droeg dat bij aan de grote verscheidenheid van beelden van Jezus, met speciale aandacht voor twee bijzondere tradities, de joods-christelijke tradities in en om Palestina waartoe ook 'Thomas' behoort, en de gnostieke tradities verspreid over de hellenistische wereld
IV. We eindigen weer bij 'Thomas'. Brengt de ontdekking van 'Thomas' ons een stap dichter bij de indruk die de oorspronkelijke ooggetuigen van Jezus kunnen hebben gekregen?
Tenslotte volgen daarna enkele bron- en literatuurverwijzingen.

Voordat in de vierde eeuw de 'kerkelijke' opvattingen het wonnen (uniforme leer, uniforme organisatie, uniforme lijst van geschriften) was er een variatie aan opvattingen en bewegingen en geschriften die verketterd of vergeten werden maar eerst meetelden. Een van de belangrijkste is het Evangelie van Thomas, hier verder 'Thomas' genoemd. 'Thomas' maakt deel uit van de geschriften die omstreeks 1947 in Nag Hammadi in Egypte gevonden werden. Uit die vondst wordt in combinatie met vele andere historische gegevens, waaronder de Dode-Zeerollen en vele andere niet minder belangrijke religieuze geschriften die in de eeuwen voor en na het begin van onze jaartelling in het Middellandse-Zeegebied in omloop waren, opnieuw duidelijk dat wat de kerken leren over Jezus niet was zoals hij over zichzelf dacht. Jezus verkondigde de komst van het Koninkrijk en zag zichzelf als belangrijk instrument van de Vader maar niet als God. Latere leerlingen en volgelingen maakten van Jezus onder andere een godenzoon, middelaar tussen God en mensen. Maar er waren ook hele andere visies op Jezus, en lessen die uit zijn optreden en boodschap getrokken werden. Waarom de ene er dit van maakte en de andere dat, is niet gemakkelijk te achterhalen maar dat kan soms wel. Want er zijn allerlei verbanden aan te wijzen tussen die visies en lessen enerzijds en allerlei bestaande en toen nieuwe tradities anderzijds die de verschillende ontwikkelingen verklaren, niet altijd bewijzen maar wel aannemelijk maken. Dat is specialistenwerk dat nog lang niet klaar is, en nog tot interessante nieuwe conclusies zal leiden. Maar duidelijk is dat de opvattingen die de christelijke kerken tot nu toe voor de officiële hielden en houden, beslist niet altijd de beste historische papieren hebben als het over originaliteit gaat, over de weergave van wat Jezus zelf en zijn oudste volgelingen beleefden en leerden. Vele groepen ontstonden er en maakten van Jezus en zijn woorden gebruik, zowel de groepen die later uitgroeiden tot de staatskerk in het Romeinse Rijk als een veelheid aan andere groepen. En hoe die bewegingen en hun visies zich ontwikkelden, waarnaar zij zich richtten en wat zij toevoegden of weglieten, is fascinerend vanwege de inspiratie die er ook voor ons in schuilt en vanwege de nieuwe historische verbanden die zichtbaar worden en die veel te denken kunnen geven over de rol van spiritualiteit, religie en godsdiensten in de samenleving en voor individuele mensen. Een uitgebreide schat die nog ontgonnen kan worden en waar ik hier naar wil verwijzen.

Het christelijke Kerstfeest werd niet voor de vierde eeuw gevierd en Pasen betreft niet een lichamelijke opstanding, maar is een verwijzing naar wat ieder van ons overkomt die open gaat voor de geest van de waarheid, die innerlijk opnieuw geboren wordt. Wat was de eigenlijke “geboorte” van Jezus in geestelijke zin? Dat was het moment van zijn doop in de Jordaan, waarbij de Geest op hem neerdaalde, van oudsher gevierd op 6 januari, het feest van de Epifanie, waar later Driekoningen van gemaakt is toen de geboorteviering naar 25 december werd verschoven, aansluitend aan het geboorteverhaal in het Lukasevangelie. Waarom werden die verschillende geboorteverhalen (zij passen niet goed bij de opzet van deze evangeliën en spreken elkaar bovendien tegen) waarschijnlijk toegevoegd aan de synoptische evangeliën?! Om van Jezus' fysieke geboorte een mirakel te maken, en dus van Jezus een held. Het feest van Jezus' geestelijke geboorte was in de eerste eeuwen zeker zo belangrijk als Pasen, want de geestelijke of wedergeboorte stond bij ieder voorop en de lichamelijke opstanding aanvankelijk zeker niet. Op het latere Kerstfeest en op de geestelijke doop van Jezus kom ik nog terug.

Nu eerst enkele citaten uit het Evangelie van Thomas, eerst in het Zeeuws en direct erna vindt u de Nederlandse tekst.

Thomas 4 (= 4e logion ofwel spreuk):
Jezus zei:
Een me:ns op leeftied mň achter an mekare
bie een kind van zeven daegen oud
nač 't eęuwige leven gač vraege.
En ie za voe eęuwig leve,
wan vee eęste worre wee lest,
en ze worre aol gelieke.

Jezus zei:
Een oude van dagen zal niet dralen
Om een kind van zeven dagen oud
Te vragen over de plaats van het leven;
En hij zal leven.
Want vele eersten zullen de laatsten worden
En zij zullen tot één en hetzelfde worden.


Thomas 22:
Jezus keek 's nač een paer kleine guus die a de bost krege.
En ie zei tegen z'n leęrliengen:
Die a nač 't keunikriek gae, die ben net as die kleintjes dač.
Ze vroge an z'n:
Motte me dan in 't keunikriek komme as kleine guus?
En Jezus zei trug:
A je de tweę saemen lačt gae,
en a je de binnenkant net as de butenkant mačkt,
en de butenkant net as de binnenkant,
en den onderkant net as de bovenkant;
en a je mannelik en vrou:welik eęnder mačkt,
wačdeur a mannelik nie mě mannelijk is,
en vrou:welik nie mě vrou:welik;
en a je een oage mačkt op de plekke dačr a een oage mň zitte,
en een and op de plekke van een and,
en een voet op de plekke van een voet
en een gestalte op de plekke dačr a een gestalte mň weze,
dan gač je nač 't keunikriek.

Jezus zag kleine kinderen die gezoogd werden.
Hij zei tot zijn leerlingen:
Deze kinderen, die gezoogd worden,
Lijken op hen, die het Koninkrijk binnengaan.
Zij zeiden tot hem:
Zullen wij dan, als wij kinderen zijn,
Het Koninkrijk binnengaan?
Jezus zei tot hen:
Als jullie de twee één maakt
En als jullie het innerlijk maakt als het uiterlijk,
En het uiterlijk als het innerlijk
En het boven als het beneden,
En als jullie het mannelijke en het vrouwelijke tot één maakt,
Zodat het mannelijke niet mannelijk zal zijn
en het vrouwelijke (niet) vrouwelijk,
als jullie ogen maakt in plaats van een oog
en een hand in plaats van een hand
en een voet in plaats van een voet
(en) een beeld in plaats van een beeld;
dan zullen jullie binnengaan in [het Koninkrijk].


Thomas 37:
Z'n leęrliengen vroge:
Oeneęr zu me je kunne zie:e, en oeneęr zu me je zie verschiene?
Jezus zei:
A jolder zonder schaemte aoles uut doe:e dat a je an č:e,
en dan net as kleine guus boven op je goe:d gač stae,
en der dan op trappe.
Dan zu:e jolder 't kind van 't eęuwig levende zie:e,
zonder da je dač benauwd van worre.

Zijn leerlingen zeiden:
Op welke dag zult u zich aan ons openbaren
En op welke dag zullen wij u zien?
Jezus zei:
Als jullie je kleren aflegt zonder schaamte
En (dan) je kleren opneemt en ze onder je voeten legt,
zoals kleine kinderen -, en eroverheen loopt;
dan [aullen jullie] de Zoon van de Levende [zien]
en zullen jullie niet bevreesd zijn.


Thomas 36:
Jezus zei:
Je mňj'n eigen nie van den ochen toet den aeven,
En van den aeven toet den ochen,
Druk gač zitte maeke over wat voe goe:d a je an mň doe:e.

Jezus zei:
Wees niet bezorgd
van de ochtend tot de avond
en van de avond tot de ochtend
wat jullie zullen aantrekken.


Thomas 42:
Jezus zei:
Je mň levend worre sint a je doôd gačt.

Jezus zei:
Word voorbijgangers.


Thomas 54:
Jezus zei:
Die a aerm bin, die bin zalig.
Wan 't emelse keunikriek is voe ulder.

Jezus zei:
Gelukzalig de armen,
Want voor jullie is het Koninkrijk der hemelen.

Een verschil met de andere evangeliën is dat het Evangelie van Thomas alleen gezegden van Jezus bevat en geen verhalen over hem. Bevestigt dit de ouderdom en de oorspronkelijkheid van 'Thomas' (“het gaat om de inhoud en werking van Jezus' boodschap” en “de hier niet vertelde verhalen zijn nog bekend uit de dichtbije herinnering”) of kan men de soberheid uitleggen als een bewuste latere keuze (“omdat de verhalen al elders verteld worden namelijk in andere evangeliën”)? Voor het overwegen van deze en andere vragen is de lezing na deze inleiding als volgt ingedeeld:

I. Schetsen van de tijd, waarin de wijze man en genezer Jezus leefde.
II. De belangrijkste gegevens van Jezus' leven volgens de geschiedwetenschap: de historische Jezus.
Tot hier vindt u de tekst op deze pagina. Op de volgende pagina vindt u:
III. Wat vertelden zijn volgelingen over hem en hoe droeg dat bij aan de grote verscheidenheid van beelden van Jezus, met speciale aandacht voor twee bijzondere tradities, de joods-christelijke tradities in en om Palestina waartoe ook 'Thomas' behoort, en de gnostieke tradities verspreid over de hellenistische wereld.
IV. We eindigen weer bij 'Thomas'. Brengt de ontdekking van 'Thomas' ons een stap dichter bij de indruk die de oorspronkelijke ooggetuigen van Jezus kunnen hebben gekregen?
Tenslotte volgen enkele bron- en literatuurverwijzingen.

I Schetsen van de tijd, waarin de wijze man en genezer Jezus leefde

Na enkele eeuwen van doorsijpelen, verspreiden en omvormen en aanpassen en vertalen van de berichten over Jezus was er ook een Romeinse staatskerk van christelijke signatuur, met een vaste canon van heilige schriften, een vaste geloofsbelijdenis en een vaste organisatie. Maar we kunnen ons beeld van de eeuwen daarvoor natuurlijk niet afleiden uit wat er later van gemaakt werd. Door allerlei vondsten en studies weten we sinds enkele decennia ongelooflijk veel meer van die eerste eeuwen. Het blijkt dat degenen die Jezus vereerden aanvankelijk meestal Joden waren en Jezus niet als verlosser zagen maar als een verlichte profeet die na zijn ontijdige dood verder verschenen was. Zijn inspiratie leefde na zijn dood nog voort onder verschillende groepen. Groepen die soms messiaanse, soms esoterische, en soms wijsheidstradities gebruikten om die inspiratie te verduidelijken. Groepen, waar steeds meer niet-joden zich bij aansloten. En die daar dan óók weer hun eigen tradities bij gebruikten.
Zij zagen zich allen als sympathisanten van Joodse tradities, zij het verschillende, want dat was toen al zo. En naarmate de verhalen over Jezus verder in het Romeinse Rijk doordrongen, namen ze merkwaardigerwijze ook vaak een beetje de kleur over van de andere verhalen die daar al leefden. Zo werd Jezus vergeleken met de Egyptische Osiris, met de Griekse Dionysos, met de Perzische Mithras enzovoort. Osiris was de god die als mens onder de mensen verschijnt, die door de kwade krachten vernietigd wordt maar die na zijn opstanding het oordeel zal vellen aan het eind van de tijden en de absolute waarheid bekend zal maken. Dionysos was de god van de mysteriescholen van Pythagoras, Plato en Socrates, die van onbetekenende wijngod de gekruisigde en opgestane werd die de mensen voorging op de weg van de inwijding, de weg "terug naar God". Mithras, de Verlosser, op 25 december geboren uit de vereniging van een maagd en een god, wonderen verrichtend, ten hemel gevaren en aan het einde van de tijden komend met zijn oordeel - wie zijn bloed niet zou drinken, zou niet verlost worden. En terwijl Paulus al heel vroeg, nog voor er evangeliën waren, de verhalen over Jezus bewust niet alleen aan Joden maar ook aan Grieks-sprekenden buiten Palestina bracht, en een heel eigen betekenis gaf aan de Christus in hem, die ook het beeld in alle mensen was, zagen anderen in Jezus de Messias voor alle volken, of de eniggeboren zoon van God, of de boodschapper van God die de in de stof gevallen mens terugvoerde naar de geestelijke wereld. Een oneindige variatie, waarin vooral het enthousiasme voorop stond dat iedereen gelijk was, van slaaf en vrije tot man en vrouw, en Jood en Griek en iedereen. En naast de christelijke stromingen waren er nog vele andere.

Uiteindelijk zou in de boeiende hellenistische periode van het Romeinse Rijk een kleine tweeduizend jaar geleden in de smeltkroes van culturen en religies in het Oostelijk Middellandse-Zeegebied, in Egypte, Palestina, Syrië en Griekenland de overgang plaats vinden naar een nieuwe culturele en godsdienstige grondslag, namelijk de combinatie van Romeinse ideeën voor het bestuur en recht, Griekse filosofie en een nieuwe godsdienst, het christendom, een godsdienst die de politieke machthebbers zo waardevol toescheen dat zij haar tot staatsgodsdienst uitriepen. Maar dat gebeurde niet in een handomdraai.

Die voorafgaande overgangsperiode begint ruwweg met de Romeinse verovering van Griekenland. Door de veldtochten van de Griekse Alexander de Grote waren de contacten met het Oosten verstevigd. De Grieken begonnen overal kolonies te stichten aan de kusten van de Middellandse Zee en verspreidden hun cultuur. Met de komst van de Romeinse heerschappij en het opnemen van nog veel meer volken en culturele invloeden begon de smelkroes pas echt op te warmen. Het gaat ruwweg om de periode van enkele eeuwen voor tot enkele eeuwen na het begin van onze jaartelling, de zogenaamde hellenistische periode (Hellas = Griekenland, hier op te vatten als de cultuur en de taal die in die periode centraal stonden, ook tijdens het Romeinse Rijk). Daarin vond de bloei van het Romeinse Rijk plaats, een lang proces van ontmoeting van de culturen om het Romeinse Rijk heen, de Perzische, Egyptische, Syrische, Joodse, Griekse en Romeinse, om de belangrijkste te noemen. En van de bijbehorende etnische gewoonten en de bijbehorende religies. Dat leverde in eerste instantie een grote smeltkroes op, zoals wij die ook in onze grote steden opnieuw kennen. Inderdaad kun je de migratiestromen van toen en van nu met elkaar vergelijken: zoals nu talloze immigranten in West-Europa en de Verenigde Staten te vinden zijn, zo was dat ook in de grote steden rond de Middellandse Zee in de tijd van het Romeinse Rijk. Je kunt het Engels van nu vergelijken met het Grieks van toen; en bijvoorbeeld het Arabisch, Marokkaaans of Turks van nu met het Hebreeuws of Syrisch of Perzisch van toen.
En als je dagelijks op elkaars huid zit, zie je elkaars sterke en zwakke kanten goed. Net als de mensen in die tijd leven wij in een tijd van grote culturele veranderingen, misschien zelfs een verandering van de wereldorde. Er was toen en er is nu geen gebrek aan kansen - denk aan de handel - maar ook aan onzekerheden - wat dacht u van de handhaving van de orde en van de veiligheid in die grote steden? En van het risico van overvallen door bendes en legers daarbuiten? En allereerst moet natuurlijk de dagelijkse strijd om te overleven genoemd worden, en de strijd om evenwicht te vinden tussen degenen die weinig of niets hebben dan hun leven en degenen die over levensmiddelen en geld beschikken.

Op religieus gebied vielen in die periode een aantal zaken op. Veel religies waren inwijdingsreligies, waarin de leerlingen door een proces heengingen dat hun ogen moest openen voor de ware zin van het leven. Dat gebeurde in de Griekse mysteriereligies, met name die van Dionysos (letterlijk: de zoon van God), en bijvoorbeeld in de Mithras- en Isiscultussen met hun Perzische dan wel Egyptische achtergrond. Tussen haakjes: de Mithrascultus zou uiteindelijk de grootste concurrent van het winnende christendom blijken te zijn. Verder waren er ook genootschappen of loges (zeg ook maar 'spirituele sociëteiten') die de ware zin van het leven terugvonden in kosmische filosofie en gnosis (gnosis = kennis; namelijk die van het hart, dus intuďtief), zoals in de egyptisch-hermetische en joods-gnostische loges in Alexandrië. En dan waren er verspreid over de steden groepen Perzen, Syriërs, Joden enzovoort die hun eigen bijeenkomsten hielden en zo hun oude etnisch-religieuze tradities voortzetten, bijvoorbeeld in synagogen en bij wekelijkse maaltijden waar behalve de religie ook praktische zaken aan de orde kwamen. Men kon elkaars hulp goed gebruiken. Of er waren mensen die zich uit het veelvormige maatschappelijke leven terugtrokken in de overzichtelijke regels van de eigen gemeenschap in een afgelegen gebied, zoals de Joodse Essenen (van wie de Dode-Zeerollen geacht worden afkomstig te zijn) en later de christelijke heremieten, voorlopers van de middeleeuwse monniken. Of weer anderen die zich misschien minder uit religieuze dan uit politieke motieven verzetten tegen de Romeinse overheersing, zoals de Joodse Zeloten. Verder was er overal en altijd veel belangstelling voor het vinden van goddelijke aanwijzingen voor het leven door raadpleging van geďnspireerde priesters of priesteressen, zoals de Griekse orakels van Delphi, maar ook door het raadplegen van orakelspreuken die uit een verzameling gekozen werden door het gooien met een dobbelsteen. Te vergelijken met het werpen van staafjes om de orakelspreuken van de I Ching te kiezen, of met het leggen van Tarotkaarten. En evenzo waren er rondreizende filosofen die kritiek uitoefenden op het maatschappelijke systeem - speciaal de zogeheten Cynische filosofen (Cynisch = 'honds'; bedoeld is dat ze door hun vaak ongewone gedrag en kritische uitspraken de mensen probeerden wakker te schudden; ze waren dus niet per se 'cynisch', wel kritisch; overigens is het woord 'cynisch' wel van hen afgeleid) - en verder trof men spirituele leraren aan zoals de beroemde Pythagoras, die mysteriescholen stichtten, of met hun diepzinnige lessen rondreisden zoals Apollonius van Tyana. En zo waren er heel veel. En ten slotte ook een veelvoud van genezers en profeten en magiërs die met spreuken of tabletten mensen genazen of op een nieuw spoor zetten, het onheil afweerden of wensen vervulden.

Bijzonder is dat buiten Palestina zeker evenveel zo niet meer Joden woonden als erin, er waren grote groepen joden in Alexandrië en verder in elke grote stad wel een of meer groepen Joden. En dat van alle godsdienstige tradities achteraf gezien de Joodse tradities de belangrijkste invloed althans doorwerking hebben behouden in deze smeltkroes. Wie even aan het verhaal van Pinksteren uit het boek 'De Handelingen van de Apostelen' wil denken, herinnert zich dat de auteur daar vol trots vertelt uit hoeveel streken en van welke verschillende volken er mensen voor het Joodse pinksterfeest in Jeruzalem zijn. Maar die woonden allemaal ver van Jeruzalem vandaan, ver buiten Palestina, meestal als minderheid in een vreemde omgeving. Opmerkelijk is dat er handel en rijkdom voldoende was om al dat verkeer mogelijk te maken. Zo werd het daar rondom de Middellandse Zee pas een echte smeltkroes. (Voor aanvullende informatie over het Jodendom in Palestina in de eeuwen voorafgaand aan de eeuw waarin Jezus optrad, zie inmiddels onder meer het boek van Stephen Hodge,
De Dode-Zeerollen.)

Achteraf gezien is een van de belangrijkste ontwikkelingen binnen dat uitgebreide en uiteenlopende Jodendom het uiteenvallen geweest in minstens twee richtingen. Aan de ene kant het rabbijnse Jodendom dat het in reactie op de nieuwe ontwikkelingen - waaronder de verwoesting van de tempel in Jeruzalem omstreeks 70 na Christus - het Hebreeuws handhaafde, vele hellenistische invloeden buiten de deur hield en ook de Jezusbewegingen afwees die immers van Jezus een tweede God maakten en zich meer aanpasten aan de hellenistische omgeving, en aan de andere kant het hellenistische Jodendom dat het Grieks accepteerde - het Grieks was het Engels van die tijd - waardoor een brede basis werd geschapen voor verbreiding van nogal uiteenlopende stromingen die mede of alleen door Jezus geďnspireerd waren en waaruit later ontstond wat christendom genoemd kan worden. Die acceptatie van het Grieks was niet oppervlakkig: de Joden in Egypte hadden immers een uitgebreide vertaling van de Joodse heilige geschriften in het Grieks gemaakt, de Septuaginta, die veel werd gelezen en bestudeerd en uitgelegd. En dat had weer veel invloed op de taal en de ideeën van de door Jezus geďnspireerde bewegingen.
Wat we vooral niet mogen vergeten is dat er in het Jodendom heel veel esoterische stromingen waren, gebaseerd op visioenen over de hemelse wereld of de weg erheen, de voorlopers van de Joodse kabbala, maar ook verbindingen met het uitleggen van orakelspreuken, met Egyptische en Griekse filosofie en kosmologie. De latere gnostici zouden daar evengoed gebruik van maken als Paulus en de evangelist Johannes. Als we ons even beperken tot de joodse tradities die er al waren voordat Jezus leefde, kunnen we op z'n minst drie grote noemers signaleren waaronder joodse tradities zijn terug te vinden: er zijn messiaanse tradities, er zijn wijsheidstradities, en er zijn esoterische tradities.
Achteraf kunnen we zeggen dat de diversiteit er eerst was en pas later de orthodoxe reactie die orde bracht maar ook verstarring. Zowel bij degenen die het Hebreeuws handhaafden, de orthodoxe rabbijns-joodse traditie van de ene Thora van de enige God en haar ene manier van gezaghebbende uitleg (neergelegd in de talmoediem) en ritueel, als bij degenen die tot het Grieks overgingen, met name de orthodoxe christelijke traditie van de ene kerk met haar ene leer en ene lijst van geschriften en ene liturgie. Als je ziet dat vele hellenistisch-joodse tradities (bijvoorbeeld de geschriften van de Alexandrijnse Jood Philo, exegeet en filosoof; en de joods-hermetische en joods-gnostische tradities) in ieder geval aanvankelijk vooral in de christelijke bewegingen en tradities invloed hebben uitgeoefend, zou je zelfs de veronderstelling kunnen wagen dat het rabbijnse jodendom het christendom wellicht eerder afwees om hun aanpassing aan de vreemde hellenistische invloeden dan om de persoon van Jezus, of wat men van hem maakte. Maar dit is een nog onontgonnen terrein (al is wel waarschijnlijk dat de afsluiting van de rabbijns-joodse canon van heilige geschriften - de Tenach - pas in de tweede eeuw plaatst had en wel mede beďnvloed door het zich afzetten tegen de sterker toenemende christelijke groeperingen en geschriften, zodat bijvoorbeeld verschillende boeken uit de rabbijns-joodse canon werden gelaten die eerder wel in de Griekse vertaling van de Joodse heilige boeken, de Septuagint, waren opgenomen, en die ook bij veel christenen populair waren), want ook in het christendom ontstond immers een orthodoxie die een nieuwe scheiding maakte en nu sommige opvattingen, waaronder vele over Jezus, als juist en heilzaam en andere als ketters en gevaarlijk indeelde. En de ruimte die er later bij de joden - ook de orthodoxe - ontstond voor de mystieke traditie, in de vorm van de Kabbala, heeft toch ook al oude hellenistische wortels, mag men aannemen. Hier spelen dus allerlei factoren samen en die kunnen over langere perioden tot wisselende constellaties en rollen leiden. Waarop we hier niet in kunnen gaan. Het kernverschil is echter de houding tegenover de veranderingen die de hellenistische omgeving meebracht. Jezus werd daarbij mijn inziens in mythologische of theologische zin pas een echt strijdpunt toen de christenen het in het Romeinse Rijk wonnen van de joden en van andere religies (we zullen zien dat Jezus wel opponeerde tegen het tempelestablishment van zijn dagen maar dat hing direct met Jezus' boodschap samen die goed te verenigen viel met de etnisch-Joodse tradities). Althans, het gegeven dat men Jezus als enige god-mens ging beschouwen, werd pas een politiek punt tegen de joden toen de christenen zich maatschappelijk en politiek tot de bevoorrechte elite mochten gaan rekenen waar de andere afstammelingen van de Joodse tradities die Jezus niet erkenden, zeker niet bij konden horen. Dat de christenen het zo ver brachten, kwam overigens niet alleen omdat ze waardevolle nieuwe dingen brachten - zoals een sterke moraal en standvastigheid in vervolgingen - maar ook omdat ze zich aanpasten, cultureel, religieus en politiek. Maar Jezus' boodschap had ook een sterke maatschappelijke pointe gehad die zich niet altijd laat rijmen met aanpassing aan de macht. Bleef de boodschap van Jezus in dit alles overeind?

Wanneer we een juist beeld van Jezus willen krijgen, en wanneer we een juist beeld willen krijgen van de uiteenlopende spirituele bewegingen en geschriften die door zijn optreden zijn ontstaan of beďnvloed - en de ons bekende evangeliën en andere geschriften van het Nieuwe Testament horen daar net zo goed bij als het Evangelie van Thomas en de andere christelijke geschriften die in Nag Hammadi gevonden zijn - dan moeten we kijken hoe die ontwikkeling precies heeft plaats gehad: van de bijzondere Jood Jezus, een mens die een boodschap van verlichting en solidariteit verkondigt aan de verschoppelingen van de maatschappij, tot een door bisschoppen geleide en door de keizer beďnvloede staatskerk in het Romeinse Rijk, die de goddelijke genade toedeelt aan de gelovigen, en van simpele maar krachtige en enthousiaste Jezusbewegingen (in Joodse streken loyaal jegens de thora en de tempeldienst, en in hellenistische omgevingen vol vreugde over de onderlinge gelijkwaardigheid van slaaf en vrije, Jood en Griek, man en vrouw) tot de in heel de wereld vereerde Messias, die de door anderen Verkondigde wordt, de Verlosser van zonden, de Heer van het universum. En eerlijk is eerlijk, als een aantal praktisch ingestelde bisschoppen (met name Irenaeus) niet uit de chaos van ideeën over Jezus en de chaos van de bewegingen van Jezus-vereerders de conclusie hadden getrokken dat de beweging geen toekomst had als zij geen uniformiteit vestigden, en als zij geen scherp oog voor maatschappelijke zelfhandhaving en politieke positie hadden gehad, dan was er wellicht nooit een christendom ontstaan met een vaste organisatie, een vaste leer en een vaste bijbel. Maar evengoed moeten we eerlijk zijn als we vaststellen dat dit wel gewoon mensenwerk geweest is, in ieder geval niet noodzakelijk alleen gebaseerd op goddelijke ingeving maar op vrije keuze. Maar nu de belangrijke vraag.
Hoe kwam men van de bijzondere Jood Jezus die het Koninkrijk van verlichting en solidariteit verkondigde aan de armen tot de voorstelling van de Zoon van God, de Christus die allen die in hem geloven, van zonde verlost; en van de enthousiaste maar simpele en arme Jezusbewegingen tot een invloedrijke staatskerk met machtige leiders waar enthousiasme op de tweede plaats raakte na de vaste leer en liturgie, de vaste organisatie en de vaste bijbel?

'Thomas' werd met zo'n zestig andere meest onbekende geschriften uit de eerste eeuwen van onze jaartelling gevonden in het egyptische Nag Hammadi. Deze vondst biedt een nieuw licht - of vraagt minstens om een nieuw licht - op de religies binnen het Romeinse Rijk, op het Jodendom, op het belang van Egypte, op de mysteriegodsdiensten. Want vele andere eveneens hier gevonden of al bekende maar nu opnieuw gelezen en bestudeerde geschriften laten duidelijk zien dat er allerlei verbanden tussen die religies en de verschillende Joodse en christelijke tradities bestonden. En 'Thomas' heeft daar een buitengewoon unieke plaats in die veel vragen oproept en veel te denken geeft, en tot vele nieuwe inzichten kan leiden.

II De belangrijkste gegevens van Jezus' leven volgens de geschiedwetenschap

Voordat ik terugkom op de plaats van het Evangelie van Thomas in deze ontwikkeling lijkt het nuttig om eerst vast te stellen of wat wij denken te weten van het leven van de historische mens Jezus van Nazareth klopt met wat daarvan volgens moderne geschiedkundigen van bekend is. Ik maak daarbij gebruik van het boek van de socioloog-theoloog-historicus Gerd Theissen en Annette Merz, Der historische Jesus; met een aantal aanpassingen van mijn hand.

Jezus werd in Nazareth (dus niet in Bethlehem; BK) geboren als zoon van de hout- en steenbewerker Jozef en zijn vrouw Maria. Hij had verscheidene broers en zusters. De namen van zijn broers zijn deels bekend (bijvoorbeeld Jacobus, de latere leider van de eerste christelijke groepering in Jeruzalem, die ook in het Nieuwe Testament voorkomt; BK). Hij werd in de periode van zijn publieke optreden “rabbi” genoemd.

Rond zijn 25e sloot hij zich aan bij de beweging van Johannes de Doper, die alle Israëlieten tot omkeer opriep en door middel van een doop in de Jordaan redding beloofde in het gericht van God dat direct ophanden was. Daardoor bood de Doper in rituele vorm vergeving van zonden aan - onafhankelijk van de mogelijkheden van verzoening die de tempel in Jeruzalem aanbood. Dat was een motie van wantrouwen tegen de centrale instelling van het Jodendom (en het volk Israël; BK). Die was ineffectief geworden. Ook Jezus liet zich door Johannes dopen. Net als alle anderen heeft ook hij zijn zonden bekend (! BK). Net als alle anderen rekende ook hij met het nabije gericht van God.
Het duurde niet lang of Jezus trad onafhankelijk van de Doper op - met een verwante boodschap, maar hij legde meer nadruk op de genade van God, die aan alle mensen nog een kans en een tijd laat. Misschien verwerkte Jezus zo de ervaring dat het door de Doper aangekondigde gericht niet direct plaatsvond. Jezus' fundamentele zekerheid was dat een definitieve wending ten goede had plaatsgevonden. De satan was overwonnen, het kwaad in principe eveneens. Dat kon men ervaren in duiveluitdrijvingen, waarbij de demonen moesten vluchten. Dat waren tekenen van het koninkrijk dat aan het komen was.

Met deze boodschap trok Jezus als rondreizend prediker door Palestina met het zwaartepunt in kleine plaatsen aan de noordwestzijde van het meer van Galilea (in het Noorden; BK). Uit het eenvoudige volk, uit vissers en boeren, koos hij zijn leerlingen met Petrus aan het hoofd, (als het ware; BK) representanten van de stammen van Israël, met wie hij het op korte termijn te herstellen Israël wilde “regeren” door middel van een soort “representatieve volksregering”. Voorts werd hij vergezeld door anderen uit het volk, waaronder ook vrouwen, iets dat voor een Joodse leraar ongebruikelijk was. Maria Magdalena (voor de rol die zij later speelde in allerlei verhalen zie bijvoorbeeld J. Slavenburg,
Het openvallend testament) nam onder hen een bijzondere plaats in. Zijn familie hield hem een tijd lang voor gek, ook al behoorde zij later, na zijn dood, tot zijn aanhangers.
Zo ver Jezus een belangrijke taak voor zijn intieme leerlingen op het oog had, had dat niets te maken met het stichten van een nieuwe godsdienst of nieuwe kerk in plaats van de Joodse tradities tot dan toe, of met machtsuitoefening op basis van goddelijk gezag (die macht eiste Jezus ook niet voor zichzelf en zijn boodschap op!), maar eerder met het leiden van een volksbeweging die verlichting en solidariteit met elkaar verbond, en zich baseerde op vrijwilligheid en vrije erkenning van gezag. Jezus was overtuigd dat spoedig - door zijn toedoen als genezer en profeet namens God - het Koninkrijk van God zichtbaar zou worden, het rijk van spirituele verlichting en onderlinge solidariteit. Die overtuiging straalde een buitengewoon gezag uit.
In het centrum van Jezus' boodschap stond het Joodse geloof in God: God was voor hem een reusachtige ethische energie, die op korte termijn de wereld zou veranderen. Gods energie zou de armen, zwakken en zieken redden, maar voor allen die zich niet door haar lieten beďnvloeden tot het “hellevuur” van het gericht worden. Jezus vertrouwde op zijn macht om mensen te bewegen tot omkeer. Een bewijs van de omkeer verlangde hij niet, ook geen doop. Van de goedheid van God was hij ook zonder zulke riten zeker.
Jezus scherpte zijn meest eenvoudige gehoor een “aristocratisch” zelfbewustzijn in: alle mensen hadden een oneindige verantwoordelijkheid tegenover God, allen moesten met het oog daarop hun hele leven riskeren. Heil en onheil waren nu nabij.

Ter illustratie van Jezus' boodschap en optreden volgen een aantal uitspraken uit Q, de bron (Q = Quelle) die de evangeliën van Markus, Mattheüs en Lukas gemeenschappelijk hebben. Q en 'Thomas' hebben veel gemeen, onder andere dat zij geen verhalen bevatten. Van Q staat vast dat het de oudste bron van de in het Nieuwe Testament opgenomen evangeliën is waarvan we weten dat hij bestaan moet hebben. Ik beperk mij tot dat deel van Q waarvan de onderzoeker Mack meent te kunnen vaststellen dat het het oudste deel van Q is, het oorspronkelijke boek Q waaraan later uitbreidingen zijn toegevoegd. (Zie elders de complete tekst van dit oorspronkelijke boek Q1, met toelichting.) Het gaat bij Q om teksten die vaak heel bekend zijn. Het zal u niet verbazen dat de uitspraken overeenkomsten vertonen met 'Thomas'; daar zijn ze door mij deels op uitgekozen. De volgorde van de citaten is die in het oorspronkelijke boek Q. Met de puntjes zijn tussenliggende delen van de tekst aangeduid.
Bij wijze van commentaar op bovenstaande samenvatting van leven en opvattingen van de historische Jezus, die natuurlijk gebaseerd zijn op een interpretatie en afweging van gegevens uit de verschillende bronnen, zij vermeld dat zowel Mack in zijn boek over Q als Gilles Quispel in zijn recente commentaar op het Thomasevangelie het vermoeden uitspreken dat de voorstelling en uitspraken van Jezus als die van een onheilsprofeet (die overigens voortborduren op bestaande tradities onder de Joden zowel in de boeken van de profeten als bij de Essenen) mogelijk later meer nadruk zouden hebben kunnen krijgen dan bij Jezus zelf het geval was. Omdat zij nog beter passen bij de stemming rondom de verwoesting van de Tweede Tempel in 70 na Christus en de toenmalige situatie van de volgelingen van Jezus - die latere versies van Q en ook het evangelie van Markus produceerden - dan bij Jezus en zijn eerste gehoor zelf in de jaren twintig en dertig van de eerste eeuw, decennia eerder dus, waarin de uitspraken gedaan werden die de Judese bron van het evangelie van Thomas - omstreeks het jaar 40? - en de vermoedelijk oudste lagen van Q - omstreeks 50-60? - gemeenschappelijk hebben). Belangrijk is overigens te bedenken dat in iedere bron ook oorspronkelijke uitspraken weggelaten kunnen zijn omdat de samensteller die minder relevant vond voor zijn compilatie, maar die niettemin oorspronkelijk waren. Maar naar de historie kun je zo goed mogelijk zoeken, ook dat is een feit.

Uit het oorspronkelijke boek Q:

Dit zijn de leringen van Jezus:

Toen hij de menigten zag, zei hij tot zijn discipelen:
'Gelukkig de armen; zij bezitten Gods koninkrijk.
Gelukkig de hongerigen: zij zullen gevoed worden.
Gelukkig zij die treuren, zij zullen lachen.'

'Ik zeg jullie, heb je vijanden lief, zegen degenen die je haten, bid voor degenen die je geweld aandoen.
Als iemand je op de wang slaat, bied hem dan ook je andere wang. Als iemand je jas pakt, sta hem dan ook je overhemd af.
Geef aan iedereen die vraagt, en als iemand je je bezittingen afneemt, vraag ze niet terug.

Als je van diegenen houd die van jou houden, wat heb je dan voor op anderen?

Nee, heb je vijanden lief, doe goed en leen zonder iets terug te verwachten. Je zult rijkelijk beloond worden en je zult kinderen van God zijn….'



'… Oordeel niet en je zult niet worden geoordeeld. …'

'Kan een blinde een blinde leiden? Zullen ze niet samen in een put vallen?
…'

'Hoe kun je kijken naar de splinter in het oog van je medemens en niet de balk in je eigen oog opmerken? …'

'… Iedere boom is te herkennen aan zijn vruchten. …
Want waar het hart vol van is, daarvan spreekt de mond.'


Tegelijkertijd werkte hij als charismatisch genezer. De mensen stroomden naar hem toe, om van zijn genezingsgave te profiteren. Hij zag in deze genezingen tekens van de al beginnende heerschappij van God en tegelijkertijd een uitdrukking van de kracht van het menselijk geloof. Al gauw schreef men hem ongelooflijke zaken toe.

Jezus verscherpte de universele aspecten van de Joodse thora en ging “liberaal” om met die rituele aspecten die Joden van heidenen onderscheidden. Maar hij bleef in heel zijn onderricht staan op het fundament van de Thora. In het centrum van zijn ethiek plaatste hij het gebod van de liefde tot God en tot de naaste, maar radicaliseerde het tot de verplichting ook de vijanden, de vreemdelingen en de religieus uit de boot gevallenen en veroordeelden lief te hebben.
Van zijn visioen van de toekomstige heerschappij van God maakte in ieder geval een grote gemeenschappelijke maaltijd deel uit, waarbij Joden en heidenen niet meer door eet- en rituele reinheidsvoorschriften gescheiden zouden worden. (Een punt dat later een grote rol zou spelen bij zijn volgelingen! BK)

Wat hij voor iedereen onderrichtte, moet onderscheiden worden van eisen aan zijn volgelingen: hier kon hij in afzonderlijke gevallen ongehoorzaamheid tegenover de thora eisen, bijvoorbeeld door voorbij te gaan aan het gebod om de eigen ouders te eren en aan de rituele reinheidsvoorschriften. Hier verlangde hij een radicale ethiek van vrijheid ten opzichte van familie, bezit, vaderland en zekerheid. Als rondreizend prediker kon hij zich met zijn aanhangers onttrekken aan de aan huis en haard bindende macht van de alledaagse plichten. Zoals we in de bekende evangeliën kunnen lezen stuurde hij zijn leerlingen er op uit om de boodschap van bevrijding te brengen en gaf daarbij radicale instructies voor een onthecht gedrag. 'Thomas' versterkt die traditie nog want Jezus zegt daar dat zijn leerlingen voorbijgangers of 'zwervers' moeten worden, dwz. zij moeten zich nergens aan binden ter wille van hun boodschap, de verlichting, bevrijding en genezing - het Levend worden - van alle mensen die daar ontvankelijk voor zijn. (Deze dynamiek is nergens zo goed bewaard als in 'Thomas'! BK)

Door leer en leven trok hij aandacht en riep tegenspraak op. Noodlottig werd Jezus' kritiek op de tempel hem pas, toen hij voor het Joodse paasfeest naar Jeruzalem trok. Johannes de Doper, zijn leraar, had op indirecte wijze al gezag aan de tempel onttrokken. Jezus greep de tempel echter direct aan: hij voorspelde dat God een nieuwe tempel zou neerzetten in plaats van de oude. Door een symbolische handeling, de zogeheten reiniging van de tempel, verstoorde hij de tempelcultus en provoceerde bewust de met de tempel verbonden aristocratie. Door zijn optreden in de tempel liet hij zien dat verlichting en solidariteit niet samengaan met de oneerlijke praktijken van een maatschappelijke bovenlaag tegen de gewone man en vrouw.
De aristocratie die hem gevangen nam, trad tegen hem in het perk wegens zijn kritiek op de tempel, maar klaagde hem voor Pilatus aan wegens het politieke misdrijf, als koningspretendent naar de macht gegrepen te hebben. Inderdaad verwachtten velen onder het volk en onder zijn aanhangers dat hij de koninklijke Messias zou zijn die Israël tot nieuwe macht zou voeren. Jezus heeft zich voor Pilatus niet van deze verwachting gedistantieerd. Hij kon het ook niet. Want hij was ervan overtuigd, dat God door hem de grote omwenteling ten gunste van Israël en de wereld door zou voeren. Als politieke onruststoker werd hij veroordeeld en samen met twee bandieten (zeer waarschijnlijk in April 30 nC) gekruisigd. Door zijn optreden in de tempel (de tempelreiniging) tijdens het Joodse paasfeest liet hij zien dat verlichting en solidariteit niet samengaan met de oneerlijke praktijken van een maatschappelijke bovenlaag tegen de gewone man en vrouw. Zijn (mannelijke) leerlingen vluchtten, maar enkele vrouwen bleven in zijn buurt. Als God had Jezus zichzelf nooit beschouwd, wel als mens met de bijzondere opdracht om heil en onheil aan te kondigen en dichterbij te brengen. Zijn leven, optreden en sterven werden later gebruikt als een alibi voor het schrijven van een heldenverhaal, als in de synoptische evangeliën, en nog later voor het vestigen van een vaste leer geformuleerd in een geloofsbelijdenis; maar Jezus zette zijn gaven van profetie en genezing directer in. Zijn aanstaande dood had hij nooit beschouwd of aangekondigd als het unieke voor alle mensen absoluut benodigde zoenoffer voor hun zonden (zijn plaatsvervangende lijdenssolidariteit voor die van alle mensen); hij had wel een andere boodschap van bevrijding, die hij met grote overtuiging en zonder omwegen had gebracht en in praktijk gebracht en die een diepe indruk had gemaakt.

Nu het vervolg van een aantal uitspraken uit het oorspronkelijke boek Q:

'Waarom noemen jullie mij “Meester, Meester”, en doe je niet wat ik zeg?
Iedereen die mijn woorden hoort en ze doet is als een man die zijn huis op een rots bouwde. De regen viel, een vloedgolf sloeg tegen het huis en het stortte niet in, want het had een rots als fundament. ...'



Hij zei: 'De oogst is wel groot, maar er zijn weinig arbeiders. Vraag de eigenaar van het land daarom of hij arbeiders wil sturen om zijn oogst binnen te halen.
Ga op weg en bedenk: Ik stuur jullie als lammeren onder de wolven.
Neem geen geldbeurs mee, geen reistas, geen schoenen, geen staf. Groet niemand onderweg.
Als je ergens binnengaat, zeg dan: 'Vrede zij met dit huis'. En als daar een kind van de vrede woont, dan zal je groet worden aanvaard (letterlijk: 'je vrede zal op hem rusten'). Zo niet, laat je vrede bij hem terugkomen.
Blijf daar in huis en eet en drink wat men je voorzet, want de arbeider is zijn loon waard. Ga niet van het ene huis naar het andere.
Als je in een stad komt en je bent welkom, eet dan wat men je voorzet. Besteed aandacht aan de zieken en zeg hun: 'Het Koninkrijk van God is vlakbij jullie gekomen'.

Maar als je in een stad komt waar je niet welkom bent, schud dan het stof van je voeten als je weggaat en zeg: 'Wees er desondanks zeker van dat het koninkrijk van God vlakbij gekomen is'.
'Vraag en het zal je worden gegeven; zoek en je zult vinden; klop en er zal voor je worden opengedaan. …'

'Niets is verborgen of het zal worden ontdekt; niets is geheim of het zal aan het licht komen.
Wat ik je in het donker vertel, spreek dat uit in het licht. En wat in je oor gefluisterd is, verkondig dat van de daken.'

'Wees niet bang voor hen die je lichaam kunnen doden, maar niet de ziel. …'



'Ik zeg jullie: maak je geen zorgen om het voedsel dat je nodig hebt om te leven, of om de kleren die je nodig hebt voor je lichaam. Is het leven niet belangrijker dan eten, en het lichaam niet belangrijker dan kleding?

Richt jullie aandacht liever op zijn koninkrijk (namelijk dat van God, BK), en je zult al deze dingen ook krijgen.
Verkoop je bezittingen en geef het geld (aalmoezen) aan de armen. Zorg voor een onuitputtelijke schat in de hemel, waar die niet door mot en roest wordt aangetast en waar dieven er niet bij kunnen komen. Want waar je schat is, daar zal ook je hart zijn'.



'Wie zijn vader en moeder niet haat kan geen leerling van mij zijn. Wie zijn zoon en dochter niet haat kan niet tot mijn school behoren.
Wie zijn kruis niet aanvaardt (draagt als veroordeelde) en zo mijn volgeling wordt, kan geen leerling van mij zijn.
Wie vasthoudt aan zijn leven zal het verliezen, maar wie het prijsgeeft omwille van mij zal het behouden'.


Historisch gesproken is er voor een lichamelijke opstanding van Jezus geen bewijs. Maar na zijn dood verscheen hij eerst aan Petrus of aan Maria Magdalena, vervolgens aan verscheidene naaste leerlingen tegelijk. Zij kwamen tot de overtuiging dat hij leefde. Hun verwachting dat God definitief zou ingrijpen ten gunste van het heil voor zijn kinderen, was anders in vervulling gegaan dan zij hadden gehoopt. Zij moesten aan Jezus' hele geschiedenis, zijn hele lot, alles wat er met hem gebeurd was, en zijn persoon, een nieuwe betekenis geven.

Vervolg
Retour naar overzichtspagina


Google
"To Serve Divine Wisdom, in Full Awareness of Death and Life
Waiting for Her unmistakable Signs,
Tapping from and Revering the Source of True Healing, the Kingdom of Complete Eternity
Manifesting Always through All Polarities and Changes Here and Now" (Kalliopeia)

Ieder apart wezen compleet en diep één met zijn eeuwige grond, verbonden in één gewaar-zijn


URL: http://www.bk-books.eu/lezing2003.html
Version 6 = latest revision of 3 March 2005 (Version 1: 19 February 2004)
© 2004-2005 Boudewijn Koole; copying admitted
in case acknowledgement is provided (at least reference to site: www.bk-books.eu and with link to url (unique resource location or web-address) of the text copied or referred to; if wished so with your valuation)